# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 03-07-2026 (BRE 26/2731)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:6091
- Date: 2026-07-03
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A6091
- Canonical: https://overview.legal/posts/109026
- Topics: Public Authority, Right of Access, Personal Data

## Summary

NTB tot overdracht gegevensverwerkingen t.b.v. beoordeling door Procureur-Generaal - rechtbank kennelijk onbevoegd, feitelijke handeling

## Sections (6)

### ¶1

[eiser] , uit [plaats] , eiser, — en

### ¶1.1

Inleiding — In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet op tijd beslissen op zijn verzoek van 27 mei 2025 tot overdracht gegevensverwerkingen t.b.v. beoordeling door Procureur-Generaal (PG). 1.1. Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

### ¶2.1

Beoordeling door de rechtbank — 2. Eiser wil dat verweerder een besluit neemt op zijn verzoek. Om dat in rechte te kunnen afdwingen bij de bestuursrechter moeten het verzoek zijn aan te merken als een aanvraag. Een aanvraag is een verzoek om een besluit te nemen. Alleen als eisers verzoek is aan te merken als een aanvraag om een besluit te nemen is de bestuursrechter bevoegd. 2.1. Onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die op rechtsgevolg is gericht. Er is sprake van rechtsgevolg als er rechten, plichten, aanspraken, verplichtingen, een bevoegdheid en/of een juridische status worden gecreëerd of teniet gedaan. Dit betekent dat feitelijke handelingen en privaatrechtelijke rechtshandelingen in beginsel buiten de bevoegdheid van de bestuursrechter vallen. 3. De rechtbank volgt het OM in het standpunt dat het verzoek van eiser van 27 mei 2025 geen inzageverzoek bevat op grond van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) dan wel artikel 39i van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Eiser verzoekt in zijn brief van 27 mei 2025 immers om een overdracht van gegevensverwerkingen ten behoeve van de beoordeling door de PG bij de Hoge Raad in het kader van de klachtprocedure die daar loopt. Eiser verzoekt niet om inzage in zijn persoonsgegevens, maar om verstrekking van diverse genoemde documenten over hem en zijn dochter die direct aangeleverd moeten worden bij de PG van de Hoge Raad. Pas uit eisers klacht van 2 april 2026 waarin hij het OM ook in gebreke stelt voor zijn verzoek van 27 mei 2025 wordt duidelijk dat eiser naast het overdrachtsverzoek ook een inzageverzoek heeft willen indienen met het verzoek van 27 mei 2025. Dat eiser in zijn verzoek van 27 mei 2025 wel artikel 15 van de AVG en artikelen 2 e.v. van de Wjsg als grondslag noemt, maakt dit niet anders. De rechtbank stelt vast dat het eventuele verstrekken van de gevraagde gegevens aan de PG geen rechtshandeling is, maar een feitelijke handeling. Het enkele verstrekken van de gevraagde gegevens aan de PG zou namelijk niet gericht zijn op rechtsgevolg. Door het eventuele verstrekken van de gevraagde gegevens aan de PG worden namelijk geen rechten, plichten, aanspraken, verplichtingen, een bevoegdheid en/of een juridische status gecreëerd of teniet gedaan. 3.1. De (bestuursrechter van de) rechtbank is daarom kennelijk onbevoegd om van het beroepschrift kennis te nemen. 4. Eiser kan zijn geschil met betrekking tot het niet op tijd verstrekken van de gevraagde gegevens aan de PG uitsluitend aan de civiele rechter voorleggen. De rechtbank kan het beroepschrift niet doorsturen aan de civiele rechter, omdat in bepaalde gevallen een dergelijk verzoekschrift moet worden ingediend door een advocaat. Indien gewenst kan eiser hierover advies inwinnen bij het Juridisch Loket, een advocaat of bij zijn rechtsbijstandverlener.

### ¶4

Conclusie en gevolgen — 5. De (bestuursrechter van de) rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van het ingestelde beroep. Dit betekent dat de rechtbank niet over het beroep van eiser mag oordelen. Het door eiser betaalde griffierecht zal worden teruggestort. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

### ¶5

Beslissing — De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 3 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

### ¶6

Informatie over verzet — Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/109026 · 2026-07-16
