# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-05-2026 (C/02/431245 FA RK 25-429 en C/02/441546 FA RK 25-5669)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:5472
- Date: 2026-05-22
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A5472
- Canonical: https://overview.legal/posts/109028
- Topics: Public Authority, Public Sector, Law Enforcement, Representatives, Meaningful Human Review and Decision-Making, Minors, Consent

## Summary

Echtscheiding. IPR. Man houdt kinderen ongeoorloofd vast in het buitenland. Hoofdverblijf wordt bepaald bij vrouw.

## Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummers: C/02/431245 FA RK 25-429 (echtscheiding) C/02/441546 FA RK 25-5669 (afwikkeling huwelijksvermogen) datum uitspraak: 22 mei 2026 beschikking betreffende echtscheiding in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. W.G. Dictus, en [de man] , in de basisregistratie personen geregistreerd als ‘niet ingezetene’ wegens emigratie, verblijvende te Syrië, hierna te noemen de man, advocaat mr. B.P.A. van Beers. 1 Het procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 29 januari 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 16 april 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek; - de brieven van mr. Dictus van 10 februari 2025 met bijlagen, 28 februari 2025, 28 oktober 2025 met bijlage en 30 maart 2026 met bijlage; - de brief van mr. Van Beers van 28 oktober 2025; - de beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van 22 januari 2025; - de rapportage in het kader van het Uniform hulpaanbod (UHA) van 24 juni 2025, ontvangen op 22 juli 2025; - de brieven van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda (de Raad), van 24 juli 2025 en 6 oktober 2025. 1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 10 april 2026. Daarbij waren aanwezig: de vrouw, bijgestaan door mr. M.T.E. Kranenburg, waarnemend voor haar advocaat, en een tolk in de Arabisch-Syrische taal; de man, via een teams-verbinding met Syrië, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Arabisch-Syrische taal; een vertegenwoordiger van de Raad. 1.3 Na te noemen minderjarigen zijn niet in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek . 2 De feiten 2.1 Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast: - zij zijn op [datum 1] 2014 in [plaats] , Syrië, met elkaar gehuwd; - uit hun huwelijk zijn de volgende, nu nog minderjarige kinderen geboren: 1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] , Syrië, op [geboortedag 1] 2016, 2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] , Syrië, op [geboortedag 2] 2017; - zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan; - de vrouw bezit de Syrische nationaliteit en de man bezit de Nederlandse nationaliteit; - de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit en staan ingeschreven op het adres van de vrouw; - de man verblijft sinds februari 2025 met de minderjarigen in Syrië. 2.2 Bij beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van 22 januari 2025 zijn de minderjarigen aan de vrouw toevertrouwd en is bepaald dat de vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning heeft, met uitzondering van de zaterdag van 9.00 tot 17.00 uur. De man is gerechtigd tot het hebben van contact met de minderjarigen iedere zaterdag van 9.00 tot 17.00 uur in de echtelijke woning. Verder zijn partijen en de minderjarigen verwezen voor een (jeugd)hulptraject in het kader van het UHA en is voorwaardelijk een raadsonderzoek gelast. 3 De verzoeken 3.1 De vrouw verzoekt, samengevat, - echtscheiding; - bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij haar; - vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 16,= per maand per kind; - bepaling dat zij de huurster van de echtelijke woning zal zijn; - bevel tot verdeling van de gemeenschappelijke goederen. 3.2 De man verzoekt, samengevat, - bepaling dat de minderjarigen hun hoofdverblijf zullen hebben bij hem. 4 De beoordeling Echtscheiding, ontvankelijkheid en ontbreken ouderschapsplan 4.1 De rechtbank is bevoegd te beslissen op het verzoek tot echtscheiding op grond van het bepaalde in artikel 3 van de Verordening Brussel II-ter (nr. 2019/1111), aangezien de gewone verblijfplaats van partijen ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in Nederland was. Op dit verzoek is Nederlands recht van toepassing op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW). 4.2 Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het verzoek tot echtscheiding, moet zij beoordelen of er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk dat in Nederland kan worden erkend. De beantwoording van deze vraag is van belang omdat een buitenlands huwelijk dat naar Nederlands recht niet wordt erkend, door de Nederlandse rechter niet kan worden ontbonden. 4.3 Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 lid 1 BW). Op grond van artikel 10:31 lid 4 BW wordt een huwelijk vermoed rechtsgeldig te zijn indien een verklaring hierover is afgegeven door een bevoegde autoriteit. 4.4 In Syrië is de Wet op het Personeel Statuut van toepassing op islamitische huwelijken. Deze huwelijken worden in Syrië traditioneel voltrokken door een islamitische geestelijke in aanwezigheid van (ten minste) twee getuigen. Om een dergelijk huwelijk rechtsgeldig te maken dient het te worden bekrachtigd door een islamitische familierechtbank. De vrouw heeft twee vertalingen van een ‘bewijs huwelijksbekrachtiging’/ ’verklaring trouw-bevestiging’ overgelegd, waaruit volgt dat het op [datum 1] 2014 gesloten huwelijk van partijen op [datum 2] 2015 is bekrachtigd door de rechtbank van Damascus, Syrië. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de overgelegde stukken in beginsel kunnen worden aangemerkt als een huwelijksverklaring die is afgegeven door een bevoegde autoriteit. De rechtbank neemt daarom aan dat sprake is van een tussen de man en de vrouw in Syrië rechtsgeldig gesloten huwelijk, dat ook in Nederland dient te worden erkend. Van omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het huwelijk van partijen niet voor erkenning vatbaar is, omdat die erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van Nederland (artikel 10:32 BW) is niet gebleken. 4.5 Omdat het huwelijk in Nederland wordt erkend, zal de rechtbank overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot echtscheiding. 4.6 Op grond van artikel 815 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv). 4.7 De vrouw heeft geen ouderschapsplan overgelegd. Zoals onder 2.2. al staat vermeld zijn partijen bij de beschikking betreffende voorlopige voorzieningen verwezen voor hulpverlening in het kader van het UHA, onder meer met het doel te komen tot een ouderschapsplan. Uit de ingediende informatie van de jeugdprofessional van het zorgloket van 24 juni 2025 blijkt dat de hulpverlening niet van de grond is gekomen, omdat de man en de kinderen sinds februari 2025 in Syrië verblijven. Verder blijkt uit de stukken en de verklaringen van de man op de zitting dat de man niet van plan is om terug te keren naar Nederland. De rechtbank overweegt dat het voor de vrouw hierdoor redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan te overleggen. De vrouw is dan ook ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding. 4.8 De vrouw stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en dat verzoeningspogingen zijn mislukt. De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.9 De rechtbank overweegt als volgt. Als één van beide echtgenoten het huwelijk niet wenst voort te zetten, dan is dit voldoende om de duurzame ontwrichting van het huwelijk aan te nemen. Daarbij in aanmerking genomen dat de vrouw tevens heeft verklaard dat verzoeningspogingen zijn mislukt. De man heeft deze stelling van de vrouw niet betwist. Gelet hierop acht de rechtbank herstel van de huwelijksband uitgesloten. Daarmee is de duurzame ontwrichting van het huwelijk komen vast te staan. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen en de echtscheiding uitspreken, omdat dit verzoek op de wet gegrond is. Huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] 4.10 Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan een van partijen en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst. 4.11 De vrouw verzoekt het huurrecht van de echtelijke woning aan haar toe te kennen. De man heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd, omdat hij inmiddels in Syrië verblijft. 4.12 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen en bepalen dat de vrouw met ingang van de datum van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand huurster is van de woning aan [adres] te [woonplaats] . Hoofdverblijf van de minderjarigen 4.13 De rechtbank stelt voorop dat in de beschikking van de rechtbank Den Haag betreffende internationale kinderontvoering van 1 juli 2025 is geoordeeld dat sprake is van ongeoorloofde vasthouding van de minderjarigen in Syrië op grond van het bepaalde in artikel 3 van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980. In die beschikking is ook geoordeeld dat de minderjarigen onmiddellijk voor hun vasthouding in Syrië, hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden en dat naar Nederlands recht beide ouders met het gezag over de kinderen zijn belast ingevolge artikel 16 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996). De rechtbank Den Haag heeft in die beschikking de terugkeer van de kinderen naar Nederland gelast. 4.14 Op grond van het bepaalde in artikel 5 lid 1 van het HKBV 1996 is de rechter van de Verdragsluitende Staat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd maatregelen te nemen die strekken tot de bescherming van zijn persoon of vermogen, dus ook een beslissing te nemen over het hoofdverblijf van de minderjarigen. In geval van kinderontvoering blijft de rechter van de verblijfplaats van het kind voorafgaand aan de ongeoorloofde overbrenging bevoegd om over de zaak te beslissen op grond van het bepaalde in artikel 7 van het HKBV 1996. Dit betekent dat de Nederlandse rechter bevoegd is te beslissen over het verzoek tot bepaling van het hoofdverblijf. Op dat verzoek is Nederlands recht van toepassing. 4.15 De vrouw verzoekt het hoofdverblijf van de minderjarigen bij haar te bepalen. Sinds de feitelijke relatiebreuk verzorgde zij de kinderen. Zij heeft geen toestemming gegeven aan de man om met de kinderen terug te keren naar Syrië, zij heeft enkel toestemming gegeven aan de man om met de minderjarigen voor een korte vakantie naar Syrië te gaan. Dit blijkt onder meer uit haar verklaringen op de zitting en uit de beschikking van de rechtbank Den Haag van 1 juli 2025. Ook verwijst zij naar het proces-verbaal van aangifte van 27 februari 2026, waarin zij aangifte heeft gedaan in verband met de onttrekking van de minderjarigen aan het ouderlijk gezag c.q. het verborgen houden van minderjarigen. Volgens de vrouw heeft de man de kinderen onttrokken aan haar gezag, hetgeen de man heeft erkend door in Syrië te verblijven met de kinderen en niet terug te keren naar Nederland. 4.16 De man voert verweer en verzoekt het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen. Ter zitting heeft de man, anders dan in de overgelegde stukken, de volgende verklaring gegeven. Hij stelt dat hij in eerste instantie voor een vakantie samen met de minderjarigen naar Syrië was gegaan en dat de vrouw voor deze vakantie toestemming heeft gegeven. Tijdens zijn vakantie in Syrië heeft hij vernomen van derden dat de meerderjarige zoon van de vrouw, die bij de vrouw in Nederland woont, verdacht zou zijn van ontucht jegens een (of meerdere) kind(eren) in Syrië. Daarom heeft hij voor de veiligheid van de minderjarigen van partijen besloten om samen met hen in Syrië te blijven. Hij is niet van plan terug te keren naar Nederland. Hij heeft op de zitting erkend op de hoogte te zijn van de beschikking van de rechtbank Den Haag van 1 juli 2025 en de daarin genomen beslissing tot teruggeleiding van de kinderen naar Nederland. Hij heeft verklaard niet van plan te zijn om aan die beslissing gehoor te geven, indien niet aan zijn voorwaarden is voldaan. Zijn voorwaarden zijn dat de vrouw haar verzoek inzake de kinderontvoering intrekt en dat de meerderjarige zoon van de vrouw uit de woning van de vrouw vertrekt, omdat het voor de minderjarigen anders geen veilige situatie is. 4.17 Namens de Raad is op de zitting aangegeven, samengevat, dat het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw dient te worden bepaald. Opgemerkt is dat de man en de kinderen op dat moment nog niet zijn gesignaleerd in het signaleringssysteem van de Koninklijke Marechaussee. 4.18 De rechtbank overweegt als volgt. Onder verwijzing naar het oordeel van de rechtbank Den Haag in de beschikking van 1 juli 2025 staat vast dat de man de minderjarigen heeft onttrokken aan het ouderlijk gezag van de vrouw en dat hij de minderjarigen ongeoorloofd vasthoudt in Syrië. Hij heeft op de zitting herhaald dat hij niet zal terugkeren naar Nederland en met de minderjarigen in Syrië zal blijven. Gelet op deze feiten en omstandigheden, waarbij de man willens en wetens een rechterlijke beslissing niet nakomt en zal nakomen en niet is gebleken dat de veiligheid van de minderjarigen bij de vrouw in het geding is, zal het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw worden bepaald. De rechtbank acht deze beslissing in het belang van de minderjarigen. Deze beslissing heeft ook als gevolg dat het verzoek van de man om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem te bepalen zal worden afgewezen. 4.19 De rechtbank merkt op dat er geen verzoek tot vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorligt. Tijdens de zitting is het contact tussen de vrouw en de minderjarigen met de aanwezigen besproken. De man heeft uitdrukkelijk aangegeven dit contact niet in de weg te staan. Volgens hem zouden de minderjarigen allebei beschikken over een mobiele telefoon, waarop de vrouw hun zou kunnen bereiken, maar zij heeft geen interesse in de minderjarigen. De vrouw heeft dit betwist; zij heeft geprobeerd de kinderen telefonisch te bereiken, maar zij krijgt dan de man aan de lijn en hij staat het contact tussen haar en de kinderen niet toe. De rechtbank verwijst naar het bepaalde in artikel 1:247 BW, waarin staat dat het ouderlijk gezag het recht en de plicht van de ouder omvat om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Als de ouders na de echtscheiding gezamenlijk het gezag blijven uitoefenen, is het uitgangspint dat de kinderen recht hebben op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. De ouders dragen gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van hun kinderen en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid. Daartoe dienen kinderen goed contact te hebben met beide ouders. Dit recht en deze plicht gelden ook voor partijen. Kinderalimentatie 4.20 Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot kinderalimentatie op grond van artikel 2 sub c van de Verordening (EG) nr. 4/2009 (de Alimentatieverordening). 4.21 Op grond van artikel 3 lid 1 van het Protocol van 23 november 2007 is toepasselijk het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde. Zoals hiervoor is overwogen gaat de rechtbank ervanuit dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen Nederland is. 4.22 De vrouw verzoekt vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 16,= per maand per kind. 4.23 De man voert verweer. Volgens hem maakt de vrouw geen kosten voor de kinderen, omdat de kinderen bij hem verblijven. 4.24 De rechtbank overweegt als volgt. Uitgaande van het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw zou de vrouw de kosten dragen. In deze beschikking heeft de rechtbank het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw bepaald. Het enkele feit dat de man de minderjarigen heeft onttrokken aan het gezag en ongeoorloofd vasthoudt in Syrië maakt niet dat de man geen onderhoudsverplichting heeft. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een kinderalimentatie van € 16,= per maand per kind toewijzen. Bevel tot verdeling 4.25 De vrouw heeft verzocht te bepalen dat partijen zijn overgegaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap door middel van feitelijke inbezitstelling. De man heeft zich aan dit verzoek gerefereerd. 4.26 Nu de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-ter Verordening rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels). 4.27 Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (HHV 1978) van toepassing. Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna alleen de nationaliteit van Syrië gemeenschappelijk in de zin van artikel 15 lid 1 HHV 1978. Zij hebben na de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd, namelijk Syrië. De gemeenschappelijke nationaliteit van partijen is die van een zogenaamd nationaliteitsland. Op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 2 aanhef en sub 2 aanhef en onder b HHV 1978 werd vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het gemeenschappelijke nationale recht van partijen, te weten het recht van Syrië, van toepassing op hun huwelijksvermogensregime. Dit recht is daarop nog steeds van toepassing. 4.28 De vrouw verzoekt partijen te bevelen over te gaan tot afwikkeling van het huwelijksvermogensregime volgens Syrisch recht met benoeming van een notaris en onzijdige personen volgens de wet. De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen, omdat dit op de wet gegrond is. Proceskosten 4.29 Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De rechtbank 5.1 spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum 1] 2014 in [plaats] , Syrië, met elkaar gehuwd; 5.2 bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarigen 1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] , Syrië op [geboortedag 1] 2016, 2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] , Syrië op [geboortedag 2] 2017; hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw; 5.3 bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de datum van deze beschikking ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen aan de vrouw bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 16,= (zestien euro) per maand per kind; 5.4 bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de vrouw vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de echtelijke woning, gelegen aan [adres] , [woonplaats] ; 5.5 beveelt, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschappelijke goederen van partijen ten overstaan van een notaris en benoemt [notaris] , notaris gevestigd te [woonplaats] , dan wel haar opvolger, waarnemer of plaatsvervanger, tot notaris ten overstaan van wie die verdeling zal plaatsvinden; 5.6 benoemt tot onzijdige personen mr. J.J.R. Albicher, advocaat te Roosendaal en mr. M.M.M. Heesmans, advocaat te Roosendaal, tot vertegenwoordiging van de man respectievelijk de vrouw indien deze niet meewerkt tot de verdeling; 5.7 compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.8 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Benjaddi, en, in tegenwoordigheid van mr. Tillie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/109028 · 2026-07-16
