# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28-04-2026 (C/02/440933 FA RK 25-5321)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:4696
- Date: 2026-04-28
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A4696
- Canonical: https://overview.legal/posts/109022
- Topics: Public Authority, Health Data, Representatives, Legitimate Interest, Minors, Personal Data, Consent

## Summary

afwijzing vervangende toestemming verhuizing naar Litouwen, verwijzing UHA, vaststelling voorlopige zorgregeling en kinderalimentatie (o.a. behoefte verhogen met kosten kinderopvang, voor herstel vatbaar verwijtbaar inkomensverlies)

## Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/440933 FA RK 25-5321 datum uitspraak: 28 april 2026 beschikking betreffende hoofdverblijf, vervangende toestemming voor verhuizing, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie in de zaak van [de vrouw] , wonende te [plaats 1] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. J.A. Scanlan, en [de man] , wonende te [plaats 1] , hierna te noemen de man, advocaat mr. C.G.M. Baas. 1 Het procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 17 oktober 2025 ontvangen verzoekschrift, met bijlagen; - het op 6 november 2025 ontvangen gewijzigde verzoekschrift, met bijlagen; - het op 1 december 2025 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoek; - het op 4 maart 2026 ontvangen aanvullende verweerschrift, tevens houdende wijziging van het zelfstandig verzoek; - het op 11 maart 2026 ontvangen gewijzigd verzoek van de zijde van de man; - het F9-formulier van mr. Scanlan van 23 oktober 2025, met bijlage; - de brief van mr. Scanlan van 5 maart 2026, met bijlagen; - de brief van mr. Baas van 6 maart 2026, met bijlagen; - de beschikking van deze rechtbank betreffende provisionele voorzieningen van 30 december 2025. 1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 17 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. Verder werd de vrouw bijgestaan door een tolk (Litouwse taal). 2 De feiten 2.1 Blijkens de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast: - partijen hebben een relatie met elkaar gehad tot medio 2025; - uit hun relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024 (hierna: [minderjarige] ). [minderjarige] is door de man erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] ; - de vrouw heeft de Litouwse nationaliteit, de man heeft de Poolse nationaliteit en [minderjarige] heeft zowel de Poolse als de Litouwse nationaliteit; 2.2 Op grond van de beschikking betreffende provisionele voorzieningen van 30 december 2025 geldt, totdat in deze procedure anders is beslist, een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) waarbij de man en [minderjarige] , na een opbouw, contact hebben in de ene week van donderdag 18:00 uur tot en met vrijdag 18:00 uur en in de andere week van donderdag 18:00 uur tot en met zondag 18:00 uur. Daarnaast moet de man op grond van die beschikking, totdat in deze procedure is beslist, aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] voldoen van € 334,= per maand. 3 De verzoeken 3.1 De vrouw verzoekt: - te bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf heeft bij haar; - haar vervangende toestemming in de plaats van de man te geven om met [minderjarige] naar Litouwen te mogen verhuizen en hem aldaar in de gemeente te mogen registreren; - vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [minderjarige] van € 600,= per maand, met ingang van 1 oktober 2025, althans een zodanig bedrag en vanaf een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. 3.2 De man verzoekt vaststelling van een zorgregeling, waarbij [minderjarige] bij de man verblijft: - primair: - de ene week: elke donderdag vanaf 18:00 uur tot en met vrijdag 18:00 uur; - de andere week: vanaf donderdag 18:00 uur tot en met zondag 18:00 uur; - de helft van de vakanties; - subsidiair , indien vervangende toestemming wordt verleend voor de verhuizing van de vrouw met [minderjarige] naar Litouwen: - één keer in de twee weken vanaf vrijdag 18:00 uur tot en met zondag 18:00 uur; - de helft van de vakanties. - dan wel een regeling welke de rechtbank juist acht. 4 De beoordeling Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht 4.1 Aangezien de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek tot bepaling van zijn hoofdverblijf, de vervangende toestemming voor verhuizing en de zorgregeling (artikel 7 lid 1 Brussel II ter Verordening). De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen (artikel 17 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996). Hoofdverblijf 4.2 Ter zitting heeft de man aangegeven in te stemmen met bepaling van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw. De rechtbank is niet gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet. Het verzoek van de vrouw daartoe zal daarom als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen. Vervangende toestemming voor verhuizing naar Litouwen 4.3 De vrouw legt het volgende ten grondslag aan haar verzoek tot vervangende toestemming voor een verhuizing met [minderjarige] naar Litouwen. Zij is in 2019 naar Nederland verhuisd om te werken en met de hoop hier een stabiel leven op te bouwen. Zij mist haar familie erg en heeft, ook tijdens de relatie met de man, altijd de drang gehad om naar Litouwen terug te keren. Zij kampt met grote psychische problemen omdat haar situatie hier uitzichtloos is. Zij vindt de zorg voor [minderjarige] als alleenstaande moeder zwaar en heeft in Nederland geen netwerk dat haar kan ondersteunen. De problemen waar de vrouw tegenaan loopt, hebben een enorme invloed op de wijze waarop de zorg voor [minderjarige] wordt verleend. De vrouw ziet als enige mogelijkheid om [minderjarige] de juiste zorg en aandacht te geven, een verhuizing naar Litouwen. De vrouw heeft een woning in [plaats 2] waar zij kan gaan wonen en kan daar per direct beschikken over werk. Haar familie (moeder en zus) kan haar daar ook dagelijks helpen met de zorg voor [minderjarige] en daarmee ontlasten, wat de man absoluut niet doet. De vrouw is bereid om eenmaal per zes maanden [minderjarige] naar de man in Nederland te brengen en tweemaal per jaar een vlucht van Nederland naar Litouwen en terug aan de man te vergoeden zodat hij [minderjarige] in Litouwen kan bezoeken. De man bezoekt ongeveer twee keer per jaar zijn familie in Polen. De vrouw is ook bereid tijdens die bezoeken [minderjarige] naar de man te brengen. [minderjarige] is, gelet op zijn zeer jonge leeftijd, niet geworteld in Nederland en er zijn geen zaken zoals school, kinderopvang, vrienden en dergelijke die hij zal missen bij een verhuizing naar Litouwen. Het belang van [minderjarige] om met zijn moeder te kunnen verhuizen naar Litouwen en het belang van de vrouw weegt vele malen zwaarder dan het belang van de man om de geldende zorgregeling voort te zetten. Ter zitting heeft de vrouw aangevoerd dat het contact dat er is tussen [minderjarige] en de man niet consequent is. De afspraken daarover wijzigen namelijk continu. Er is dus geen sprake van een structurele zorgregeling die bij een verhuizing naar Litouwen stil zou komen te liggen. 4.4 De man voert het volgende verweer. De belangen van de man en [minderjarige] verzetten zich tegen een verhuizing. De vrouw besteedt in de onderbouwing van haar verzoek nauwelijks aandacht aan de gevolgen van een verhuizing voor [minderjarige] . [minderjarige] heeft de afgelopen periode, in afwijking van de in voormelde beschikking vastgestelde provisionele voorzieningen zorgregeling, bijna iedere dag bij de man verbleven. Hij haalde [minderjarige] elke dinsdag, woensdag en donderdag op bij het kinderdagverblijf, iedere week overnachtte [minderjarige] bij de man van donderdag tot vrijdag en om de week verblijft hij daar ook gedurende het weekend. Indien de vrouw naar Litouwen verhuist dan ziet de man [minderjarige] minimaal en kan hij geen vaderrol vervullen zoals hij dit nu wel doet. Daarnaast ontbreekt de noodzaak voor verhuizen aan de zijde van de vrouw. Het is aan haar om aan te tonen waarom haar belangen om te verhuizen prevaleren boven de belangen van de man en [minderjarige] om ongestoord contact te hebben in een voor hen vertrouwde omgeving. Dit is door haar niet voldoende onderbouwd. De man kan niet anders dan constateren dat de verhuizing onvoldoende door de vrouw is doordacht. 4.5 De Raad heeft op de zitting geadviseerd het verzoek van de vrouw af te wijzen. Hij ziet dat sprake is van twee ouders die intensief de zorg over [minderjarige] delen. Hoewel [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de vrouw heeft, is de man niet slechts een ‘pretpapa’ maar een mede-opvoeder. Hij haalt [minderjarige] meerdere dagen per week op uit het kinderdagverblijf en [minderjarige] verblijft iedere week van donderdag tot vrijdag en om de week vanaf donderdag tot en met zondag bij hem. Als de vrouw naar Litouwen zou verhuizen, is dat niet meer mogelijk en valt er dus een ouderfiguur weg voor [minderjarige] . Bij een kind dat zo jong is als [minderjarige] is verder voor het opbouwen van een hechtingsrelatie van belang dat sprake is van verzorging van een kind en speelmomenten. Bij een verhuizing naar Litouwen is dat niet goed vorm te geven. Videobellen heeft op de leeftijd van [minderjarige] niet zo veel zin, want je kunt dan niet samen spelen of een kind verzorgen. De inzet van ouders is dus bij een verhuizing van groot belang en de Raad ziet dat dit ingewikkeld zou zijn, omdat zij niet goed met elkaar kunnen communiceren en de voorgestelde mogelijkheden voor contact van beide zijden beperkt of niet haalbaar zijn. Beoordeling 4.6 Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd, waaronder een geschil over een verhuizing naar het buitenland van de ene ouder met het kind. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind bij deze beslissing een overweging van de eerste orde dient te zijn bij een afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen. De rechtbank zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht moeten nemen. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 25 april 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5901) de volgende criteria aangehaald die uit de lagere rechtspraak zijn gebruikt om een verhuisverzoek te kunnen beoordelen: de noodzaak om te verhuizen; de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid; de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren; de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg; de rechten van de andere ouder en de minderjarigen op eenzelfde contact met elkaar in een vertrouwde omgeving; de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg en de extra kosten die hiermee gemoeid zijn na de verhuizing; de frequentie van het contact tussen de minderjarigen en de andere ouder voor en na de verhuizing; de leeftijd van de minderjarigen, hun mening en de mate waarin de minderjarigen geworteld zijn in hun omgeving of juist extra gewend zijn aan verhuizingen; het belang van de ene ouder om te kunnen verhuizen en elders een toekomst op te bouwen; het belang van de andere ouder dat hij/zij op dezelfde manier voor de minderjarigen kan blijven zorgen. 4.7 De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot vervangende toestemming voor een verhuizing naar Litouwen afwijzen en overweegt daartoe als volgt. De vrouw heeft, samengevat, als belangen bij deze verhuizing aangevoerd dat zij kampt met psychische problemen die gerelateerd zijn aan haar verblijf in Nederland, het ontbreken van een sociaal netwerk bij de zorg voor [minderjarige] en de impact die dit heeft op [minderjarige] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij deze belangen echter onvoldoende onderbouwd. De overgelegde stukken met betrekking tot haar psychische problematiek, een bericht van de huisarts van 9 september 2025 (productie 2) en een aanmelding voor maatschappelijk werk van 9 oktober 2025 (productie 1), zijn namelijk niet recent en de vrouw heeft ter zitting toegelicht dat zij inmiddels met een maatschappelijk werker praat en online sessies heeft met een psycholoog. Ook heeft zij sinds enkele maanden weer een baan, nadat zij tijdelijk werkloos was. De rechtbank begrijpt verder dat het ontbreken van een sociaal netwerk tot problemen kan leiden bij ondersteuning in de zorg voor [minderjarige] . In de afgelopen maanden heeft de man echter een grote opvoedende en verzorgende rol op zich genomen; er was sprake van een uitgebreide zorgregeling, waarbij de man [minderjarige] bijna elke dag ophaalde uit het kinderdagverblijf, en hij verder de ene week van donderdag tot vrijdag voor [minderjarige] zorgde en de andere week van donderdag tot en met zondag. Door de vrouw is gelet op die ondersteuning door de man onvoldoende onderbouwd dat alsnog sprake is van problemen bij de zorg voor [minderjarige] omdat een sociaal netwerk aan haar zijde in Nederland ontbreekt. Tot slot ziet de rechtbank niet dat de gestelde psychische problematiek en het gebrek aan een sociaal netwerk in Nederland een negatieve invloed hebben op [minderjarige] , zoals door de vrouw aangevoerd. Ter zitting hebben beide partijen namelijk aangegeven dat het goed met hem gaat. 4.8. De gestelde noodzaak bij een verhuizing naar Litouwen is naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande beperkt. De man heeft daarentegen een groot belang om op dezelfde manier voor [minderjarige] te blijven zorgen als hij dat in de afgelopen maanden ook heeft gedaan. Dat geen sprake zou zijn van een consistente zorgregeling, zoals door de vrouw aangevoerd, ziet de rechtbank niet. Uitvoering van de zorgregeling die de afgelopen maanden is uitgevoerd, dan wel de primair door de man verzochte zorgregeling, zou bij een verhuizing van de vrouw naar Litouwen met [minderjarige] niet mogelijk zijn. Daar komt bij dat de door de vrouw voorgestelde contactmomenten bij een verhuizing zeer beperkt zijn en een grote vermindering van de frequentie van de huidige contacten. Met die frequentie aan contacten zouden [minderjarige] en de man hun band niet verder kunnen opbouwen en heeft dit, zoals door de Raad ook is aangegeven, ook gevolgen voor de hechtingsrelatie tussen hen en de ontwikkeling van [minderjarige] . Ook het belang van [minderjarige] verzet zich dus tegen een verhuizing naar Litouwen. 4.9. De rechtbank neemt daarnaast in aanmerking dat de communicatie tussen partijen niet goed verloopt. Voor een verhuizing van de vrouw met [minderjarige] naar Litouwen is echter juist van belang dat sprake is van een goede communicatie tussen partijen. De man zou dan namelijk een gezagdragende ouder op afstand zijn, waardoor extra inzet nodig is om hem betrokken te houden in het leven van [minderjarige] zodat partijen samen beslissingen kunnen nemen die in zijn belang zijn. Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking dat de vrouw heeft nagelaten met een goed doordacht plan te komen voor de opbouw van haar leven in Litouwen. Weliswaar heeft zij, onderbouwd met stukken, aangegeven een woning te hebben in Litouwen en daar aan het werk te kunnen, maar deze informatie is niet recent en onduidelijk is gebleven of zij nog steeds in die woning en bij die werkgever terecht kan. Al het voorgaande in aanmerking nemende en de belangen van [minderjarige] , de man en de vrouw tegen elkaar afwegende is de rechtbank van oordeel dat een verhuizing van [minderjarige] met de vrouw naar Litouwen een dermate grote inbreuk betekent op het recht op gelijkwaardige opvoeding en verzorging door beide ouders dat het belang van [minderjarige] zich tegen deze verhuizing verzet. De zorgregeling en het Uniform Hulp Aanbod 4.10. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat beide partijen betrokken ouders zijn, maar het lukt hen niet om als ouders te communiceren en afspraken te maken over zaken die te maken hebben met [minderjarige] . De rechtbank acht het, net als de Raad, daarom nodig dat voor partijen en [minderjarige] een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. In dat (jeugd)hulpverleningstraject zullen partijen moeten werken aan het opstellen van een ouderschapsplan en een manier moeten vinden om in de toekomst tot afspraken te komen over [minderjarige] . De rechtbank geeft het loket mee dat moet worden gezocht naar een traject wat in het Engels kan plaatsvinden, dan wel dat een tolk (Litouwse taal) daarin wordt betrokken, aangezien de vrouw de Nederlandse taal niet machtig is. Partijen hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen en [minderjarige] voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. De verwijzing heeft op 23 maart 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking en kennisgeving (enkel voor het loket in verband met de behandeling van het verzoek met betrekking tot de kinderalimentatie in de beschikking) geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd. 4.11. Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund. 4.12. Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; - het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar. De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij de beschikking en de kennisgeving gevoegd (bijlage 1). 4.13. Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen. 4.14. Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een zitting nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot [minderjarige] . 4.15. Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten. 4.16. Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten. 4.17. Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen: - Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige? - Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden? 4.18. Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht. 4.19. Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop. 4.20. Partijen zijn tijdens de zitting geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd. 4.21. Zoals ter zitting met partijen is besproken zal nog niet definitief beslist worden op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling in verband met het in te zetten (jeugd)hulpverleningstraject. Verder is gesproken over de mogelijkheden voor partijen om een uitgebreide zorgregeling zoals die de afgelopen periode is uitgevoerd voorlopig voort te zetten, maar het is partijen niet gelukt om daarover tijdens een schorsing van de zitting afspraken te maken. De rechtbank kan echter niet meer toewijzen dan hetgeen door de man is verzocht, zodat zijn verzoek wat betreft de reguliere zorgregeling zal worden toegewezen, met dien verstande dat dit dus een voorlopige regeling zal zijn. Deze regeling houdt in dat [minderjarige] de ene week bij de man zal verblijven van donderdag 18:00 uur tot en met vrijdag 18:00 uur en de andere week van donderdag 18:00 uur tot en met zondag 18:00 uur. Ten aanzien van de verdeling van de vakanties is de rechtbank van oordeel dat partijen eerst in de gelegenheid moeten worden gesteld om daarover in het kader van het (jeugd)hulpverleningstraject afspraken te maken, zodat daar nu nog geen beslissing over zal worden genomen. 4.22. De definitieve beslissing op het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling zal worden aangehouden voor de duur van zes maanden. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door. Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht: kinderalimentatie 4.23. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) internationaal bevoegd om van het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage kennis te nemen, nu de verweerder (de man) zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. 4.24. Op het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage is op grond van artikel 15 van de Alimentatieverordening juncto artikel 4 lid 3 van het Haagse Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, het recht van de staat waar de onderhoudsplichtige zijn gewone verblijfplaats heeft van toepassing aangezien de onderhoudsgerechtigde nu dit verzoek heeft ingediend in het land waar de onderhoudsplichtige woont. Omdat de man zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, is het Nederlandse recht van toepassing op het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage. Kinderalimentatie 4.25. De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat [minderjarige] behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de man en dat hij de financiële draagkracht heeft die te voldoen. 4.26. De man voert gemotiveerd verweer. 4.27. Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Ingangsdatum 4.28. De rechtbank zal de verplichting tot betaling van de hierna vast te stellen kinderbijdrage doen ingaan op de datum van deze beschikking. Geen aanleiding wordt gezien om deze bijdrage eerder te doen ingaan zoals door de vrouw verzocht, omdat de man de afgelopen periode reeds een bijdrage heeft voldaan aan de vrouw op grond van voormelde beschikking betreffende provisionele voorzieningen. Behoefte van [minderjarige] 4.29. Voor de vaststelling van de behoefte van [minderjarige] is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2024, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan. 4.30. Tussen partijen staat vast dat voor de becijfering van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw moet worden uitgegaan van haar inkomen volgens haar jaaropgaaf van 2024, ter hoogte van € 32.630,= bruto per jaar. Namens de vrouw is een berekening overgelegd van haar NBI op grond van dat inkomen. Deze berekening is door de man onweersproken gelaten en acht de rechtbank juist, zodat de rechtbank die berekening zal volgen. Hieruit volgt een NBI van € 2.643,= per maand. 4.31. Voor de becijfering van het NBI van de man gaan beide partijen uit van het inkomen dat hij verdient als zelfstandig ondernemer. De man stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van de gemiddelde winst uit die onderneming over de jaren 2022, 2023 en 2024. Volgens de vrouw moet worden uitgegaan van de winst uit onderneming in het jaar 2024. 4.32. De rechtbank leidt uit de door de man overgelegde jaarstukken van 2022, 2023 en 2024 af dat hij in die jaren respectievelijk een winst had van € 26.384,=, 43.984,= en € 37.937,=. Het resultaat in 2024 wijkt naar het oordeel van de rechtbank niet af van de trend in zijn onderneming, zodat aanleiding wordt gezien in het kader van de behoefte, waarbij het gaat om de welstand van partijen in het laatste volledige jaar voor het uiteengaan van partijen, uit te gaan van de winst uit onderneming in alleen dat jaar. De rechtbank houdt verder rekening met de toepasselijke zelfstandigenaftrek, startersaftrek en mkb-winstvrijstelling en de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting,), de op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de verschuldigde inkomstenbelasting. Het NBI van de man bedraagt op basis van die uitgangspunten € 2.902,= per maand. 4.33. Gelet op het verzamelinkomen van partijen hadden zij tijdens hun samenleving recht op kindgebonden budget. Dit bedroeg op het moment dat partijen uit elkaar gingen € 65,= per maand. Dit bedrag dient bij het NBGI te worden opgeteld. 4.34. Aan de hand van het voorgaande becijfert de rechtbank NBGI van partijen op € 5.610,= per maand. 4.35. Dit NBGI, gevoegd bij het aantal kinderen in het gezin, levert volgens de ‘Tabel eigen aandeel van ouders in de kosten van de kinderen’ een behoefte van [minderjarige] op van € 818,= per maand in 2024. Bij dat tabelbedrag is al rekening gehouden met de ontvangen kinderbijslag. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte nu € 911,= per maand. 4.36. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de behoefte van [minderjarige] moet worden verhoogd met de kosten die zij maakt voor het kinderdagverblijf die niet worden gedekt door de kinderopvangtoeslag die zij ontvangt. Dit gaat om een bedrag van € 359,= per maand, dan wel driekwart van dat bedrag nu kinderopvang op vrijdag niet meer nodig is omdat [minderjarige] dan altijd bij de man verblijft. Gelet op het lage inkomen van de vrouw kan zij deze kosten niet volledig zelf dragen. 4.37. De man stelt zich op het standpunt dat de behoefte van [minderjarige] niet moet worden verhoogd met kosten voor het kinderdagverblijf. De vrouw heeft er namelijk zelf voor gekozen om in België te gaan werken, waardoor zij meer uren moet afnemen bij het kinderdagverblijf en de kosten daardoor hoger zijn. Daarnaast heeft zij ook zelf de keuze gemaakt om bij een werkgever te gaan werken waar zij een aanzienlijk lager salaris verdient dan voorheen. Het is niet redelijk dat de man moet opdraaien voor deze kosten. Als wel rekening wordt gehouden met een verhoging van de behoefte van [minderjarige] met deze kosten, dan moet met het volledige bedrag van € 359,= per maand worden gerekend. De man moet namelijk werken op vrijdagen, zodat als op die dag door de vrouw geen kinderopvang meer zal worden afgenomen de man voor die dag zelfstandig kinderopvang moet regelen. 4.38. Uit voormelde aanbevelingen volgt dat de tabelbedragen kunnen worden verhoogd met extra kosten die niet kunnen worden voldaan uit de standaardbedragen in de tabel en daadwerkelijk op het inkomen van (één van) partijen drukken. Hieronder kunnen vallen kosten voor kinderopvang die – na aftrek van de kinderopvangtoeslag – zo hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten. De rechtbank is van oordeel dat door de vrouw voldoende is onderbouwd dat zij met haar huidige inkomen in de knel komt bij betaling van de kosten voor kinderopvang (na aftrek van de kinderopvangtoeslag) ter hoogte van € 359,= per maand. Weliswaar heeft de man aangevoerd dat de vrouw er zelf voor heeft gekozen om een functie in België te accepteren waarbij haar inkomen aanzienlijk lager is dan in het verleden, echter hier heeft de man geen gevolgen aan verbonden, zoals wat een hoger inkomen mee zou brengen voor de hoogte van de kinderopvangkosten en de kinderopvangtoeslag. De rechtbank zal dit standpunt daarom passeren en het tabelbedrag verhogen met een bedrag aan extra kinderopvangkosten en wel voor het volledige bedrag van € 359,= per maand. De situatie is inmiddels al geruime tijd zo dat [minderjarige] vier dagen per week naar de kinderopvang gaat en de rechtbank kan het standpunt van de vrouw dat slechts rekening moet worden gehouden met drie dagen kinderopvang gelet daarop niet duiden. De kosten voor vier dagen kinderopvang worden nu eenmaal gemaakt en in het kader van de behoefte van [minderjarige] doet het er niet toe door wie van de ouders deze kosten worden gemaakt. 4.39. Het voorgaande leidt ertoe dat zal de behoefte van [minderjarige] (€ 911,= + € 359,=) € 1.270,= per maand bedraagt. Draagkracht van de vrouw 4.40. Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van [minderjarige] becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig NBI, waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen. 4.41. De vrouw stelt zich op het standpunt dat voor de becijfering van haar huidig NBI en draagkracht moet worden uitgegaan van haar huidige inkomen bij [bedrijf] B.V. ter hoogte van € 25.280,= netto per jaar. Zij werkt daar 24 uur per week verdeeld over drie dagen (dinsdag tot en met donderdag). Ter zitting is door de vrouw verder toegelicht dat zij niet meer voltijds kan werken zoals voorheen en geen hoger inkomen kan verdienen; zij draagt namelijk ook de zorg voor [minderjarige] en op vrijdag doet zij haar eigen administratie en onderzoekt zij of zij extra kan bijverdienen vanuit huis. Zij kan haar dienstverband ook niet uitbreiden met extra uren. De vrouw heeft verder geprobeerd in Nederland werk te vinden, maar dat is niet gelukt en zij doet nu werk wat zij leuk vindt. Daarnaast zou een uitbreiding van haar werk en een hoger inkomen ook invloed hebben op het aantal uren dat zij bij de kinderopvang moet afnemen en de kinderopvangtoeslag die zij ontvangt. 4.42. De man stelt zich op het standpunt dat sprake is van voor herstel vatbaar, verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de vrouw. Zij verdiende voorheen € 32.630,= bruto per jaar en moet in staat worden geacht dat weer te verdienen. De vrouw heeft er zelf voor gekozen te stoppen bij haar vorige werkgever. De man kan zich voorstellen dat de vrouw, gelet op de zorg voor [minderjarige] , niet meer vijf dagen kan werken maar van haar mag wel verwacht worden dat zij in ieder geval vier dagen gaat werken. Het inkomen dat zij verdiende bij de vorige werkgever was ook veel hoger dan wat zij nu verdient. 4.43. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een inkomensverlies aan de zijde van de vrouw. Zij verdient nu namelijk een netto-inkomen van € 25.280,= per jaar, terwijl zij in 2024 een netto besteedbaar inkomen had van € 32.444,= per jaar (productie 22 van de vrouw). De vrouw geeft aan dat zij haar inkomen niet kan herstellen, echter naar het oordeel van de rechtbank heeft zij dit onvoldoende aangetoond. Weliswaar geeft de vrouw aan dat zij voor meerdere functies met een hoger salaris heeft gesolliciteerd, maar dat heeft zij niet met stukken onderbouwd. Ook is door de vrouw onvoldoende aangetoond dat zij niet meer uren kan werken dan zij nu doet. Zij werkt op dit moment slechts drie dagen, terwijl zij ook op vrijdag beschikbaar is om te werken. [minderjarige] verblijft dan immers op het kinderdagverblijf. Daarnaast is door de man onweersproken aangevoerd dat de inkomensvermindering te wijten is aan de vrouw zelf. Zij heeft niet betwist dat zij haar arbeidscontract bij haar vorige werkgever zelf heeft opgezegd. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat sprake is van voor herstel vatbaar, verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de vrouw. De rechtbank zal daarom uitgaan van haar oude inkomen. Bij een voltijds dienstverband van 40 uur per week bedroeg dat inkomen € 32.630,= bruto per jaar. Echter, nu de vrouw op de maandagen de zorg heeft voor [minderjarige] ziet de rechtbank aanleiding uit te gaan van een werkweek van vier dagen, oftewel 32 uur per week, zodat zij op maandagen de zorg voor [minderjarige] zelf kan dragen en geen extra dag op het kinderdagverblijf hoeft te regelen. Uitgegaan zal dus worden van een bruto-inkomen van (€ 32.630,= x 0,8) € 26.104,= per jaar. 4.44. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting), en de verschuldigde inkomstenbelasting. Daarnaast komt de vrouw met dit inkomen in aanmerking voor een kindgebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop van € 5.996,= op jaarbasis. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 2.675,= per maand. De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 356,= per maand. Draagkracht van de man 4.45. De man stelt zich op het standpunt dat voor de becijfering van zijn huidig NBI en draagkracht moet worden uitgegaan van de gemiddelde winst uit onderneming van de jaren 2022 tot en met 2024. De cijfers van 2025 zijn nog niet bekend, maar hij verwacht dat het inkomen in dat jaar in lijn ligt met de voorgaande jaren. 4.46. De vrouw stelt zich op het standpunt dat aangezien de man heeft nagelaten zijn huidige financiële gegevens over te leggen, het ervoor moet worden gehouden dat hij in staat is om de door haar verzochte kinderbijdrage van € 600,= per maand te voldoen. 4.47. De rechtbank is van oordeel dat hoewel het op de weg van de man had gelegen om inzage te geven in zijn recente financiële gegevens, de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd op basis van welke gegevens zij tot de conclusie komt dat de man in staat is € 600,= per maand te voldoen. Zij had nader moeten specificeren van welk (fictief) inkomen en welke draagkracht zij in dat kader is uitgegaan. De rechtbank zal dit standpunt daarom passeren en de man volgen in zijn standpunt dat moet worden uitgegaan van de gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2022 tot en met 2024. De winst in die drie jaren bedroeg respectievelijk € 26.384,=, € 43.984,= en € 37.937,=. Het gemiddelde over die drie jaren bedraagt dan afgerond € 36.102,=. 4.48. De rechtbank houdt verder rekening met de toepasselijke zelfstandigenaftrek en mkb-winstvrijstelling, de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Verder is de op aanslag te betalen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet in aanmerking genomen. Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidig NBI van de man op een bedrag ter hoogte van € 2.692,= per maand. De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 363,= per maand. Geen draagkrachtvergelijking 4.49. Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege, omdat de totale draagkracht van de onderhoudsplichtigen lager is dan de hiervoor becijferde behoefte van [minderjarige] . Zorgkorting 4.50. De man maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting van 35% op de door hem eventueel verschuldigde kinderbijdrage. 4.51. Volgens de vrouw moet een zorgkorting worden toegepast van 25%, 4.52. Gelet op de hiervoor vastgestelde voorlopige zorgregeling heeft de man gemiddeld twee dagen per week de zorg voor [minderjarige] , zodat een zorgkorting geldt van 25%. Aangezien de behoefte van [minderjarige] € 1.270,= per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 228,= per maand. 4.53. Het tekort aan gezamenlijke draagkracht van de onderhoudsplichtigen om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien is zo groot, dat de zorgkorting waar de man recht op heeft niet in mindering zal worden gebracht op de door hem te betalen kinderbijdrage. Hij moet tot het volledige bedrag van zijn draagkracht in de kosten van [minderjarige] voorzien. Conclusie 4.54. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de man te betalen bijdrage met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen op € 363,= per maand. Het verzoek van de vrouw wordt in zoverre toegewezen en het meer of anders verzochte wordt afgewezen. Aanhechten berekeningen 4.55. De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit (bijlage 3). Verwijzing naar de enkelvoudige kamer 4.56. Voor de verdere behandeling van de procedure zal de meervoudige kamer van de rechtbank de zaak terugverwijzen naar de enkelvoudige kamer, zodat de zaak vanaf nu door één rechter zal worden behandeld. 5 De beslissing De rechtbank: 5.1 bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw; 5.2 bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man en genoemde minderjarige [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar: de ene week: elke donderdag vanaf 18:00 uur tot en met vrijdag 18:00 uur; de andere week: vanaf donderdag 18:00 uur tot en met zondag 18:00 uur; 5.3 bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de datum van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige [minderjarige] aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 363,= (driehonderddrieënzestig euro) per maand; 5.4 verwijst partijen en genoemde minderjarige [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-West. Het loket zal partijen en de minderjarige vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder; 5.5 verzoekt het loket om uiterlijk op 27 oktober 2026 pro forma , of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen; 5.6 verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad; 5.7 verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten; 5.8 verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.17. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren; 5.9 verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen; 5.10 wijst af: het verzoek van de vrouw haar vervangende toestemming te verlenen om met [minderjarige] te verhuizen naar Litouwen; het meer of anders verzochte wat betreft de kinderalimentatie; 5.11 houdt de beslissing op het verzoek tot vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan; 5.12 verwijst de procedure in de stand waarin zich deze bevindt naar de enkelvoudige kamer van deze rechtbank. Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, Sumner en Waanders, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/109022 · 2026-07-16
