Skip to content
Case Law · Rechtbank Overijssel ·ECLI:NL:RBOVE:2026:4087 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Overijssel, 30-06-2026 (12056359 \ CV EXPL 26-147)

Rechtbank Overijssel
Summary

De vraag is of gedaagde de boete voor het reizen zonder geldig vervoersbewijs, met rente en kosten, aan NS moet betalen.

Full text

RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Zwolle Zaaknummer: 12056359 \ CV EXPL 26-147 Vonnis van 30 juni 2026 in de zaak van NS REIZIGERS B.V. , te Utrecht, eisende partij, hierna te noemen: NS, gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , te [woonplaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: mr. E.J. Bijl. 1 Samenvatting 1.1 [gedaagde] was tijdens een treinrit niet in het bezit van een geldig vervoersbewijs. Daarom voldeed [gedaagde] niet aan de verplichtingen in het Besluit Personenvervoer 2000 en overtrad [gedaagde] de Wet op Personenvervoer 2000. [gedaagde] is daarom volgens NS de ritprijs van € 10,60, de wettelijke verhoging van € 50,00 en de administratiekosten van € 15,00 verschuldigd. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij heeft ingecheckt bij de verkeerde vervoerder (Arriva). Volgens [gedaagde] heeft de conducteur geen boete in rekening gebracht en zou zij een betaalverzoek ontvangen voor de ritprijs. Deze heeft zij nooit ontvangen. NS heeft dit weersproken. De vraag is of [gedaagde] de boete, met rente en kosten, aan NS moet betalen. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de boete, met rente, en de proceskosten moet betalen. De administratiekosten hoeft [gedaagde] niet te betalen. 2 De procedure 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, - de conclusie van antwoord, - de conclusie van repliek tevens houdende akte vermindering van eis, - de conclusie van dupliek. 2.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 3 Het geschil 3.1 NS vordert – samengevat en na vermindering van eis - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 65,00, vermeerderd met rente en kosten. 3.2 NS legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft op 20 augustus 2025 gereisd met de NS van Arnhem Centraal naar Deventer. [gedaagde] was tijdens deze reis niet in het bezit van een geldig vervoersbewijs. [gedaagde] voldeed daarom niet aan de verplichtingen van het Besluit Personenvervoer 2000 en zij overtrad de Wet op Personenvervoer 2000. [gedaagde] is daarom volgens NS, naast de ritprijs van € 10,60, de wettelijke verhoging van € 50,00, de administratiekosten van € 15,00 verschuldigd en de bijkomende kosten van deze procedure verschuldigd. 3.3 [gedaagde] voert verweer. 3.4 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling [gedaagde] moet de boete (de wettelijke verhoging) betalen 4.1 [gedaagde] stelt dat zij voor deze reis (abusievelijk) heeft ingecheckt bij Arriva. Tijdens een controle liet de conducteur weten dat zij weliswaar had ingecheckt, maar bij de verkeerde vervoerder. Omdat voor de conducteur duidelijk sprake was van een vergissing, bracht hij geen boete bij [gedaagde] in rekening. Bij de controle kon [gedaagde] geen nieuw kaartje kopen bij de conducteur, omdat haar telefoon leeg was. Om deze reden kregen zij geen vervangend vervoersbewijs. Daarom zou [gedaagde] een bericht ontvangen van NS met een betaalverzoek voor de ritprijs van € 10,60. [gedaagde] heeft echter nooit een brief of betaalverzoek van NS ontvangen. Ter legitimatie heeft [gedaagde] haar rijbewijs getoond aan de conducteur. 4.2 De kantonrechter oordeelt als volgt. [gedaagde] beroept zich op een mededeling van de conducteur tijdens de treinreis. NS stelt hierover namelijk dat de conducteur [gedaagde] tijdens de treinreis de mogelijkheid heeft geboden om ter plekke de ritprijs met wettelijke verhoging te voldoen, maar [gedaagde] heeft nagelaten gebruik te maken van deze mogelijkheid. De conducteur heeft [gedaagde] derhalve een uitstel van betaling van de vordering gegeven. De conducteur heeft [gedaagde] gevraagd naar haar woonadres, zodat het betalingsverzoek naar haar adres kon worden toegezonden. [gedaagde] gaf hierbij het adres [adres 1] op. De conducteur heeft [gedaagde] vervolgens een vervangend vervoersbewijs gegeven voor de treinreis. NS heeft, naar oordeel van de kantonrechter, de stelling van [gedaagde] in haar conclusie van repliek voldoende gemotiveerd weersproken. [gedaagde] heeft vervolgens in haar conclusie van dupliek alleen weersproken dat zij het adres is [adres 1] niet heeft opgegeven en dat zij geen vervangend vervoersbewijs van de conducteur heeft gekregen. Dat is onvoldoende om aan te nemen dat de conducteur aan [gedaagde] de mededeling heeft gedaan dat zij een betaalverzoek zou ontvangen voor alleen de ritprijs. Omdat [gedaagde] heeft erkend dat zij tijdens haar treinrit niet in het bezit was van een geldig vervoersbewijs, is zij op grond van artikel 48 lid 2 juncto lid 3 van het Besluit personenvervoer 2000, de wettelijke verhoging van € 50,00 verschuldigd. De administratiekosten 4.3 NS vordert op grond van artikel 48 lid 6 van het Besluit personenvervoer 2000 de administratiekosten van € 15,00. Volgens dit artikellid is [gedaagde] de administratiekosten pas verschuldigd als zij eerst de gelegenheid heeft gekregen om de opgelegde boete – kosteloos – binnen veertien dagen aan NS te betalen. [gedaagde] stelt dat zij geen brieven van NS heeft ontvangen. In dit kader stelt NS dat zij [gedaagde] op 22 augustus 2025 en 8 september 2025 heeft aangemaand om de vordering binnen veertien dagen te betalen. Wegens systeemtechnische redenen beschikt NS niet over een kopie van deze brieven. De kantonrechter kan daarom niet beoordelen of NS aan de wettelijke vereisten heeft voldaan. De kantonrechter zal daarom de gevorderde administratiekosten van € 15,00 als niet onderbouwd afwijzen. De bijkomende (proces)kosten 4.4 [gedaagde] stelt dat zij rauwelijks is gedagvaard, omdat zij voorafgaand de procedure geen enkele brief of betaalverzoek van NS heeft ontvangen. De dagvaarding is het eerste stuk dat zij ontving. Na ontvangt van de dagvaarding heeft [gedaagde] de vermeende brieven opgevraagd bij LAVG, evenals haar gemachtigde nadien op 16 februari 2026. Bij haar e-mail van 18 februari 2026 stuurde LAVG de dagvaarding (nogmaals) en een pfd-bestand genaamd ‘Sommatiebrief’. Volgens LAVG betreft dit een sommatiebrief die zij op 12 november 2025 zou hebben verzonden naar [gedaagde]. [gedaagde] betwist dit en voor zover relevant merkt zij op dat volgens de digitale informatie van het pdf-bestand bij voornoemde e-mail, het bestand is aangemaakt op 18 februari 2026 en dus niet op of voor 21 november 2025. 4.5 NS stelt dat Bos Incasso [gedaagde] meermaals heeft aangemaand. Aangezien deze brieven niet hebben geleid tot betaling, is de vordering overgedragen aan LAVG. LAVG heeft [gedaagde] vervolgens op 12 november 2025 aangemaand tot betaling. Deze brief is gezonden naar het adres [adres 2]. NS merkt op dat raadpleging van de Basisregistratie Personen inmiddels heeft geleerd dat [gedaagde] niet woonachtig is op het adres in [adres 1], maar op het adres in [adres 2]. 4.6 De kantonrechter overweegt als volgt. Met toepassing van de zogenoemde ontvangsttheorie, zoals opgenomen in artikel 3:37 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW), heeft een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring alleen werking wanneer vast staat dat die verklaring de betrokken persoon ook daadwerkelijk heeft bereikt. Als ontvangt van de verklaring wordt betwist, moet de afzender feiten en omstandigheden stellen – en zo nodig te bewijzen – waaruit volgt dat de verklaring door haar is verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar kon worden bereikt én dat de verklaring is aangekomen. 4.7 De kantonrechter is van oordeel dat NS gegeven de ontvangsttheorie voldoende heeft onderbouwd dat de verklaring van 12 november 2025 bij [gedaagde] is aangekomen. NS heeft deze aanmaning overgelegd en hierop is te zien dat de aanmaning is verstuurd naar het adres waar [gedaagde] stond ingeschreven. [gedaagde] heeft niet betwist dat dit adres niet juist is en het had op haar weg gelegen om nader te motiveren dat zij bijvoorbeeld geen post kon ontvangen op dit adres. De enkele stelling dat zij de verklaringen van NS niet heeft ontvangen is onvoldoende in het licht van de door NS overgelegde brief van 12 november 2025. De stelling van [gedaagde], dat het pdf-bestand met de aanmaning van 12 november 2025 pas op 18 februari 2026 is aangemaakt, is voor de kantonrechter niet relevant. Het feit dat het pdf-bestand dat door NS aan [gedaagde] is overgelegd pas op 18 februari 2026 is aangemaakt zegt niets over de datum waarop de brief door NS is gemaakt en verzonden. De kantonrechter is daarom van oordeel dat NS [gedaagde] voor de dagvaarding voldoende de gelegenheid heeft gegeven om de vordering zonder (proces)kosten te betalen. Omdat betaling is uitgebleven, heeft NS (proces)kosten moeten maken voor de procedure en deze komen voor rekening van [gedaagde]. 4.8 [gedaagde] is te laat met betalen van de boete. [gedaagde] is daarom de wettelijke rente over de boete verschuldigd. De wettelijke rente wordt toegewezen over € 50,00 vanaf 23 december 2025 tot de dag van volledige betaling. 4.9 [gedaagde] is (grotendeels) in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NS worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 120,78 - griffierecht € 139,00 - salaris gemachtigde € 86,00 (2 punten × € 43,00) - nakosten € 21,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 367,28. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1 veroordeelt [gedaagde] om aan NS te betalen een bedrag van € 50,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 23 december 2025, tot de dag van volledige betaling, 5.2 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 367,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.4 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.

Similar Content