Skip to content
Case Law · Rechtbank Zeeland-West-Brabant ·ECLI:NL:RBZWB:2026:5642 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 04-02-2026 (11785129 \ CV EXPL 25-3430 (E))

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Summary

Eiser vordert verwijdering, subsidiair inkorting, van twee leibomen en een haag van gedaagde omdat deze te dicht bij de erfgrens staan (5:42 BW). Volgens gedaagde kwalificeren de leibomen juridisch niet als bomen. Daarnaast beroept hij zich op verjaring, eerder gemaakte afspraken en zijn belang van privacy en uitzicht. De subsidiaire vordering wordt toegewezen.

How it connects

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Tilburg Zaaknummer: 11785129 \ CV EXPL 25-3430 Vonnis van 4 februari 2026, bij vervroeging in de zaak van [eisende partij] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eisende partij] , gemachtigde: mr. L.M. van den Broek, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, tegen [gedaagde partij] , te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , gemachtigde: mr. [gemachtigde] , echtgenote van [gedaagde partij] 1 De zaak in het kort [eisende partij] vordert primair verwijdering, subsidiair inkorting van de beukenhaag en twee leibomen van [gedaagde partij] , omdat deze volgens hem te dicht bij de erfgrens staan en te hoog zijn. Volgens [gedaagde partij] zijn de leibomen te kwalificeren als heg en staan deze daarom niet in de verboden zone. Verder is volgens [gedaagde partij] sprake van verjaring, hebben partijen afspraken gemaakt in afwijking van 5:42 BW en staat het belang van zijn privacy en uitzicht eraan in de weg dat de heg en bomen weggehaald of ingekort zouden moeten worden. De kantonrechter is van oordeel dat de leibomen kwalificeren als bomen en dat deze daarom net als de heg in de verboden zone staan. Ook de verweren van [gedaagde partij] kunnen niet slagen. De kantonrechter ziet geen reden om de beplantingen geheel te laten verwijderen, maar de subsidiaire vordering tot inkorting wordt wel toegewezen. Hieronder legt de kantonrechter dit oordeel uit. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - de conclusie van antwoord - de brief waarin is meegedeeld dat een plaatsopneming en mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling ter plaatse van 29 januari 2026, waarvan door de griffier een proces-verbaal is opgemaakt. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [gedaagde partij] is, samen met zijn echtgenote [gemachtigde] , eigenaar en bewoner van het perceel met woning aan het [adres 1] in [woonplaats] . In 2010 is [eisende partij] eigenaar geworden van het perceel aan de [adres 2] in [woonplaats] . Op dit perceel is toen een nieuwe woning gebouwd, die [eisende partij] heeft betrokken. Partijen zijn daarmee achterburen geworden van elkaar. De vele jaren die daaraan vooraf gingen hadden [gedaagde partij] en [gemachtigde] vrij uitzicht. 3.2. Tussen de percelen van [eisende partij] en [gedaagde partij] staat over de gehele lengte een erfafscheiding in de vorm van een hek. 3.3. [gedaagde partij] heeft in 2011, over de gehele lengte tussen de percelen, een beukenhaag geplant. Deze staat vlak tegen de erfafscheiding en steekt daar inmiddels bovenuit. Dit was ten tijde van het planten nog niet het geval. 3.4. In 2015 heeft [gedaagde partij] twee leibomen geplant. Deze staan op 64,5 centimeter van de erfafscheiding en steken daar inmiddels (ver) bovenuit. Dit was ten tijde van het planten nog niet het geval. De heg en de leibomen zijn inmiddels ook verweven met elkaar. 4 Het geschil 4.1. [eisende partij] vordert dat [gedaagde partij] ertoe wordt veroordeeld dat hij zijn beukenhaag en twee leibomen verwijdert, dan wel inkort tot de hoogte van de erfafscheiding tussen de percelen. Dit op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte daarvan en met een machtiging van de kantonrechter om de verwijdering of inkorting zelf te laten bewerkstelligen als [gedaagde partij] niet aan de veroordeling voldoet. Daarnaast vordert [eisende partij] veroordeling van [gedaagde partij] in de kosten. 4.2. [eisende partij] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de beukenhaag en leibomen van [gedaagde partij] te dicht tegen de erfgrens staan. Daarnaast komen ze boven de erfafscheiding uit en zijn ze dus te hoog. Ook heeft hij hinder van de overhangende takken van de beukenhaag, omdat hiervan takken en bladeren op zijn dak en zonnepanelen en in zijn tuin vallen. 4.3. [gedaagde partij] voert verweer. Hij voert daartoe aan dat de leibomen geen bomen zijn volgens de APV van [woonplaats] . Zij mogen dan ook op minimaal een halve meter van de erfgrens staan en daar is sprake van. Bovendien hebben partijen een mondelinge afspraak gemaakt die van de hoogte-regels afwijkt. Het verwijderen of inkorten van de heg en leibomen zou een ernstige privacyschending opleveren, omdat [eisende partij] daarmee zicht krijgt op de tuin van [gedaagde partij] en [gemachtigde] . Ook is volgens [gedaagde partij] sprake van verjaring. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling Afstand tot de erfgrens: juridisch kader 5.1. Het is op grond van de wet niet toegestaan om een heester of heg te hebben binnen een halve meter, of een boom binnen twee meter, vanaf de erfgrens met de buren (art. 5:42 lid 1 en 2 BW). Dit wordt ook wel de ‘verboden zone’ genoemd. De verboden zone is anders als volgens een verordening of plaatselijke gewoonte een kleinere afstand is toegelaten. Buren kunnen zich niet verzetten tegen een heg, heester of boom die niet hoger reikt dan de scheidsmuur tussen de erven (art. 5:42 lid 3 BW). Kwalificatie van de beukenhaag en de leibomen en de afstand tot de erfgrens 5.2. Op de mondelinge behandeling is naar voren gekomen dat tussen partijen discussie bestaat over waar de erfgrens precies loopt. Die discussie ziet echter slechts op enkele centimeters, en dit verschil in centimeters verandert niets aan het antwoord op de vraag of de beukenhaag en leibomen in de onder 5.1 genoemde verboden zone staan. Daarmee is dit punt voor deze procedure niet relevant en maakt het aldus geen onderdeel uit van de beoordeling. 5.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de beukenhaag als heg gekwalificeerd moet worden en dat deze dus op minimaal een halve meter van de erfgrens moet staan. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de beukenhaag daar niet aan voldoet. Dat betekent dat deze in de verboden zone staat. 5.4. De leibomen staan op 64,5 centimeter van de erfgrens, zo is op de mondelinge behandeling ter plaatse vastgesteld. Volgens [eisende partij] kwalificeren de leibomen als bomen en staan deze dus in de verboden zone. Voor bomen geldt immers dat deze op minimaal twee meter van de erfgrens moeten staan. Volgens [gedaagde partij] moeten de leibomen niet gekwalificeerd worden als bomen, maar als heg. Dit zou volgen uit de APV van [woonplaats] . Dat zou betekenen dat op grotere afstand dan een halve meter en dus niet in de verboden zone staan. 5.5. De APV van [woonplaats] bevat inderdaad een definitie van ‘boom’, maar deze definitie is van toepassing verklaard op een afdeling met bepalingen die zien op met name het kappen van bomen. De gemeente [woonplaats] heeft geen regels opgesteld die afwijken van art. 5:42 lid 2 BW. Naar het oordeel van de kantonrechter is de definitie in de APV daarom niet relevant voor de vraag of de leibomen in dit geval als bomen gekwalificeerd moeten worden. De wet zelf geeft geen definitie van de begrippen boom, heester of heg. De kantonrechter is van oordeel dat de leibomen gekwalificeerd moeten worden als bomen, omdat dit naar normaal spraakgebruik bomen zijn en vanwege het aangezicht van de betreffende leibomen die de kantonrechter zelf ter plaatse heeft waargenomen. Beide partijen hebben de leibomen in deze procedure, los van de juridische kwalificatie hiervan, zelf ook steeds aangeduid als ‘bomen’. Omdat vast staat dat de leibomen binnen twee meter van de erfgrens staan, staan deze dus net als de beukenhaag in de verboden zone. De hoogte van de beukenhaag en de leibomen 5.6. Dat de beukenhaag en leibomen in de verboden zone staan, betekent dat sprake is van een onrechtmatige toestand. [gedaagde partij] heeft aangegeven bereid te zijn om – als dat moet – de heg en bomen terug te snoeien tot aan het hek. Volgens art. 5:42 lid 3 BW kunnen buren zich niet verzetten tegen heggen en bomen die niet boven de erfafscheiding uitkomen. Dat betekent dat als [gedaagde partij] de heg en bomen inderdaad tot hekhoogte inkort en dat zo houdt, de primaire vordering van [eisende partij] naar het oordeel van de kantonrechter niet toewijsbaar is. Wel is de subsidiaire vordering tot het inkorten van de bomen en heg tot de hoogte van het hek tussen de percelen, op grond van het voorgaande, in principe toewijsbaar. 5.7. [gedaagde partij] heeft drie verweren gevoerd die volgens hem tot de conclusie leiden dat van het inkorten van de heg en bomen in dit geval moet worden afgezien. De kantonrechter zal die verweren hierna achtereenvolgens behandelen. Verjaring 5.8. De beukenhaag en leibomen zijn 15 en 11 jaar geleden geplant. Dat betekent volgens [gedaagde partij] dat hij door verjaring een erfdienstbaarheid heeft verkregen op grond waarvan [eisende partij] de aanwezigheid van de heg en bomen moet dulden. Op grond van de wet kan een erfdienstbaarheid worden verkregen na 10 jaar, maar daarvoor is ook bezit te goeder trouw vereist (art. 5:72 BW). Van dat laatste is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake, omdat zowel de beukenhaag als de leibomen vanaf het moment van planten al in de verboden zone staan. Daarnaast hebben beide partijen op de mondelinge behandeling beaamd dat de beplantingen niet al 10 jaar boven de erfafscheiding uitkomen. [eisende partij] had voor die tijd naar het oordeel van de kantonrechter geen reden om over deze beplantingen te klagen. Dit verweer kan dus niet slagen. Mondelinge overeenkomst 5.9. Daarnaast is volgens [gedaagde partij] een mondelinge overeenkomst tot stand gekomen met [eisende partij] . Tussen hen zou zijn afgesproken dat de leibomen mochten blijven staan, dat het deel van de beukenhaag waar de leibomen staan zijn hoogte mocht behouden en dat de rest van de beukenhaag teruggesnoeid zou worden tot iets boven het hek. [eisende partij] betwist dat deze afspraak is gemaakt. Hij heeft inderdaad ter compromis afgesproken dat de leibomen zouden mogen blijven staan, maar niet dat ook de heg ter hoogte van de leibomen even hoog mocht blijven. De leibomen en de heg zijn met elkaar vervlochten en vanaf het perceel van [eisende partij] zijn de leibomen helemaal niet te zien, omdat de heg ervoor staat. 5.10. Omdat [gedaagde partij] zich beroept op de inhoud van de gestelde mondelinge overeenkomst, is het ook aan hem om zijn stelling voldoende handen en voeten te geven. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft hij daar, gezien de gemotiveerde betwisting van [gedaagde partij] , niet aan voldaan. Omdat de afspraak mondeling is gemaakt zou zijn staat hiervan niets op papier. Dat is een keuze die aan partijen zelf is, maar omdat de gestelde afspraken van een volgens de wet onrechtmatige toestand afwijken, had het wel op de weg van [gedaagde partij] gelegen om de afspraken schriftelijk te bevestigen. [gedaagde partij] heeft daarnaast ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar een e-mailbericht van de gemachtigde van [eisende partij] aan [gedaagde partij] waarin zij spreekt over het in eerste instantie ‘dogen’ van de leibomen. Hoewel het voorstelbaar is dat [gedaagde partij] daar bepaalde verwachtingen aan heeft ontleend, betekent ‘dogen’ niet dat er toestemming is gegeven door [eisende partij] om de bomen te laten staan. ‘Dogen’ betekent juist dat er géén toestemming wordt gegeven, maar dat er vooralsnog niet op geacteerd zal worden. Bovendien ziet dit onderdeel enkel op de bomen en niet (ook) op de beukenhaag. De kantonrechter stelt vast dat gedaagden dienaangaande geen bewijsaanbod hebben gedaan en zal dan ook geen verdere bewijslevering toelaten. Ook dit verweer kan naar het oordeel van de kantonrechter dus niet slagen. Privacy en zonnepanelen 5.11. Tot slot heeft [gedaagde partij] een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW). Het perceel van [gedaagde partij] en [gemachtigde] ligt een meter hoger dan dat van [eisende partij] . Een deel van hun huis ligt nog hoger. Wanneer de beukenhaag en leibomen ingekort moeten worden zal [eisende partij] vanuit zijn bovenramen rechtstreeks in de tuin en een deel van de woning van [gedaagde partij] en [gemachtigde] kunnen kijken. Daarnaast heeft [eisende partij] een garage tegen de erfafscheiding geplaats en in 2024 ook zonnepanelen geplaatst op zijn garage. [gedaagde partij] en [gemachtigde] vinden dit een lelijk aangezicht. Volgens [eisende partij] wonen zij geheel op de benedenverdieping en zullen zij dus niet in de tuin en woning van [gedaagde partij] kijken. De garage en zonnepanelen zijn rechtmatig geplaatst. Onderhoud aan het boeiboord van de achterkant van de garage wordt [eisende partij] onmogelijk gemaakt omdat zij daar door alle takken niet bij kunnen. 5.12. De kantonrechter ziet in de privacy en het uitzicht van [gedaagde partij] en [gemachtigde] onvoldoende reden om van de wet af te wijken. Hoewel begrijpelijk is dat zij het vervelend vinden dat zij na zoveel jaar hun vrij uitzicht en een deel van hun privacy zijn verloren, bestaat er geen recht op volledige privacy of een permanent vrij uitzicht. Het hebben van (achter)buren is aan de orde van de dag, net als het hebben van zicht op elkaars tuin en woning. Men heeft (het merken van) elkaars aanwezigheid over en weer nu eenmaal van elkaar te dulden. Ook dit verweer slaagt dus niet. 5.13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de subsidiaire vordering wordt toegewezen. [gedaagde partij] moet zijn beukenhaag en leibomen inkorten tot aan de hoogte van de erfafscheiding. Dwangsom en machtiging 5.14. [eisende partij] vordert een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte daarvan als [gedaagde partij] niet aan de veroordeling zou voldoen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de vordering op dit onderdeel worden toegewezen. [gedaagde partij] heeft eerder de bereidheid uitgesproken om de beukenhaag in te korten, maar heeft daar tot nu toe geen uiting aan gegeven. Daarnaast is € 100,00 in dit geval een reëel bedrag. Wel zal de kantonrechter de dwangsom maximeren tot € 2.500,00. 5.15. Daarnaast vordert [eisende partij] machtiging van de kantonrechter om het inkorten van de beukenhaag en leibomen zelf te (laten) bewerkstelligen als [gedaagde partij] niet aan de veroordeling zou voldoen. Naar het oordeel van de kantonrechter vormt dat echter een te grote inbreuk op het eigendomsrecht van [gedaagde partij] en zou een dergelijke machtiging praktisch deels onuitvoerbaar zijn, omdat [eisende partij] niet alle onderdelen van de heg en bomen vanaf zijn perceel kan bereiken. De dwangsom op zichzelf is naar het oordeel van de kantonrechter een voldoende prikkel tot nakoming. De kantonrechter zal de vordering op dit punt daarom afwijzen. Buitengerechtelijke kosten 5.16. [eisende partij] vordert een bedrag van € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, omdat zij haar vordering uit handen heeft gegeven aan ARAG, die werkzaamheden heeft verricht tot het buitenrechtelijk verkrijgen van nakoming van de vordering. Volgens [gedaagde partij] moet dit onderdeel van de vordering worden afgewezen omdat [eisende partij] voor deze kosten bij ARAG verzekerd zou zijn. 5.17. Voor het verschuldigd zijn van buitengerechtelijke incassokosten is vereist dat daadwerkelijk incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden (Hoge Raad 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405). [eisende partij] heeft dat gesteld en voldoende onderbouwd door een briefwisseling en een mailwisseling met [gedaagde partij] en [gemachtigde] te overleggen, waarin meermaals tot nakoming van de vordering is gemaand. Dat betekent dat (voldoende) buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Dat [eisende partij] wordt bijgestaan door ARAG betekent, gezien bovenstaand juridisch kader waarin enkel het daadwerkelijk verrichten van werkzaamheden wordt vereist, niet dat hij geen aanspraak kan maken op buitengerechtelijke incassokosten. Bovendien vermeldt de polis van rechtsbijstandsverzekeraars doorgaans dat een verzekerde verplicht is de eventueel ontvangen buitengerechtelijke incassokosten af te dragen aan de verzekeraar. Het gevorderde bedrag is het laagst mogelijke bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat ook redelijk, gezien de relatief lage kosten die gemoeid zouden zijn met het snoeien van de heg en bomen. De kantonrechter zal het gevorderde bedrag van € 48,40 daarom toewijzen. Proceskosten 5.18. [gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 146,14 - griffierecht € 90,00 - salaris gemachtigde € 120,00 (3 punten × € 40,00) - nakosten € 20,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 376,14 6 De beslissing De kantonrechter 6.1. veroordeelt [gedaagde partij] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de volledige beukenhaag en leibomen die zich bevinden binnen de verboden zone in te korten en ingekort te houden tot aan de hoogte van de huidige erfafscheiding, 6.2. veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt, 6.3. veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 376,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.4. veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van een bedrag aan [eisende partij] van € 48,40 voor vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, 6.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 6.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Van Onzenoort en, bij vervroeging, in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.

Similar Content