# Rechtbank Amsterdam, 25-06-2026 (13-108505-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:6924
- Date: 2026-06-25
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A6924
- Canonical: https://overview.legal/posts/109007
- Topics: Health Data, Types of Special Categories of Personal Data, Healthcare, Personal Data

## Summary

Vervolgings-EAB uit België. Artikel 2 OLW stelt niet de eis dat het EAB de verdenking onderbouwt. Geen sprake van een evident onjuist aangekruist lijstfeit. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. Algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden weggenomen. Artikel 13 OLW niet van toepassing. Overlevering toegestaan.

## Sections (10)

### ¶1

Procesgang — De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 juni 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

### ¶2

Identiteit van de opgeëiste persoon — Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

### ¶3

Grondslag en inhoud van het EAB — Het EAB vermeldt een aanhoudingsmandaat bij verstek, afgegeven door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, op 1 april 2026. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 3.1 Genoegzaamheid Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten in het EAB niet genoegzaam zijn omschreven, zodat de overlevering moet worden geweigerd. De betrokkenheid van de opgeëiste persoon is niet anders onderbouwd dan door vermelding van een telefoonnummer dat aan de opgeëiste persoon zou zijn gekoppeld en dat een andere verdachte iets zou hebben gesteld over een Snapchataccount. Nu zijn rol uit de gestelde feiten ten aanzien van tijdstip, plaats en mate van betrokkenheid niet blijkt, kan de opgeëiste persoon zich niet op enige verdediging voorbereiden. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Het is duidelijk waarvoor het EAB is uitgevaardigd. De feiten, de periode waarin de feiten gepleegd zouden zijn, de pleegplaats en de mate van betrokkenheid zijn voldoende concreet omschreven. Daarbij komt dat het een vervolgings-EAB betreft, zodat de precieze gang van zaken nog niet volledig uitgekristalliseerd hoeft te zijn. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het verzoek voldoen aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. De rechtbank is van oordeel dat aan de gestelde eisen is voldaan en derhalve sprake is van een genoegzaam EAB. Uit de feitomschrijving volgt dat de opgeëiste persoon wordt verdacht deel uit te maken van een bende die zich inlaat met het overvallen van personen die over een aanzienlijk vermogen beschikken ingevolge investering in bitcoins met de bedoeling zich deze toe te eigenen, waarbij deze ook op 20 december 2024 het in het EAB genoemde slachtoffer overvielen te Brugge. Volgens verklaring van het slachtoffer zouden bij die overval personen betrokken zijn geweest die zich uitgaven als politieagenten, is hij mishandeld, onder meer door klappen op zijn hoofd met de kolf van een wapen en heeft hij bij de aanvallers een vuurwapen gezien. Na een vechtpartij met de aanvallers is hij weten te ontkomen. De rol van de opgeëiste persoon is in het A-formulier aangemerkt als dader. In het EAB is verder een uitvoerige toelichting gegeven op de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek. Hierin wordt onder andere beschreven dat één van de medeverdachten in contact stond met een volgens het EAB aan de opgeëiste persoon te koppelen snapchat account. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het EAB en het A-formulier waarin de aanduiding ‘dader’ staat aldus de pleegplaats, pleegdatum, de rol van de opgeëiste persoon en de beschrijving van de feiten. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. Voor zover door de verdediging nog is betoogd dat onvoldoende duidelijk is waarop de uitvaardigende justitiële autoriteit de verdenking tegen de opgeëiste persoon baseert, overweegt de rechtbank dat artikel 2 OLW niet de eis stelt dat het EAB de verdenking onderbouwt. Het is vaste rechtspraak dat de overleveringsrechter niet in de beoordeling van de gronden van de verdenking treedt. De rechtbank verwerpt het verweer.

### ¶4

Strafbaarheid — 4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Standpunt van de raadsman De raadsman voert aan dat de aangeleverde stukken met betrekking tot de strafbare feiten innerlijk tegenstrijdig zijn. Hij verwijst naar het A-formulier dat vermeldt dat het om 4 feiten gaat waarvoor de maximumstraf 5 jaar zou zijn en het zou gaan om ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling terwijl de feitomschrijving in het EAB andersluidend is. Die vermeldt ook 4 feiten namelijk: poging tot wederrechtelijke aanhouding in kledij of onder de naam van agenten van het openbaar gezag, opzettelijke mishandeling, voorhanden hebben van vuurwapens en deel uitmaken van een criminele organisatie. Het aangekruiste lijstfeit ‘ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling’ komt hier niet mee overeen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het lijstfeit in redelijkheid is aangekruist. De afzonderlijk omschreven feiten kunnen als een geheel onder dit lijstfeit worden gebracht. Oordeel van de rechtbank De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of de strafbare feiten waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst vallen. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. Op basis van wat de raadsman aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken, mede gelet op de omschrijving van de feiten in het EAB. Van een evident onjuist aangekruist lijstfeit is in dit geval geen sprake. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

### ¶5

De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW — De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De procureur des Konings bij het Parket van de procureur des Konings West-Vlaanderen, afdeling Brugge, heeft op 11 mei 2026 de volgende garantie gegeven: “Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [opgeëiste persoon] . Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909JBZ).” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

### ¶6

Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden — Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. Bij brief van 11 mei 2026 van de Administratief expert voor de Minister bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit in Brussel, is de volgende garantie gegeven: “1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandighedenAls algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” — Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden hiermee voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden).

### ¶7

Artikel 13 OLW — Standpunt van de raadsman De raadsman heeft de vraag opgeworpen of het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd, nu op grond van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) vanuit Nederland informatie met België is gedeeld. Het door de Belgische autoriteiten gezochte telefoonnummer zou volgens de Nederlandse politiediensten aan de opgeëiste persoon zijn gekoppeld. Volgens de raadsman dient Nederlands strafrechtelijk onderzoek naar een Nederlandse verdachte in Nederland te worden uitgevoerd met de daarbij behorende rechtsbescherming, reden waarom de weigeringsgrond van toepassing is. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW niet van toepassing is, omdat het EAB geen enkele aanwijzing bevat dat de feiten in Nederland hebben plaatsgevonden. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat blijkens de omschrijving in onderdeel e) van het EAB de feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt beschuldigd in Assebroek (Brugge), Nieuwpoort en bij samenhang elders in het Rijk, en dus geheel in België zijn gepleegd. De weigeringsgrond van artikel 13 OLW is daarom niet van toepassing. Het verweer van de raadsman slaagt alleen al om die reden niet.

### ¶8

Slotsom — De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

### ¶9

Toepasselijke wetsartikelen — De artikelen 2, 5, 6, 7 OLW.

### ¶10

Beslissing — STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter, mrs. E.M. de Bie en E. van den Brink., rechters, in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger, griffiers. en uitgesproken ter openbare zitting van 25 juni 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/109007 · 2026-07-16
