# Gerechtshof Amsterdam, 14-07-2026 (200.366.050/01 en 200.366.050/02)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:GHAMS:2026:1933
- Date: 2026-07-14
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHAMS%3A2026%3A1933
- Canonical: https://overview.legal/posts/109020
- Topics: Minors, Personal Data, Consent

## Summary

Bekrachtiging bestreden beschikking. Zorgregeling, hoofdverblijfplaats, vervangende toestemming verhuizing en inschrijving op adres moeder. Artikel: 1:253a lid 4 BW jo. 1:377e BW, 1:253a lid 1 BW.

## Sections (5)

### ¶1

De zaak in het kort — 1.1 De zaak gaat over de vraag of de moeder met [minderjarige] (16 jaar) naar [plaats B] mag verhuizen en hem daar mag inschrijven in de basisregistratie persoonsgegevens. Verder gaat de zaak over de zorgregeling. De rechtbank heeft de moeder vervangende toestemming gegeven voor de verhuizing en een zorgregeling bepaald waarin [minderjarige] – kort gezegd – tot en met zijn eindexamen in de weekenden en op één doordeweekse dag bij de moeder is, terwijl hij de overige doordeweekse dagen bij zijn vader is. De rechtbank heeft verder bepaald dat [minderjarige] na zijn eindexamen van de 14 dagen in ieder geval 6 nachten bij iedere ouder is en de overige twee dagen zelf mag bepalen bij welke ouder hij is. 1.2 De vader is het daar niet mee eens. Hij wil dat het hof de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem bepaalt en een zorgregeling vaststelt waarin [minderjarige] doordeweeks bij de vader verblijft en in de weekenden en op één doordeweekse dag bij de moeder verblijft. 1.3 De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking. 2. De procedure in hoger beroep 2.1 De vader is op 9 maart 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 3 februari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). Het beroepschrift bevat tevens een verzoek tot schorsing van de werking van een gedeelte van de bestreden beschikking (zaaknummer 200.366.050/02). 2.2 De moeder heeft op 30 april 2026 een verweerschrift in de hoofdzaak en in het incident ingediend. 2.3 Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen: - een bericht van de zijde van de vader van 12 maart 2026, met bijlagen, - een bericht van de zijde van de moeder van 19 mei 2026, met bijlage. 2.4. Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat hij van de zaak vindt. Daarvan heeft hij gebruik gemaakt en de voorzitter heeft op 28 mei 2026 in het bijzijn van de griffier met [minderjarige] gesproken. Van dat gesprek is een samenvatting naar de partijen gezonden en zij hebben de gelegenheid gehad om hierop te reageren. 2.5 De zitting heeft op 21 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat, - de moeder, en - de raad, vertegenwoordigd door F.L.M. Huizinga. De advocaat van de vader heeft ter zitting een pleitnota overgelegd, die is toegevoegd aan het dossier.

### ¶3

De feiten — 3.1 De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2009 te [plaats C] . Partijen zijn gehuwd [in] 2010 te [plaats A] . Hun huwelijk is op 27 juni 2018 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 13 september 2017 in de registers van de burgerlijke stand. 3.2 Partijen oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit. 3.3 Bij de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 13 september 2017 is de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder bepaald. Bij deze beschikking is ook een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] eenmaal in de twee weken bij de vader zal verblijven van zaterdag 11.00 uur tot zondag 19.00 uur, en gedurende de helft van de vakanties. 3.4 In juni 2018 hebben partijen een ouderschapsplan ondertekend waarin zij onder andere nadere afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling. Door partijen is hier flexibel mee omgegaan, zodat [minderjarige] ongeveer de helft van de tijd bij de moeder en de helft bij de vader verbleef. Omdat [minderjarige] bij de vader geen eigen slaapkamer heeft, sliep hij wel vrijwel altijd bij de moeder. 3.5 In maart 2025, nadat [minderjarige] door de ouders op vapen (van THC) werd betrapt, hebben partijen met elkaar afgesproken dat [minderjarige] voorlopig, op de dagen dat de moeder buitenshuis werkt, na schooltijd bij de vader verblijft en daar ook elke nacht slaapt, zodat de vader toezicht op [minderjarige] kan houden. 3.6 Partijen woonden in [plaats A] op loopafstand van elkaar. De moeder heeft een woning gekocht in [plaats B] en woont daar inmiddels.

### ¶4

De omvang van het hoger beroep — 4.1 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vervangende toestemming aan de moeder verleend om met [minderjarige] te verhuizen naar [plaats B] en om [minderjarige] op dat adres in te schrijven in de basisregistratie personen. Verder heeft de rechtbank de volgende zorgregeling vastgesteld: tot en met zijn eindexamen 2026: verblijft [minderjarige] doordeweeks bij de vader en in de weekenden bij de moeder van vrijdagmiddag tot en met zondagavond, alsmede gedurende één doordeweekse dag met overnachting bij de moeder, op een in onderling overleg tussen partijen en [minderjarige] te bepalen dag; na zijn eindexamen 2026: verblijft [minderjarige] in een cyclus van twee weken steeds in ieder geval zes nachten bij iedere ouder waarbij [minderjarige] ten aanzien van de overige twee nachten zelf mag bepalen bij welke ouder hij is; bij iedere ouder gedurende de helft van de vakanties. 4.2 De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de moeder alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel deze verzoeken af te wijzen. Verder verzoekt de vader het hof de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen en een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] doordeweeks bij de vader verblijft en in de weekenden bij zijn moeder van vrijdagmiddag tot en met zondagavond, alsmede gedurende één doordeweekse dag met overnachting bij de moeder, op een in onderling overleg tussen partijen en [minderjarige] te bepalen dag. 4.3 De moeder verzoekt het hof de verzoeken van de vader af te wijzen.

### ¶5

De motivering van de beslissing — De hoofdzaak Het wettelijk kader 5.1 Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten: a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken; b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft; 5.2 Uit artikel 1:253a, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De rechter dient in geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Conform vaste rechtspraak dient de rechter bij de beslissing over een geschil als het onderhavige niet alleen het belang van het kind, maar alle omstandigheden van het geval in ogenschouw te nemen en alle belangen af te wegen. De standpunten 5.3 De vader vindt dat de rechtbank ten onrechte vervangende toestemming heeft verleend voor de verhuizing van de moeder met [minderjarige] naar [plaats B] en de inschrijving van [minderjarige] op haar adres daar. De vader betwist de noodzaak om met [minderjarige] te verhuizen omdat [minderjarige] het grootste deel van de tijd bij de vader verblijft en zijn (sociale) leven zich in [plaats A] afspeelt. Een verhuizing van [minderjarige] en inschrijving daar sluit niet aan bij de feitelijke situatie. Door vervangende toestemming te verlenen zonder toetsing van de relevante omstandigheden, heeft de rechtbank gehandeld zonder een belangenafweging die volgt uit de vaste rechtspraak bij zaken op grond van artikel 1:253a BW. Aan de in de rechtspraak geformuleerde criteria voor vervangende toestemming is niet voldaan. De vader stemt niet in met de verhuizing van [minderjarige] naar [plaats B] . De moeder mag naar [plaats B] verhuizen en [minderjarige] kan een deel van de tijd bij haar verblijven, maar zijn leven is en blijft in [plaats A] . Verder is de vader het niet eens met de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling waarbij is bepaald dat na het eindexamen van [minderjarige] de zorg nagenoeg gelijk verdeeld is tussen de ouders. [minderjarige] is bij de vader gaan wonen, omdat er zorgen waren over hem. De vader kan [minderjarige] structuur bieden en dat is ook van belang na zijn eindexamen als hij aan een vervolgopleiding begint. Het risico op terugval in vapegebruik is nog altijd aanwezig. De moeder heeft [minderjarige] in het verleden onvoldoende toezicht kunnen bieden en niet is aangetoond dat zij in de toekomst dezelfde kaders en structuur als de vader kan bieden. De vader staat bovenaan de wachtlijst voor het vinden van een woning met drie slaapkamers, zodat [minderjarige] straks bij hem ook zijn eigen slaapkamer heeft. De zorgregeling verloopt nu goed en zorgt voor rust en structuur. Deze mag alleen worden gewijzigd als daar zwaarwegende omstandigheden voor zijn. Ook wil de vader dat [minderjarige] formeel zijn hoofdverblijfplaats bij hem heeft. De dagelijkse verzorging en opvoeding ligt al geruime tijd bij de vader. [minderjarige] verblijft doordeweeks met overnachtingen bij de vader en is af en toe in het weekend bij de moeder. Zijn hoofdverblijf is feitelijk bij de vader en de rechtbank had de juridische situatie rondom de hoofdverblijfplaats in overeenstemming moeten brengen met de feitelijke situatie. 5.4 De moeder is het eens met de bestreden beschikking en voert gemotiveerd verweer. De moeder heeft het recht naar [plaats B] te verhuizen. Zij heeft, nadat zij altijd heeft gehuurd, de kans gekregen om een huis te kopen en kan op die manier ook vermogen opbouwen voor [minderjarige] in de toekomst. De verhuizing naar [plaats B] is ook fijn voor [minderjarige] . Hij heeft in het huis in [plaats B] een eigen kamer en de afstand naar [plaats A] is klein. De zorgregeling is tijdelijk in overleg gewijzigd vanwege de zorgen over [minderjarige] en nu weigert de vader de oude regeling weer doorgang te laten vinden. De moeder wil dat de zorg voor [minderjarige] gelijk wordt verdeeld. De moeder is erg betrokken bij [minderjarige] . Zij helpt hem met school en met praktische dingen. De moeder betwist dat zij geen toezicht kan houden. Zij is een betrokken ouder die [minderjarige] kan bieden wat hij nodig heeft. De moeder heeft nooit ingestemd met het oneindig voort laten duren van de tijdelijk aangepaste regeling. De vader wil teveel controle houden. De vader blijft teveel vasthouden aan de mogelijkheid van een terugval. Ook luistert de vader niet goed naar de wens en het belang van [minderjarige] . [minderjarige] heeft zelf ook aangegeven dat hij keuzevrijheid wil ten aanzien van de zorgregeling en dat hij evenveel tijd met beide ouders wil doorbrengen. De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is altijd bij de moeder geweest en er is nu ook geen reden om dit te veranderen. Door het hoofdverblijf bij haar te houden kan zij zaken oppakken, zoals de post. De vader is hiertoe gezien zijn moeite met de Nederlandse taal, niet in staat. De moeder betaalt verder ook alle kosten voor [minderjarige] . Zij kan aanspraak maken op het kindgebonden budget, zodat zij hem kan geven wat nodig is. Het advies van de raad 5.5 De raad adviseert het hof een zorgregeling vast te stellen, zodat er duidelijkheid komt. Allereerst benadrukt de raad dat de ouders er heel goed in zijn geslaagd om tot nu toe de opvoeding van en de zorg voor [minderjarige] samen vorm te geven. Daarom is het jammer dat er nu over [minderjarige] wordt geprocedeerd. Het advies aan de ouders is om hiermee te stoppen. De rechtszaken die nu worden gevoerd, hebben niets te maken met het belang van [minderjarige] . Op het moment dat [minderjarige] moet bepalen waar hij ingeschreven wil staan, wordt hij belast met een loyaliteitsconflict. Feitelijk maakt het niet uit waar hij staat ingeschreven. Ten aanzien van de zorgregeling geeft [minderjarige] aan dat hij bij beide ouders wil zijn. Vaak is het zo dat wanneer kinderen op deze leeftijd aangeven precies evenveel tijd bij beide ouders te willen doorbrengen, zij zichzelf ondergeschikt maken aan de wensen van hun ouders. De verdeling hoeft niet per se gelijk te zijn. Het is belangrijk dat [minderjarige] zelf kan beslissen. Het is zijn leven, niet dat van de ouders. Hij moet de vrijheid hebben om te kunnen bewegen. [minderjarige] moet zichzelf kunnen ontwikkelen en autonomie hebben. De ouders moeten hier een ondersteunende rol in hebben. Hij is bijna volwassen. Het is begrijpelijk dat de vader zich zorgen maakt over het vapegedrag van [minderjarige] maar thuistesten worden ten zeerste afgeraden. De controle is niet helpend en zorgt voor schijnveiligheid. De raad adviseert de ouders in gesprek te gaan met [minderjarige] en met hem te praten over de gevolgen van vapen. Daarbij merkt de raad op dat experimenteren wel hoort bij zijn leeftijd. De beoordeling door het hof 5.6 Het hof onderschrijft de motivering en beslissingen van de rechtbank en maakt deze, na eigen beoordeling van de zaak, tot de zijne. Ter aanvulling op de bestreden beschikking overweegt het hof als volgt. De zorgregeling 5.7 De rechtbank heeft gemotiveerd uiteengezet waarom de vastgestelde zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is. Het hof sluit zich hierbij aan en overweegt ter aanvulling als volgt. De examens zijn voorbij en voor het hof is niet bekend of [minderjarige] is geslaagd. Op dit moment bestaat nog geen duidelijkheid over de vraag of hij komend schooljaar gaat studeren en zo ja aan welke hogeschool hij zijn studie zal gaan volgen en hoe zijn toekomstige lesrooster eruit zal zien. [minderjarige] is over anderhalf jaar meerderjarig en in toenemende mate in staat zelf keuzes te maken. Gelet op deze omstandigheden acht het hof het in zijn belang dat hij ruimte krijgt om mede te bepalen op welke dagen hij bij zijn vader dan wel bij zijn moeder verblijft. Beide ouders zijn nauw betrokken bij het leven van [minderjarige] en kunnen hem bieden wat hij nodig heeft. [minderjarige] heeft in het gesprek met de voorzitter en de griffier aangegeven dat hij met zowel zijn vader als zijn moeder tijd wil doorbrengen. Daarbij past een regeling waarbij [minderjarige] eens per veertien dagen minimaal zes dagen bij de vader en zes dagen bij de moeder verblijft, terwijl in onderling overleg wordt bepaald bij welke ouder hij de overige twee dagen doorbrengt. Het hof merkt daarbij op dat de regeling niet meebrengt dat [minderjarige] telkens zes aaneengesloten nachten bij één van zijn ouders dient te verblijven. Het staat hem vrij om, in overleg met zijn ouders, invulling te geven aan de verdeling van de zes dagen bij de ene ouder en de zes dagen bij de andere ouder. Op die manier kan [minderjarige] ook rekening houden met zijn toekomstige schoolrooster, werkuren of andere (sociale) verplichtingen. De zorg wordt met deze regeling nagenoeg gelijk verdeeld tussen partijen, conform de wens van [minderjarige] , wiens stem – zoals gezegd – met het naderen van zijn meerderjarigheid een steeds belangrijker rol gaat spelen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt verder dat het na een periode van zorgen nu goed gaat met [minderjarige] . Het hof geeft de ouders in overweging om op constructieve wijze met [minderjarige] in gesprek te gaan, zijn wensen en behoeften serieus te nemen bij de praktische invulling van de regeling. De hoofdverblijfplaats 5.8 Net zoals de rechtbank ziet het hof in hetgeen de vader heeft aangevoerd geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [minderjarige] op grond van de zorgregeling nagenoeg evenveel tijd bij de moeder als bij de vader zal doorbrengen. Voorts heeft [minderjarige] zelf aangegeven dat het hem niet uitmaakt bij welke ouder zijn hoofdverblijfplaats formeel wordt vastgesteld. Sinds de scheiding heeft [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder en niet is gebleken dat deze situatie niet langer in zijn belang is. Het hof zal de bestreden beschikking ook ten aanzien van de hoofdverblijfplaats in stand laten. Vervangende toestemming 5.9 Bij de bestreden beschikking is vervangende toestemming aan de moeder verleend om met [minderjarige] naar [plaats B] te verhuizen en hem op dat adres in te schrijven. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank ten aanzien van de toestemming voor de verhuizing de juiste belangenafweging gemaakt. De verhuizing naar [plaats B] is niet strijdig met het belang van [minderjarige] . De afstand tussen [plaats A] en [plaats B] is goed te overbruggen en [minderjarige] kan makkelijk naar de vader, school en sport vanuit [plaats B] . De verhuizing naar [plaats B] betekent niet dat [minderjarige] minder tijd met de vader kan doorbrengen en heeft geen onoverkomelijke veranderingen in zijn leven teweeggebracht. De moeder had een wezenlijk belang bij de verhuizing en moet in staat worden gesteld haar leven in [plaats B] verder op te bouwen. Verder overweegt het hof dat [minderjarige] al stond ingeschreven bij zijn moeder in [plaats A] en nu bij haar staat ingeschreven in [plaats B] . Hij heeft aangegeven dat hij dat prima vindt en dat het hem niet uitmaakt waar hij staat ingeschreven. Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van de vervangende toestemming voor de verhuizing naar en inschrijving in [plaats B] bekrachtigen. 5.10 Ten overvloede benadrukt het hof, net als de rechtbank, dat het belangrijk is dat de ouders samen zorgen voor rust en stabiliteit voor [minderjarige] . Hoewel de ouders verschillend zijn omgegaan met de zorgen rondom [minderjarige] , zijn zij er in het verleden steeds in geslaagd goed met elkaar samen te werken. Het hof spreekt de hoop uit dat zij deze samenwerking weer zullen oppakken. [minderjarige] heeft in de afgelopen periode zijn best gedaan om het vertrouwen van zijn ouders terug te winnen en is gemotiveerd voor school, werk en sport. Het is belangrijk dat de ouders hem in zijn ontwikkeling blijven ondersteunen en hem daarbij voldoende ruimte geven. Zo kan [minderjarige] zich verder blijven ontwikkelen. 5.11 [minderjarige] heeft in zijn gesprek met de voorzitter en de griffier aangegeven graag zelf een e-mail te willen ontvangen waarin het hof de beslissing aan hem uitlegt, ook omdat de beslissing van de rechtbank hem niet helemaal duidelijk was. Een kopie van het bericht aan [minderjarige] wordt aan deze beschikking gehecht. Aan dat bericht op zichzelf kunnen geen rechten worden ontleend. Het incident 5.12 Ter zitting in hoger beroep heeft de vader zijn verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking ingetrokken, zodat het hof hierop niet meer hoeft te beslissen.

### ¶6

De beslissing — Het hof: in de hoofdzaak: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2026; wijst af het in hoger beroep anders of meer verzochte; in het incident: verstaat dat het schorsingsverzoek is ingetrokken. Deze beschikking is gegeven door mr. L.M. Mons, mr. P.F.E Geerlings en mr. D.H. Steenmetser-Bakker, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 14 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/109020 · 2026-07-16
