# Rechtbank Overijssel, 30-06-2026 (12017346 \ CV EXPL 25-3633)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Overijssel
- Identifier: ECLI:NL:RBOVE:2026:4088
- Date: 2026-06-30
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBOVE%3A2026%3A4088
- Canonical: https://overview.legal/posts/109055
- Topics: Application Scope: Temporal and Territorial Dimensions

## Summary

Eiser is in dienst geweest bij gedaagde. Partijen hebben een geschil over of eiser door gedaagde juist was ingeschaald. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is geweest; eiser had ingeschaald moeten worden in de functie van Schilder 2 en loongroep 4 van de cao SAVG. Dat betekent dat gedaagde te weinig loon aan eiser heeft betaald. Anders dan gedaagde stelt, heeft eiser daarover wel tijdig geklaagd en kan hij het loon wat hij had moeten krijgen met terugwerkende kracht vorderen. De hoogte van het door eiser gevorderde loon is door gedaagde gemotiveerd betwist. Volgens haar berekening moet zij maximaal € 7.523,61 aan eiser betalen. Eiser heeft dat verder niet (gemotiveerd) weersproken, waardoor de kantonrechter aansluit bij het door gedaagde berekende bedrag. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling daarvan, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter ziet aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot nihil en de proceskosten te compenseren.

## Full text

RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Enschede Zaaknummer: 12017346 \ CV EXPL 25-3633 Vonnis van 30 juni 2026 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. A.P.E. Hietbrink, tegen [gedaagde] B.V. , te [woonplaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: mr. S.J.M. Masselink. De zaak in het kort [eiser] is in dienst geweest bij [gedaagde]. Partijen hebben een geschil over of [eiser] door [gedaagde] juist was ingeschaald. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is geweest; [eiser] had ingeschaald moeten worden in de functie van Schilder 2 en loongroep 4 van de cao SAVG. Dat betekent dat [gedaagde] te weinig loon aan [eiser] heeft betaald. Anders dan [gedaagde] stelt, heeft [eiser] daarover wel tijdig geklaagd en kan hij het loon wat hij had moeten krijgen met terugwerkende kracht vorderen. De hoogte van het door [eiser] gevorderde loon is door [gedaagde] gemotiveerd betwist. Volgens haar berekening moet zij maximaal € 7.523,61 aan [eiser] betalen. [eiser] heeft dat verder niet (gemotiveerd) weersproken, waardoor de kantonrechter aansluit bij het door [gedaagde] berekende bedrag. [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling daarvan, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter ziet aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot nihil en de proceskosten te compenseren. De motivering van deze beslissing volgt hierna. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, - de conclusie van antwoord, - het bericht van 22 mei 2026 met producties van [eiser], - de mondelinge behandeling van 4 juni 2026, - de spreekaantekeningen aan de zijde van [eiser], - de spreekaantekeningen aan de zijde van [gedaagde]. 1.2 Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1 [gedaagde] houdt zich onder andere bezig met het uitzenden van personeel. 2.2 Partijen hebben met elkaar een arbeidsovereenkomst gesloten ingaande op 30 maart 2020. In de arbeidsovereenkomst staat dat het een uitzendovereenkomst betreft in de zin van artikel 7:690 Burgerlijk Wetboek (BW) en wordt verwezen naar de ABU cao. 2.3 [gedaagde] heeft [eiser] vervolgens uitgeleend aan [bedrijf] als schilder met een bruto uurloon van € 16,59. 2.4 [eiser] is per 23 oktober 2020 uit dienst getreden bij [gedaagde]. 2.5 Op 27 april 2021 is [eiser] opnieuw bij [gedaagde] in dienst getreden en weer uitgeleend aan [bedrijf] als schilder tegen een bruto uurloon van € 16,59. De arbeidsovereenkomst is daarna meerdere keren verlengd. 2.6 [eiser] heeft van [gedaagde] gedurende zijn dienstverband zogenoemde uitzendbevestigingen ontvangen. Daarin staan de voorwaarden waaronder [eiser] wordt uitgeleend aan de opdrachtgever (steeds [bedrijf]). 2.7 Het bruto uurloon wat [eiser] ontvangt, komt overeen met loongroep 2 van de cao Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf (SAVG). Loongroep 2 hoort bij de functieomschrijving ‘Schilder 1’ volgens de cao SAVG. Bij Schilder 1 staat, voor zover hier van belang, de volgende omschrijving: “(…) De Schilder 1 werkt altijd samen met een ervaren schilder en volgt diens aanwijzingen. Hij ontvangt gedetailleerde werkopdrachten en instructies (tot op handelingsniveau) en staat permanent onder toezicht. Nadruk van de functie ligt op de uitvoerende handelingen van het schilderwerk en van aanverwante werkzaamheden zoals eenvoudige houtrotreparatie, glaszetwerk of behangen . (…) Kennis van schilderen op MBO niveau (MBO 1). (…)” 2.8 De cao SAVG kent ook de functieomschrijving ‘Schilder 2’, waarbij loongroep 4 hoort. Bij Schilder 2 staat, voor zover hier van belang, de volgende omschrijving: “(…) De Schilder 2 werkt op basis van eenduidige werkopdrachten en instructies van een voorman/leidinggevende, onder regelmatig toezicht (een of enkele malen per dag). De voorman/ leidinggevende heeft de eindverantwoordelijkheid voor de in- en externe oplevering. Alle voorbereidingen voor het werk zijn getroffen, zoals de aanwezigheid van materialen en hulpmiddelen en de inrichting van de bouwplaats. De Schilder 2 voert de hem opgedragen werkzaamheden zelfstandig uit. Tot zijn werkgebied behoren alle vormen van uitvoerend schilderwerk. Daarnaast is hij in meerdere of mindere mate inzetbaar op aanverwante werkgebieden als houtrotreparatie, glaszetten en behangen, eveneens in uitvoerende zin en op basis van eenduidige instructies. (…) Kennis van schilderen op MBO niveau (MBO 2). (…)” 2.9 Begin 2025 heeft [eiser] bij [gedaagde] navraag gedaan over hoe hij is ingeschaald. [gedaagde] heeft hem toen verteld dat hij is ingeschaald in loongroep 2 trede midden van de cao SAVG. 2.10 [eiser] heeft zijn arbeidsovereenkomst op 9 mei 2025 opgezegd. 3 Het geschil 3.1 [eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 31.893,60 bruto aan loon, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van 50%, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. 3.2 [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] hem vanaf zijn indiensttreding in 2020 in een onjuiste functie en loonschaal heeft ingedeeld. Gelet op het door hem behaalde diploma (Schilder MBO niveau 2 (2012)), zijn werkervaring en de taken die hij bij [bedrijf] verrichtte, was hij volgens de cao SAVG aan te merken als Schilder 2 en had hij in loongroep 4 (trede midden) ingedeeld moeten worden in plaats van loongroep 2 (trede midden). Als gevolg daarvan heeft [eiser] jarenlang te weinig loon betaald gekregen. [gedaagde] moet alsnog het correcte loon aan hem nabetalen. Omdat [gedaagde] dat niet heeft gedaan, is zij de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over het te weinig betaalde loon verschuldigd, aldus [eiser]. 3.3 [gedaagde] betwist dat zij vanaf het begin tot het einde van het dienstverband van [eiser] te weinig loon heeft betaald. [eiser] heeft volgens [gedaagde] bij zijn sollicitatie zelf aangegeven wat hij wilde verdienen, wat overeenkwam met het loon uit loongroep 2. [gedaagde] betwist dat [eiser] over het diploma en de kwaliteiten beschikt die passen bij de functie van Schilder 2 en daarom recht had op het loon uit loongroep 4. Daarnaast is de berekening die [eiser] van het loon heeft gemaakt op meerdere punten onjuist, heeft hij niet aan de klachtplicht van artikel 6:89 BW voldaan en kan een inlenersbeloning volgens de cao ABU nooit met terugwerkende kracht worden aangepast. De vordering moet daarom volgens [gedaagde] worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 3.4 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Toepasselijke cao 4.1 Het gaat in deze zaak over of [eiser] door [gedaagde] verkeerd is ingeschaald. In de arbeidsovereenkomsten die partijen hebben gesloten staat dat de cao ABU van toepassing is. In de uitzendbevestigingen die [gedaagde] aan [eiser] heeft gestuurd, wordt daarnaast ook verwezen naar twee andere cao’s, namelijk de cao SAVG en de cao Afbouw. De cao ABU heeft geen loonschalen. De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] daarom voor wat betreft de inschaling de cao SAVG volgt. Voor de beantwoording van de vraag of [eiser] verkeerd is ingeschaald, moet dan ook naar die cao gekeken worden. Inschaling 4.2 De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij indiensttreding ingeschaald had moeten worden in de functie van Schilder 2 en loongroep 4. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt. 4.3 Allereerst is volgens de kantonrechter van belang dat [eiser] beschikte over een MBO-diploma Schilder niveau 2, wat overeenkomt met het werk- en denkniveau van een Schilder 2 volgens de functieomschrijving (zie 2.8). [eiser] heeft een kopie van zijn diploma in het geding gebracht. Daarnaast heeft hij zijn cv in het geding gebracht, waarop staat dat hij over het diploma beschikte. [gedaagde] betwist dat zij het diploma van [eiser] heeft ontvangen, maar niet dat zij het cv van [eiser] bij zijn sollicitatie heeft gekregen. Dat betekent dat [gedaagde] van het diploma op de hoogte was of had kunnen zijn. 4.4 Uit het cv blijkt ook dat [eiser] vanaf 2009 werkzaam is geweest bij meerdere schildersbedrijven. Tegen die achtergrond kan niet worden gezegd dat [eiser] een onervaren of beginnend schilder was. Hij zou dus de werkzaamheden als genoemd in de functieomschrijving van Schilder 2 moeten kunnen uitvoeren. Toch wordt door [gedaagde] betoogd dat [eiser] onvoldoende functioneert om als Schilder 2 te kunnen worden aangemerkt. Zij heeft daarbij verwezen naar een e-mail van [bedrijf]. Daaruit maakt de kantonrechter op dat [eiser] volgens [bedrijf] meestal werd aangestuurd en hij niet snel genoeg werkte. Het aantal keren dat [eiser] alleen op een project heeft gewerkt, is volgens [bedrijf] op een hand te tellen. Dat betekent alleen nog niet dat [eiser] niet aan te merken was als een Schilder 2. Uit de functieomschrijving van Schilder 2 volgt dat de schilder opgedragen werkzaamheden zelfstandig moet kunnen uitvoeren, wat gebeurt onder instructie en regelmatig toezicht van een voorman of leidinggevende. Dat [eiser] niet over die mate van zelfstandigheid beschikte, is door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. Verder doet de snelheid van [eiser] ook niet direct af aan het aangemerkt kunnen worden als een Schilder 2, nu de functieomschrijving daarover niets vermeld. [gedaagde] en [bedrijf] hebben nooit functioneringsgesprekken met [eiser] gevoerd, waardoor niets over zijn functioneren is vastgelegd. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat hij voldoende functioneerde om als Schilder 2 te worden aangemerkt. 4.5 [gedaagde] heeft tot slot nog aangevoerd dat [eiser] bij zijn sollicitatie in 2020 zelf heeft aangegeven dat hij € 16,59 wilde verdienen, wat volgens [gedaagde] overeenkomt met loongroep 2. Ook al zou dat zo zijn (wat [eiser] betwist), dan is dat volgens de kantonrechter niet van belang. Het is de taak van [gedaagde] om haar werknemers juist in te schalen en ze op de cao te wijzen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Hoogte loonvordering 4.6 [eiser] vordert een bedrag van € 31.893,60 bruto aan loon. [gedaagde] heeft de hoogte van dat bedrag betwist. Volgens haar klopt de berekening van [eiser] niet, omdat hij de periode heeft meegerekend waarin hij niet voor [gedaagde] werkte (23 oktober 2020 tot en met 26 april 2021), hij gelet op de cao SAVG slechts tot trede 5 van loongroep 4 had kunnen doorgroeien, hij zijn onbetaalde verlofperioden niet in mindering heeft gebracht en het loon tot week 27 van 2025 wordt berekend terwijl [eiser] maar tot week 19 van 2025 heeft gewerkt. Dit is verder niet gemotiveerd door [eiser] weersproken. Hij erkent dat zijn berekening niet klopt. [gedaagde] heeft met inachtneming van de door haar genoemde punten een eigen berekening gemaakt, waaruit volgt dat zij € 7.523,61 bruto aan loon nog moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat de berekening van [gedaagde] beter aansluit bij de werkelijkheid en wijst dat bedrag daarom toe. Daarbij merkt de kantonrechter op dat zij terzijde laat dat [eiser] zijn arbeidsovereenkomst op 9 mei 2025 heeft opgezegd en hij eigenlijk nog een opzegtermijn had. [eiser] heeft namelijk niet geprotesteerd tegen dat [gedaagde] het dienstverband per direct wilde beëindigen, hij heeft zich ook niet beschikbaar gesteld en had bovendien naar eigen zeggen al op 19 mei 2025 een nieuwe baan. Klachtplicht 4.7 [gedaagde] heeft het verweer gevoerd dat [eiser] te laat heeft geklaagd over zijn inschaling. De klachtplicht (zoals bedoeld in artikel 6:89 BW) houdt in dit geval in dat [eiser] geen beroep meer kan doen op een gebrek in een prestatie die [gedaagde] aan hem verschuldigd is, als hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt heeft geklaagd. 4.8 Naar oordeel van de kantonrechter gaat het beroep van [gedaagde] op de klachtplicht niet op. Daarbij is van belang dat de arbeidsovereenkomsten, de loonspecificaties en de uitzendbevestigingen niet vermelden dat [eiser] de functie van Schilder 1 had en in loongroep 2 was ingeschaald. Op een aantal van de uitzendbevestigingen staat zelfs een verkeerde loongroep aangegeven (loongroep 3). [eiser] ging ervan uit dat [gedaagde] de cao goed toepaste. Pas toen hij begin 2025 bij [gedaagde] navraag deed over zijn inschaling, heeft hij de cao erop nageslagen en werd duidelijk dat hij te laag was ingeschaald. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] in de gegeven omstandigheden binnen bekwame tijd - vanaf het moment dat hij ontdekte dat hij te weinig loon ontving - heeft geprotesteerd als bedoeld in artikel 6:89 BW. Het nadeel dat [gedaagde] zegt te ondervinden van dat [eiser] pas in 2025 over zijn loon heeft geklaagd, namelijk dat zij het hogere loon niet meer kan doorbelasten aan de klant, komt voor [gedaagde] haar eigen rekening en risico. Het beroep van [gedaagde] op schending van de klachtplicht wordt daarom verworpen. Terugwerkende kracht 4.9 Door [gedaagde] is verder het verweer gevoerd dat [eiser] geen aanspraak kan maken op nabetaling van het hogere loon, omdat artikel 16 lid 8 van de cao ABU bepaalt dat een inlenersbeloning niet met terugwerkende kracht wordt aangepast. Getwijfeld kan worden of dat artikel in deze kwestie wel van toepassing is, omdat [gedaagde] voor wat betreft de inschaling gebruik maakt van de cao SAVG. Wat daar ook van zij, blijkt uit artikel 16 lid 8 van de cao ABU dat wat daarin is bepaald niet opgaat als de uitzendonderneming zich niet aantoonbaar heeft ingespannen voor een correcte vaststelling van de inlenersbeloning. De kantonrechter is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is. Niet gebleken is namelijk dat [gedaagde] voorziet in een proces waarmee zij zich ervan verzekert dat de inlenersbeloning correct wordt vastgesteld, nu de ervaring en het diploma van [eiser] niet is meegenomen bij de inschaling. Dat betekent dat [eiser] met terugwerkende kracht het te weinig betaalde loon vastgesteld op € 7.523,61 kan terugvorderen. Wettelijke rente en wettelijke verhoging 4.10 [eiser] heeft wettelijke rente over het te weinig betaalde loon gevorderd. Direct na afloop van het tijdvak waarover loon verschuldigd is, is de werkgever, zonder nadere ingebrekestelling, in verzuim, zodat vanaf die datum wettelijke rente verschuldigd is. De gevorderde wettelijke rente zal daarom worden toegewezen, zoals vermeld in de beslissing. 4.11 De wettelijke verhoging (artikel 6:265 BW) is bedoeld als een prikkel voor de werkgever om het loon op tijd te betalen. In dit geval is er geen sprake van te late betaling van het loon, maar van een geschil over de inschaling en daarmee de hoogte van het te betalen loon. Dat het standpunt van [gedaagde] over de inschaling wordt verworpen, betekent niet dat sprake is van een onredelijke opstelling of betalingsonwil. De kantonrechter ziet daarom aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. Buitengerechtelijke incassokosten 4.12 [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 908,93 worden toegewezen. Proceskosten 4.13 Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.523,61 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling, 5.2 veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 908,93 aan buitengerechtelijke kosten, 5.3 compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.4 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.5 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/109055 · 2026-07-16
