# Rechtbank Gelderland, 13-07-2026 (AWB - 25_273 e.a.)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Gelderland
- Identifier: ECLI:NL:RBGEL:2026:5509
- Date: 2026-07-13
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBGEL%3A2026%3A5509
- Canonical: https://overview.legal/posts/109016
- Topics: Public Authority, Law Enforcement, Meaningful Human Review and Decision-Making, Identification, Application Scope: Temporal and Territorial Dimensions, Supervisory Authorities, Supervision, Personal Data

## Summary

Terugvordering van bijstand, opleggen van boete en ingangsdatum van de bijstand. De formele rechtskracht van het intrekkings- en beëindigingsbesluit staat niet in de weg aan toetsing van de feitelijke en juridische grondslag van de terugvordering. Het onderzoek is rechtmatig verricht. Het beroep tegen de terugvordering is gegrond wegens een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek, met instandlating van de rechtsgevolgen, omdat eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden en het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De terugvordering en de boete zijn terecht opgelegd. Het ontbreken van de mededeling over het recht op rechtsbijstand voorafgaand aan het verhoor wordt met toepassing van artikel 6:22 Awb gepasseerd. De ingangsdatum van de bijstand is terecht vastgesteld.

## Full text

RECHTBANK GELDERLAND Bestuursrecht zaaknummers: ARN 25/273, ARN 25/4324 en ARN 25/279 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaken tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. T.E. van der Bent), en het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe, het college (gemachtigde: [gemachtigde] ) Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen de besluiten van het college op grond van de Participatiewet (Pw) over de terugvordering van bijstand, de oplegging van een boete en de ingangsdatum van het toegekende recht op bijstand. Eiseres is het niet eens met deze besluiten en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de bestreden besluiten. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond is. Dat besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven geheel in stand. De beroepen tegen de bestreden besluiten 2 en 3 zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 2 mei 2024 (het primaire besluit 1) heeft het college de over de periode van 11 september 2023 tot 29 april 2024 aan eiseres verleende algemene bijstand (voor levensonderhoud) en bijzondere bijstand (bewindvoerderskosten) van haar teruggevorderd. Het totaal terug te vorderen bedrag is vastgesteld op € 7.693,25. 2.1. Met het besluit van 23 juli 2024 (het primaire besluit 2) is aan eiseres met ingang van de meldingsdatum 26 juni 2024 bijstand toegekend. 2.2. Met de brief van 17 februari 2025 heeft het college aan eiseres laten weten dat het voornemens is om een boete op te leggen in verband met schending van de inlichtingenverplichting. Eiseres heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze naar voren te brengen. Met het besluit van 27 maart 2025 (het primaire besluit 3) heeft het college een bestuurlijke boete aan eiseres opgelegd van € 807,24. 2.3. Bij afzonderlijke besluiten van 4 december 2024, 5 december 2024 en 18 augustus 2025 (de bestreden besluiten 1, 2 en 3) heeft het college de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten 1, 2 en 3, ongegrond verklaard. Eiseres heeft afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften. 2.4. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Totstandkoming van de bestreden besluiten 3. Eiseres ontving sinds 30 december 2021 algemene bijstand. Daarnaast staat zij sinds 22 juni 2022 onder bewind. Voor de kosten van de bewindvoering ontving eiseres bijzondere bijstand. 3.1. Op 21 maart 2024 heeft de politie als toezichthouder op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een onvergunde prostitutiecontrole gehouden op het adres van eiseres. Uit het mutatierapport , dat zich in de gedingstukken bevindt, volgt het volgende: “er werd ingebeld op een seksadvertentie op de site “Sexjobs”. Er is door ons gebruik gemaakt van een klanten telefoon met telefoonnummer: [telefoonnummer 1] . De seksadvertentie onder nummer [nummer] was voorzien van de naam [naam] en telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Er werd een afspraak gemaakt voor de duur van 30 minuten tegen betaling van 100 euro. Wij moesten gaan naar bovengenoemd adres. In de woning was 1 persoon aanwezig, zijnde: de bewoonster [eiser] . Zij verklaarde samengevat het onderstaande: -ik doe dit werk vrijwillig en voor mezelf; -ik ben seks-verslaafd; -ik ontvang klanten, doe aan escort en ook car-dates; -ik beheer zelf mijn advertentie en doe de klantencontacten; -ik heb een uitkering, weet niet hoeveel; -ik sta onder bewindvoering en krijg 130 euro weekgeld; -ik doe dit werk om extra geld te verdienen; -ik doe dit werk als mijn zoon niet thuis is; -ik ben niet verslaafd aan enige middelen.” 3.2. De politie heeft voornoemde informatie op 28 maart 2024 met het college gedeeld. Naar aanleiding hiervan heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleende bijstand. Daarbij is dossieronderzoek verricht, waaronder onderzoek op internet en sociale media, hebben waarnemingen plaatsgevonden en zijn de bankafschriften opgevraagd. Daarnaast is er informatie opgevraagd bij de websites “Sexjobs” en “Kinky” met betrekking tot de advertentie van eiseres en heeft er een gesprek met eiseres plaatsgevonden. 3.2.1. Uit de ontvangen bankafschriften is gebleken dat op de beheerrekening geen bijzonderheden zichtbaar zijn. Op de leefgeldrekening was daarentegen te zien dat, naast pintransacties in [woonplaats] , regelmatig is gepind bij tankstations en winkels in plaatsen buiten de gemeente, waaronder: in Wageningen, Breda, Tiel, Ochten, Arnhem, Ede, Holten, Haps, Oss, Wijchen, Renkum, Schaijk. Ook is een aantal keren gepind bij Hotel Tiel. Deze transacties vonden veelvuldig plaats gedurende de avond, nacht of heel vroeg in de ochtend. Het pingedrag gaf het college aanleiding om te vermoeden dat eiseres mogelijk gebruik maakt van een auto. Eiseres had namelijk enkel een snorfiets op haar naam staan, terwijl de locaties van pintransacties op ruime rijafstand waren. Daarom zijn op: maandag 8 april 2024, dinsdag 9 april 2024, woensdag 10 april 2024 en donderdag 11 april 2024 op verschillende tijdstippen kortdurende waarnemingen verricht. Hierna zijn de waarnemingen op vrijdag 12 april 2024, zondag 14 april 2024, maandag 15 april 2024 tot en met vrijdag 19 april 2024 en maandag 22 april 2024 voortgezet. Kort samengevat blijkt uit de waarnemingen dat op de verschillende data en tijdstippen auto’s van het merk Mercedes en Peugeot voor de woning geparkeerd stonden. Uit raadpleging van de BRP en RDW is gebleken dat de betreffende auto’s niet op naam van eiseres, maar op naam van andere mensen staan geregistreerd. Vanaf donderdagavond 11 april 2024 was de auto van het merk Mercedes niet meer in de directe omgeving van de woning waargenomen. 3.2.2. Op 22 april 2024 vond het gesprek met eiseres plaats. Met betrekking tot haar advertentie op de site ‘Sexjobs’ verklaarde eiseres dat zij een vrouw in Nijmegen leerde kennen, die haar vertelde dat zij weleens afspraken met mannen had en omdat zij geen rijbewijs had, heeft zij eiseres gevraagd om haar af en toe te brengen. Later ontdekte eiseres dat deze afspraken via ‘Sexjobs’ tot stand kwamen en dat die vrouw daarvoor betaald werd. Vervolgens zijn zij op het idee gekomen om ook voor eiseres een account aan te maken op de website. Het was de bedoeling dat mannen via het profiel van eiseres contact zouden leggen, waarna de vrouw naar die afspraken zou gaan. Eiseres verklaarde verder dat zij via dit profiel zelf in contact is gekomen met een man met wie zij enkele malen heeft afgesproken. Volgens eiseres heeft slechts de tweede afspraak met deze man geleid tot een sekscontact buiten en hij heeft haar toen betaald. Met betrekking tot de afspraak met de politie, verklaarde eiseres dat zij eigenlijk al vermoedde dat het de politie was, omdat hij bepaalde vragen stelde die een klant volgens haar niet zou stellen. Zij heeft er daarom voor gekozen de politie naar haar woning te laten komen, zodat zij haar verhaal kan uitleggen. Eiseres ontkende dat zij afspraken met meerdere mannen heeft gehad en verklaarde dat zij geen mannen bij haar woning ontvangt, omdat zij niet weet wie er voor de deur staat en vanwege haar zoontje. Eiseres heeft verklaard dat zij in totaal tweemaal seksuele contacten heeft gehad en daarmee een bedrag van € 260 heeft verdiend. Op de advertentie stond haar lichaam afgebeeld, maar niet haar gezicht. De advertentie is samen met de eerder genoemde vrouw geplaatst. Daarbij zijn wel de persoonsgegevens van eiseres gebruikt en het account is met haar identiteitsbewijs geverifieerd. Verder heeft eiseres verklaard dat zij sinds het plaatsen van de advertentie geen deugdelijke en sluitende administratie heeft bijgehouden van afspraken, werkzaamheden, inkomsten en uitgaven en dat zij haar inkomsten, namelijk het in totaal ontvangen bedrag van € 260, niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken kan onderbouwen. Zij ontving de bedragen contant. Daarnaast heeft eiseres verklaard dat zij de advertentie heeft verwijderd nadat de politie bij haar was geweest en daarna niet meer heeft geadverteerd. Met betrekking tot de pintransacties heeft eiseres verklaard dat zij pint wanneer zij het geld nodig heeft, onder meer voor sigaretten en voor de auto die zij toen had. Ten aanzien van de waargenomen voertuigen, verklaarde eiseres dat de eigenaar van Mercedes enige tijd bij haar verbleef en dat Peugeot aan een kennis van haar toebehoort, van wie zij de auto weleens leende. 3.2.3. Op 12 april 2024 zijn bij ‘Sexjobs’ gegevens gevorderd met betrekking tot eiseres en de geplaatste advertentie. Uit de op 24 april 2024 ontvangen gegevens blijkt dat de account van eiseres op 11 september 2023 is aangemaakt en ten tijde van het verstrekken van de gegevens nog actief was. In de periode vanaf 11 september 2023 tot en met 18 februari 2024 is meer dan 50 keer betaald om de advertentie van eiseres omhoog te laten plaatsen op de website. Verder blijkt dat op 21 maart 2024, datum politiecontrole, twee advertentienummers zijn verwijderd en dat vervolgens op 1 april 2024 weer een nieuwe advertentie is geplaatst. Het laatst aan dit account gekoppelde mobiele telefoonnummer is [telefoonnummer 3] . Dit nummer is bij het interventieteam van het college bekend als contactnummer van eiseres. Bij het zoeken naar de actieve advertentie op 24 april 2024 is gebleken dat deze niet actief was. Op 25 april 2024 is een actieve advertentie van eiseres op ‘Sexjobs’ aangetroffen op internet. 3.3. Met het besluit van 11 april 2024 heeft het college het recht op bijstand van eiseres met ingang van diezelfde datum opgeschort, omdat zij niet is verschenen op een afspraak en zij zich niet tijdig heeft afgemeld. Bij besluit van 29 april 2024 is het recht op bijstand van eiseres met ingang van 29 april 2024 beëindigd en het recht op (algemene en bijzondere) bijstand over de periode van 11 september 2023 tot aan de datum beëindiging ingetrokken. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand vanaf 11 september 2023 niet kan worden vastgesteld, omdat eiseres geen mededeling heeft gedaan van het feit dat zij vanaf die datum diensten aanbiedt. Zij heeft geen administratie bijgehouden van de door haar verrichte diensten en de daaruit ontvangen inkomsten. Daarmee heeft eiseres volgens het college niet voldaan aan haar inlichtingenverplichting. Met betrekking tot bijzondere bijstand, heeft het college overwogen dat het recht op bijzondere bijstand voor bewindvoerderskosten (en bankkosten 2024) met ingang van 11 september 2023 worden ingetrokken en per 29 april 2024 wordt beëindigd. Het bezwaar van eiseres tegen dit besluit is onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie (commissie) ongegrond verklaard. Omdat tegen dit besluit geen beroep is ingesteld, staat het in rechte vast. 3.4. Met het primaire besluit 1 heeft het college de over de periode vanaf 11 september 2023 aan eiseres verleende algemene bijstand (voor levensonderhoud) en bijzondere bijstand (bewindvoerderskosten) van haar teruggevorderd. Het totale terug te vorderen bedrag is vastgesteld op € 7.693,25. Met het bestreden besluit 1, heeft het college onder verwijzing naar het advies van de commissie, het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard. Daarbij is tot uitgangspunt genomen dat het intrekkings- en beëindigingsbesluit van 29 april 2024 in rechte vaststaat. De door eiseres aangevoerde gronden tegen de terugvordering, zijn feitelijk gericht tegen het intrekkingsbesluit en zijn reeds in de bezwaarprocedure tegen dat besluit behandeld, zodat deze in de onderhavige procedure niet opnieuw aan de orde kunnen komen. Met betrekking tot de hoogte van de terugvordering is overwogen dat de inkomensvrijlating en het giftenbeleid niet van toepassing zijn, nu de terugvordering het gevolg is van de intrekking van het recht op bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting. Ook is overwogen dat geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel, nu de bevoegdheid tot intrekking en terugvordering voortvloeit uit dwingendrechtelijke bepalingen. Wel had het college volgens de commissie moeten beoordelen of sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien, maar daarvan is de commissie niet gebleken. 4. Eiseres heeft zich op 30 april 2024 gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Pw en heeft op 13 mei 2024 een aanvraag ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft er op 16 mei 2024 een intakegesprek plaatsgevonden . Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De reden daartoe is dat eiseres geen deugdelijke, objectieve en verifieerbare administratie van haar zelfstandige werkzaamheden over de periode van 11 september 2023 tot 30 april 2024 heeft overgelegd. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of eiseres verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het bezwaar van eiseres is, onder verwijzing naar het advies van de commissie, ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de aanvraag van eiseres terecht is afgewezen, omdat zij onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over haar inkomsten in de periode voorafgaand aan de aanvraag. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Desgevraagd heeft eiseres slechts een summiere, zelf opgestelde opgave overgelegd en een bewijsstuk, waaruit blijkt dat haar account bij ‘Sexjobs.nl’ vanaf 30 april 2024 is verwijderd. Hierdoor kan volgens het college echter niet worden vastgesteld of eiseres verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden. Verder heeft het college overwogen dat voor toepassing van het evenredigheidsbeginsel geen ruimte bestaat, omdat het om een dwingendrechtelijke bepaling gaat, die in beginsel geen ruimte laat voor een belangenafweging. Tegen het afwijzingsbesluit is geen bezwaar gemaakt. 4.1. Eiseres heeft zich op 26 juni 2026 opnieuw gemeld voor een bijstandsaanvraag. Op 2 juli 2024 heeft eiseres bijstand aangevraagd. Met het primaire besluit 2 is aan haar met ingang van de meldingsdatum, te weten 26 juni 2024, bijstand toegekend. Met het bestreden besluit 2, heeft het college het bezwaar van eiseres, onder verwijzing naar het advies van de commissie ongegrond verklaard en besloten dat geen aanleiding bestaat om het recht op bijstand met ingang van een eerdere datum toe te kennen. Daartoe heeft het college overwogen dat eiseres voldoende inzicht heeft verschaft in haar financiële situatie in de periode voorafgaand aan de aanvraag, zodat het recht op bijstand per 26 juni 2024 kan worden vastgesteld. Daarbij is van belang dat de account van eiseres bij ‘Sexjobs.nl’ per 30 april 2024 is verwijderd en dat hoewel strikt genomen mogelijk pas op een latere datum recht op bijstand zou bestaan, uit coulance is aangesloten bij de meldingsdatum als ingangsdatum. Met betrekking tot de bezwaargronden van eiseres ten aanzien van eerdere besluiten, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat deze in de onderhavige procedure niet aan de orde kunnen komen, omdat deze bezwaren in andere procedures worden behandeld. Tot slot heeft het college overwogen dat voor toepassing van het evenredigheidsbeginsel geen ruimte bestaat, nu sprake is van dwingendrechtelijke bepalingen. Daarvan kan worden afgeweken, als er sprake is van omstandigheden waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden. Van dergelijke omstandigheden is het college niet gebleken. Eiseres heeft deze ook niet verder onderbouwd, aldus het college. 5. Op 17 februari 2025 heeft het college eiseres per e-mail bericht voornemens te zijn om haar een boete op te leggen wegens schending van de inlichtingenverplichting en haar in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven. Daarbij is eiseres tevens gewezen op haar recht om geen antwoord te geven op de gestelde vragen. Het college heeft op 20 februari 2025 een schriftelijke reactie op het voornemen gekregen. 5.1. Met het primaire besluit 3 heeft het college aan eiseres een boete opgelegd van € 807,24 wegens schending van de inlichtingenverplichting. Daaraan is ten grondslag gelegd dat uit onderzoek is gebleken dat eiseres over de periode van 11 september 2023 tot en met 31 maart 2024 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en dit niet aan het college heeft gemeld. Daarnaast heeft eiseres geen administratie bijgehouden van haar werkzaamheden en de daaruit ontvangen inkomsten. Als gevolg hiervan kon het recht op bijstand over die periode niet worden vastgesteld. Het college is uitgegaan van de normale verwijtbaarheid, omdat geen sprake is van verzwarende of verzachtende omstandigheden. Bij de vaststelling van de boete is rekening gehouden met de (fictieve) draagkracht van eiseres. Met het bestreden besluit 3, heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de commissie, het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en zich op het standpunt gesteld dat de boete terecht is opgelegd. Daartoe heeft het college overwogen dat vaststaat dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het college daarom gehouden was om een boete op te leggen. Volgens het college is er geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. Het college wijst erop dat op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) voor het verrichten van sekswerk een vergunning is vereist en dat toezicht mag worden gehouden op de naleving van deze regels. Naar aanleiding van de advertentie van eiseres, waarin sekswerk werd aangeboden, heeft de politie onderzocht of aan de geldende regelgeving werd voldaan. Daarbij is volgens het college rechtmatig gehandeld. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin, omdat het om een dwingendrechtelijke bepaling gaat. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat de invordering leidt tot een inkomen onder de 95% van de geldende bijstandsnorm, heeft het college overwogen dat daarvan geen sprake is, nu bij de verrekening geen vakantietoeslag (meer) wordt gereserveerd. Beoordeling door de rechtbank 6. De rechtbank beoordeelt de terugvordering, de opgelegde boete en de ingangsdatum van het recht op bijstand. De rechtbank zal deze onderwerpen hierna afzonderlijk bespreken en beoordelen. Gelet op de inhoudelijke samenhang tussen de terugvordering en de boete, zal de rechtbank eerst ingaan op de terugvordering en vervolgens op de boete. Daarna zal de rechtbank de ingangsdatum van het recht op bijstand bespreken. De terugvordering (ARN 25/273) 7. Alvorens tot de inhoudelijke beoordeling over te gaan, stelt de rechtbank vast dat het onder 3.3 genoemde intrekkings- en beëindigingsbesluit van 29 april 2024 formele rechtskracht heeft verkregen. Dit laat onverlet dat volgens vaste rechtspraak de formele rechtskracht van een besluit uitsluitend ziet op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen en niet mede op oordelen van feitelijke en juridische aard die daaraan ten grondslag hebben gelegen. De rechtsgevolgen van dat besluit, namelijk de intrekking en beëindiging van het recht op bijstand, staan daarmee in rechte vast. De daaraan ten grondslag liggende feitelijke en juridische oordelen - waaronder de vraag of eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden - kunnen in deze procedure nog wel worden getoetst. 7.1. De rechtbank stelt vast dat het college, afgegaan op het advies van de commissie, de bezwaargronden van eiseres gericht tegen de feitelijke en juridische oordelen in het primaire besluit 1 ten onrechte niet heeft beoordeeld en slechts heeft verwezen naar het in rechte vaststaande besluit op bezwaar van 14 augustus 2024. Zoals hiervoor overwogen is dat dus ten onrechte. Dit maakt dat het bestreden besluit 1 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en een toereikende motivering ontbeert. Het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit 1 zal dan ook wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb gegrond worden verklaard en het bestreden besluit 1 zal worden vernietigd. De rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 in stand te laten en overweegt daartoe als volgt. 8. De te beoordelen periode loopt vanaf 11 september 2023 tot en met 31 maart 2024. Rechtmatigheid van het onderzoek 8.1. Eiseres stelt zich op het standpunt dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, omdat het onderzoek door de politie en alle daarop voortbordurende onderzoeken als onrechtmatig moeten worden bestempeld en het op basis daarvan verkregen bewijs niet mee kan tellen voor de onderhavige terugvordering. Het onderzoek door de politie maakt namelijk een ongeoorloofde inbreuk op het recht op privéleven. Gezien de wijziging van het seksueel strafrecht in juni 2022, was er geen enkele basis om op deze grond onderzoek te houden. Voor zover het college stelt dat het college vrij staat spontaan onderzoek te doen, merkt eiseres op dat het onderzoek niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het college heeft niet opgeschaald in het treffen van onderzoeksmethoden richting eiseres. Zo is er sprake geweest van observaties die niet aan eiseres zijn gemeld, hebben diverse verhoorgesprekken plaatsgevonden en is gebruik gemaakt van onrechtmatig verkregen bewijs. Dit bewijs kan dan ook niet als basis dienen voor de terugvordering. Daar komt nog bij dat eiseres voorafgaand aan de verhoren ten onrechte niet is gewezen op haar recht op rechtsbijstand door een advocaat. Volgens eiseres had zij, gelet op de aard van de procedure en de mogelijke gevolgen, op dit recht moeten worden gewezen, te meer nu de bevindingen uit het onderzoek in de andere procedure ook hebben geleid tot de oplegging van een boete. 8.2. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat de politie onrechtmatig heeft gehandeld, volgt de rechtbank haar daarin niet. Uit het mutatierapport blijkt, dat de politie naar aanleiding van de door eiseres geplaatste advertentie op ‘Sexjobs.nl’ contact met haar heeft opgenomen, waarbij een afspraak bij eiseres thuis is gemaakt en een prijs en tijdsduur zijn afgesproken. In dat kader heeft de politie de woning van eiseres betreden. Dat daarbij onrechtmatig is gehandeld, is het de rechtbank niet gebleken. Voor zover eiseres stelt dat het onderzoek in strijd is met de eerbiediging van privéleven, overweegt de rechtbank dat het feit dat prostitutie onder voorwaarden is toegestaan, niet wegneemt dat op de naleving van de daarvoor geldende regels, waaronder de – onbestreden – vergunningsplicht op grond van de APV toezicht mag worden gehouden. 8.2.1. Het betoog van eiseres dat het onderzoek naar haar recht op bijstand niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, wordt evenmin gevolgd. Daarbij is van belang dat het onderzoek is ingesteld, naar aanleiding van de concrete, door de politie gemelde informatie met betrekking tot (het vermoeden van) niet gemelde op geld waardeerbare activiteiten. Voor zover eiseres aanvoert dat de verrichte onderzoeksactiviteiten, waaronder verrichte observaties onrechtmatig zijn, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de opgevraagde bankafschriften bleek dat eiseres in de avond- en nacht buiten haar woonplaats pintransacties uitvoerde en zij kennelijk gebruik kon maken van een voertuig, terwijl op haar naam geen voertuig geregistreerd stond. Gelet hierop had het college voldoende aanwijzingen om waarnemingen te verrichten. Vaststaat dat dergelijke waarnemingen een inbreuk kunnen maken op het recht op eerbiediging van het privéleven. De vraag is echter of de inbreuk een gerechtvaardigde inmenging in haar privéleven was. Het is vaste rechtspraak dat een bijstandsverlenende instantie bij de uitvoering van een onderzoek naar het recht op bijstand van een betrokkene waarnemingen mag verrichten, voor zover dat in de gegeven situatie en gelet op de bekende feiten en omstandigheden noodzakelijk is en deze waarnemingen niet een min of meer compleet beeld geven van een bepaald aspect van het persoonlijk leven van de betrokkene. De waarnemingen die in dit geval zijn gedaan, geven niet een dergelijk min of meer compleet beeld van een bepaald aspect van het persoonlijk leven van eiseres. Het gaat om korte momentopnames, slechts twaalf waarnemingen in een relatief korte periode van in totaal vijftien dagen (8 april 2024 tot en met 22 april 2024) en de waarnemingen zijn uitgevoerd in de openbare ruimte. Bovendien is voor een deugdelijk onderzoek van belang dat op meerdere momenten (verschillende dagen en tijdstippen) wordt waargenomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aard en de inzet van de waarnemingen een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van eiseres vormden en dat voldaan is aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. De algemene onderzoeksbevoegdheid van artikel 53a van Pw biedt hiervoor een toereikende wettelijke grondslag in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. 8.2.2. De rechtbank is verder niet gebleken dat het college met het voeren van gesprekken een onaanvaardbare inbreuk op het privéleven van eiseres heeft gemaakt. Het uitnodigen van eiseres voor een gesprek en het stellen van vragen die van belang zijn voor haar recht op bijstand, vormen gebruikelijke onderzoekshandelingen. Dat eiseres daarbij niet is gewezen op de mogelijkheid van rechtsbijstand, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien van een situatie waarin sprake was van een strafrechtelijke vervolging op dat moment geen sprake was. Schending van de inlichtingenverplichting 9. Nu geen aanleiding bestaat om het door de politie en het college verrichte onderzoeken als ook de daaruit verkregen bewijzen onrechtmatig te achten, moet worden beoordeeld of eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Uit het handhavingsrapport van 26 april 2024, volgt dat eiseres op 11 september 2023 een account heeft aangemaakt op de website ‘Sexjobs’, waarop zij haar diensten aanbood. Dit account was ten tijde van het onderzoek (op 24 april 2024) nog steeds actief. Voorts blijkt uit het rapport dat er foto’s van het gezicht van eiseres gebruikt zijn ter identificatie/verificatie en dat het aan de laatste advertentie gekoppelde telefoonnummer aan eiseres toebehoort. In dit verband merkt de rechtbank op dat de politie naar aanleiding van deze advertentie als klant contact met eiseres heeft opgenomen en met haar een afspraak heeft gemaakt voor haar diensten die zij via de website aanbood. Bovendien heeft eiseres ook zelf aan de politie verklaard dat zij het account ergens in augustus/september 2023 heeft aangemaakt, dat zij de advertentie zelf beheert en dat zij thuis klanten ontvangt en aan escort en car-dates doet. Daarnaast volgt uit de stukken dat de advertentie na het onderzoek door politie op 21 maart 2024 is verwijderd en op een later moment op 1 april 2024 opnieuw is geplaatst. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden voldoende aannemelijk maken dat de advertentie aan eiseres toebehoorde, dat zij via deze weg haar diensten aanbood en op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Eiseres had van al haar activiteiten, nu deze onmiskenbaar relevant zijn voor haar recht op bijstand, melding moeten maken bij het college. Door dit na te laten heeft eiseres haar inlichtingenverplichting geschonden. Dat uit de overgelegde bankafschriften niet blijkt dat eiseres inkomsten uit deze werkzaamheden ontving, leidt niet tot een ander oordeel, nu niet kan worden uitgesloten dat de betalingen ook contant kunnen zijn verricht. Sterker nog, eiseres heeft verklaard dat ze contant is betaald. Schattenderwijs vaststellen van het recht op bijstand 10. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat het college ten onrechte heeft nagelaten om het recht op bijstand schattenderwijs vast te stellen. Volgens eiseres biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat zij gedurende de gehele periode structureel op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht. Zij heeft namelijk verklaard dat zij slechts twee keer seksuele diensten heeft verricht, waarvoor zij in totaal € 260 heeft ontvangen en dat uit de overgelegde bankafschriften niet blijkt dat zij andere gelden heeft ontvangen voor sekswerk. Dat gepind wordt op tijdstippen in de avond/nacht en ochtend zegt in dat kader niets, aldus eiseres. Daar komt nog bij dat zij onder bewind staat en het dossier geen melding maakt van een verdenking van een andere geldstroom. Het college heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat eiseres in elke afzonderlijke maand op geld waardeerbare activiteiten heeft verricht en daaruit inkomsten heeft genoten. Het enkel ontbreken van administratie is volgens haar onvoldoende om het recht op bijstand over de gehele periode niet vast te kunnen stellen en de betaalde bijstand terug te vorderen. Artikel 58, eerste lid, van de Pw sluit niet uit, dat bij de terugvordering rekening wordt gehouden met een aanvullend recht op bijstand, gelet op het reparatoire karakter daarvan. Gelet op vaste rechtspraak, is het college in een dergelijk geval gehouden om het recht op bijstand schattenderwijs vast te stellen op basis van de beschikbare gegevens, aldus eiseres. Ook heeft het college volgens eiseres ten onrechte geen rekening gehouden het giftenbeleid en de inkomstenvrijlating. 10.1. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat het recht op bijstand schattenderwijs had kunnen worden vastgesteld. Schending van de inlichtingenverplichting vormt een rechtsgrond voor intrekking van het recht op bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, eiseres verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden. Het is dan ook aan eiseres om feiten te stellen en zo nodig te bewijzen dat, indien zij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan in de periode in geding, recht op bijstand zou bestaan. Uit vaste rechtspraak blijkt dat indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene achteraf gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, het bijstandsverlenend orgaan, indien mogelijk, gehouden is schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten en omstandigheden, waarbij het eventuele nadeel voor betrokkene, voortvloeiende uit de resterende onzekerheden, wegens de schending van de inlichtingenverplichting voor diens rekening gelaten mag worden. 10.2. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt wat de aard en omvang van haar activiteiten en de daaruit voortvloeiende (te bedingen) inkomsten zijn geweest. Dat eiseres stelt dat er sprake is geweest van een tweetal afspraken waarmee zij in totaal € 260 zou hebben verdiend is daartoe onvoldoende. Daarbij weegt mee dat de advertentie van eiseres gedurende lange tijd actief was en dat er meer dan 50 keer is betaald om de advertentie omhoog te laten plaatsen op de website. Bovendien heeft eiseres zelf ten overstaan van de politie verklaard dat zij klanten ontvangt, aan escort en car-dates doet en dat zij zelf haar advertentie beheert en klantencontacten doet. Dit zijn allemaal op geld waardeerbare activiteiten. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat eiseres slechts twee afspraken heeft gehad waarmee ze € 260 heeft verdiend. Nu eiseres geen volledige en controleerbare administratie of boekhouding heeft overgelegd en de betalingen, zoals zij zelf heeft verklaard, contant hebben plaatsgevonden, heeft zij geen inzicht verfschaft in de daadwerkelijke omvang van haar activiteiten. Dat uit de bankafschriften geen inkomsten uit de activiteiten blijken en de omstandigheid dat eiseres onder bewind stond en geen andere geldstromen zijn vastgesteld, betekent niet dat dergelijke inkomsten niet zijn ontvangen. Daarmee heeft eiseres immers nog geen compleet beeld gegeven van de volledige omvang van haar activiteiten en van de daarmee verworven of redelijkerwijs te verwerven inkomsten. Ook de op de bankafschriften zichtbare pintransacties op uiteenlopende tijdstippen, waaronder ook ’s nachts, en locaties bieden geen steun voor de door eiseres gestelde beperkte omvang van haar activiteiten. Ook anderszins heeft zij geen geloofwaardige verklaring afgelegd voor deze pintransacties. Dit betekent dat er onvoldoende gegevens waren voor het college om in staat te zijn om, al dan niet schattenderwijs, achteraf vast te stellen of en, zo ja, in hoeverre eiseres over de beoordelingsperiode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij, als zij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over deze periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. Door het ontbreken van een deugdelijke en verifieerbare administratie bestond voor het college onvoldoende inzicht om de aard, omvang en frequentie van haar activiteiten en de daaruit genoten inkomsten vast te kunnen stellen. Dit komt voor rekening en risico van eiseres. De stelling van eiseres dat rekening had moeten worden gehouden met een inkomstenvrijlating leidt niet tot een ander oordeel. Nu eiseres geen inzicht heeft verschaft in de aard, omvang en opbrengsten van haar activiteiten, kunnen de daaruit genoten inkomsten niet worden vastgesteld. Reeds daarom kan niet worden beoordeeld of en in hoeverre een inkomstenvrijlating van toepassing zou zijn. Evenmin volgt de rechtbank eiseres in haar beroep op het giftenbeleid. De ontvangen bedragen kunnen niet als giften worden aangemerkt, nu deze verband hielden met de door eiseres verrichte activiteiten en daar dus een tegenprestatie tegenover stond. Deze beroepsgrond slaagt niet. 10.3. Eiseres heeft verder geen gronden aangevoerd tegen de hoogte en de berekening van de terugvordering, zodat de rechtbank daarover geen oordeel hoeft te geven. Dringende redenen en het evenredigheidsbeginsel 11. Eiseres voert, onder verwijzing naar vaste rechtspraak aan, dat sprake is van dringende redenen, op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van de terugvordering had moeten worden afgezien. Daarnaast stelt zij dat de terugvordering voor haar onevenredige gevolgen heeft. 11.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft geen concrete omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat de terugvordering voor haar tot onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen leidt of dat sprake is van overige bijzondere omstandigheden die maken dat het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Het enkele beroep op rechtspraak, zonder nadere onderbouwing, is daarvoor onvoldoende. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. Artikel 58, eerste lid, van de Pw betreft een dwingendrechtelijke bepaling, zodat het college in beginsel gehouden is tot terugvordering. De beoordeling of de gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn, vindt in dit kader plaats via het criterium van dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Pw. Nu eiseres haar standpunt dat sprake is van onevenredige gevolgen niet heeft geconcretiseerd en evenmin omstandigheden heeft aangevoerd die als dringende redenen kunnen worden aangemerkt, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Conclusie 12. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres haar inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat het recht op bijstand over de periode van 11 september 2023 tot 29 april 2024 als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld. Het college was daarom gehouden om de bijstand terug te vorderen. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen dan wel van strijd met het evenredigheidsbeginsel of andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Boete (ARN 25/4324) 13. De rechtbank merkt op dat de door eiseres tegen de boete aangevoerde gronden in belangrijke mate overeenkomen met de gronden die zij heeft aangevoerd tegen de terugvordering. Voor zover deze gronden zien op de rechtmatigheid van het onderzoek, de gestelde schending van de inlichtingenverplichting, het niet schattenderwijs vaststellen van het recht op bijstand verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen. Deze beroepsgronden slagen dus niet. 13.1. De rechtbank zal hierna nog afzonderlijk ingaan op de beroepsgronden van eiseres dat zij ten onrechte niet is gewezen op haar recht op rechtsbijstand, dat het boetebesluit onvoldoende indringend is getoetst aan het evenredigheidsbeginsel en dat de hoogte van de boete onjuist is vastgesteld, omdat wordt uitgegaan van een onjuist benadelingsbedrag. Met betrekking tot de hoogte van de boete, overweegt de rechtbank, onder verwijzing naar rechtsoverweging 10.3 dat nu geen aanleiding bestaat om aan de juistheid van het teruggevorderde bedrag te twijfelen, evenmin aanleiding bestaat om aan te nemen dat het benadelingsbedrag onjuist is vastgesteld. 13.2. Het college stelt terecht dat zij in geval van schending van de inlichtingenverplichting op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Pw gehouden is een boete op te leggen van maximaal 100% van het benadelingsbedrag van € 7.693,25. Gelet op de mate van verwijtbaarheid heeft het college de boete terecht vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. Bij het vaststellen van de uiteindelijk op te leggen boete heeft het college vervolgens rekening gehouden met de draagkracht van eiseres. Om die reden is de boete vastgesteld op het bedrag gelijk aan twaalf maal 5% van de toepasselijke bijstandsnorm, te weten € 807,24. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college bij het opleggen van de boete in voldoende mate rekening gehouden met de ernst van de overtreding, verwijtbaarheid van eiseres, haar persoonlijke en financiële omstandigheden en daarmee in voldoende mate de evenredigheid getoetst. 13.3. Voor zover eiseres aanvoert dat zij ten onrechte niet is gewezen op haar recht op rechtsbijstand en in dat verband verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over het begrip ‘criminal charge’, overweegt de rechtbank als volgt. In die uitspraak heeft de Afdeling, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad , overwogen dat een betrokkene voorafgaand aan het eerste verhoor met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete, dient te worden gewezen op zijn recht zich door een raadsman te laten bijstaan. De Afdeling heeft daarbij aansluiting gezocht bij het moment waarop de cautie als bedoeld in artikel 5:10a van de Awb, moet worden gegeven. In het geval van eiseres vond het gesprek plaats in het kader van het onderzoek naar haar recht op bijstand. Dus voor het eerst, pas nadat dit onderzoek was afgerond en het college eiseres bij brief van 17 februari 2025 op de hoogte had gesteld van zijn voornemen haar een bestuurlijke boete op te leggen, was sprake van ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van het EVRM. Bij deze brief was een reactieformulier gevoegd, waarin eiseres onder meer de mogelijkheid werd geboden een schriftelijke verklaring af te leggen en waarin tevens was vermeld dat zij niet verplicht was om de gestelde vragen te beantwoorden. Eiseres is echter niet gewezen op haar recht zich door een gemachtigde te laten bijstaan. Gelet op de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling is de rechtbank van oordeel dat het college eiseres daarop wel had moeten wijzen. Het voorgaande brengt mee dat er een gebrek kleeft aan de voorbereiding van het bestreden besluit 2. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres na ontvangst van het boetevoornemen, onder meer in de gelegenheid is gesteld schriftelijk te reageren, van welke gelegenheid zij wel gebruik heeft gemaakt. Daarbij heeft zij echter geen gebruik gemaakt van haar recht de gestelde vragen onbeantwoord te laten. Eiseres is meerderjarig en zij heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die erop duiden dat zij (extra) kwetsbaar is. Voorts heeft zij zich in de bezwaar- en beroepsfase laten bijstaan door een gemachtigde en heeft zij zowel in bezwaar als in beroep haar standpunt over de opgelegde boete volledig naar voren kunnen (laten) brengen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de procedure, in haar geheel bezien, niet in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Eiseres is door het geconstateerde gebrek niet benadeeld, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om het bestreden besluit 2 om die reden onrechtmatig te achten. Conclusie 13.4. Nu geoordeeld is dat de bijstand terecht over de gehele periode van 11 september 2023 tot 29 april 2024 is teruggevorderd, is het benadelingsbedrag juist vastgesteld. Daarmee is ook de hoogte van de boete juist vastgesteld. Het college is terecht uitgegaan van normale verwijtbaarheid van eiseres. De boete van € 807,24 acht de rechtbank evenredig, passend en geboden. Het hiervoor geconstateerde gebrek doet aan dit oordeel niet af, nu dit gebrek met toepassing van artikel 6:22, van de Awb wordt gepasseerd. Ingangsdatum recht op bijstand (ARN 25/279) 14. Eiseres voert ten eerste aan dat het college ten onrechte pas per 30 juni 2024 (lees: 26 juni 2024) bijstand heeft toegekend en niet per eerdere data, te weten: 11 september 2023 dan wel 2 mei 2024 of 13 mei 2024 . Volgens eiseres is dit besluit onvoldoende gemotiveerd en tegenstrijdig, nu het college tegelijkertijd stelt dat eiseres vanaf 30 april 2024, de periode voorafgaand aan de aanvraag, voldoende inzicht heeft verschaft in haar financiële situatie. Eiseres heeft namelijk al eerder verklaard dat zij slechts € 260 heeft ontvangen voor haar werkzaamheden en uit de bankafschriften blijken geen andere inkomsten met betrekking tot sekswerk. Ten tweede voert eiseres aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden die toekenning met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Tot slot doet eiseres beroep op het evenredigheidsbeginsel en stelt dat de weigering om bijstand per eerdere ingangsdatum tot onevenredig nadelige gevolgen leidt. 14.1. Het recht op bijstand kan in beginsel niet eerder ingaan dan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Van dit uitgangspunt kan slechts worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Bij de beoordeling van een aanvraag om bijstand wordt de inkomens- en vermogenssituatie van de aanvrager in de periode van drie maanden voorafgaand aan de melding betrokken. Anders dan eiseres meent, is het de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat het college gehouden was om de bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. Eiseres heeft namelijk geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. Zij heeft niet gesteld noch aannemelijk gemaakt dat zij om wat voor reden dan ook niet in staat was om zich eerder te melden voor bijstand. Sterker nog, eiseres heeft zich eerder gemeld maar die meldingen zijn door het college afgehandeld en daartegen is eiseres niet opgekomen. 14.2. Voor zover eiseres een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel en daarbij aanvoert dat de afwijzing van de aanvraag per een eerdere datum voor haar tot een aanzienlijk financieel nadeel leidt, dat geen belangen van derden zijn betrokken en dat wegens haar beperkte doenvermogen meer gewicht had moeten worden toegekend aan haar persoonlijke omstandigheden, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 44 van de Pw heeft een verplichtend karakter. Daarom is er in beginsel geen ruimte voor toetsing van het daarop gebaseerde besluit aan het evenredigheidsbeginsel. Uit het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet volgt dat de rechter een bepaling van een wet in formele zin, zoals de Pw, niet mag toetsen aan de Grondwet en ook niet aan algemene rechtsbeginselen. Dit brengt mee dat de rechter niet mag oordelen over de belangenafweging die de wetgever heeft verricht of geacht moet worden te hebben verricht bij de totstandkoming van die wettelijke bepaling. Als zich bijzondere omstandigheden voordoen, waarmee de wetgever in zijn afweging geen rekening heeft gehouden, kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval als die bijzondere omstandigheden de toepassing van die bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. In dat wat eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheden die niet of niet volledig in de keuze van de wetgever zijn verdisconteerd. De door eiseres aangevoerde omstandigheden waaronder haar beroep op een beperkt doenvermogen en het ontbreken van belangen van derden, zijn onvoldoende om te oordelen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een eerdere ingangsdatum van het recht op bijstand rechtvaardigen. Bovendien is niet gebleken van een beperkt doenvermogen bij eiseres, omdat zij zich eerder dan 26 juni 2024 wel heeft gemeld voor bijstand. Dat deze meldingen niet hebben geleid tot toekenning van bijstand is hier niet relevant. Dat de afwijzing voor eiseres financiële gevolgen heeft, is helder, maar dat is inherent aan het bepaalde in artikel 44 van de Pw. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet. Conclusie 14.3. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college het recht op bijstand van eiseres terecht per 26 juni 2024 heeft toegekend. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de bijstand met ingang van een eerdere datum had moeten worden verleend. Het beroep tegen bestreden besluit 3 is daarom ongegrond. Conclusie en gevolgen 15. De rechtbank verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond, vernietigt het bestreden besluit 1, maar laat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand. De rechtbank bepaalt dat het college het door eiseres in het zaaknummer ARN 25/273 betaalde griffierrecht vergoedt. 15.1. De rechtbank verklaart de beroepen tegen het bestreden besluit 2 en bestreden besluit 3 ongegrond. Gelet op de in het bestreden besluit 2 geconstateerde en met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerde gebrek, bepaalt de rechtbank dat het college ook het door eiseres in zaaknummer ARN 25/4324 betaalde griffierecht vergoedt. Voorts ziet de rechtbank aanleiding het college te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De zaken met zaaknummers 25/273 en 25/4324 zijn gelijktijdig behandeld, zijn door dezelfde gemachtigde ingediend en de aangevoerde gronden zijn nagenoeg identiek. Daarom is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht en stelt de rechtbank de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934, bij een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond; - vernietigt het bestreden besluit 1; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 in stand blijven; - verklaart de beroepen tegen bestreden besluit 2 en bestreden besluit 3 ongegrond; - bepaalt dat het college aan eiseres het in zaaknummer ARN 25/273 betaalde griffierecht van € 53 en het in zaaknummer ARN 25/4324 betaalde griffierrecht van € 53 vergoedt; - veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Mamedova, griffier. Uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. In dit besluit heeft het college ook besloten om bij wijze van invordering van de schuld met ingang van 1 juni 2024 maandelijks een bedrag van € 64,19 in te houden op de bijstand van eiseres. Hiertegen is eiseres niet opgekomen. Kenmerk: 2024-042389. Zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Mutatierapport van 21 maart 2024, registratienummer: [registratienummer] . Rapportage handhaving van 26 april 2024. Artikels 43 en 54, derde lid van de Pw. Artikel 17, eerste lid, van de Pw. Zie het besluit van 14 augustus 2024, onder kenmerk: 2024-029618. Het besluit van 5 december 2024, onder het kenmerk: 2024-027047. Verwezen wordt naar de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 18 maart 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:1448 en de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 12 september 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1798. Het besluit van 26 juni 2

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/109016 · 2026-07-16
