Skip to content
Case Law · Rechtbank Oost-Brabant ·ECLI:NL:RBOBR:2026:4737 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Oost-Brabant, 03-07-2026 (25/3636)

Rechtbank Oost-Brabant
Summary

WOZ. Vergoeding taxatierapport van € 10,69 o.b.v. tijdsinvestering van 10 minuten. Belanghebbende maakt niet aannemelijk dat zijn taxateur 2 uur aan het rapport heeft gewerkt. De heffingsambtenaar heeft voldoende toegelicht waarom de tijdsinvestering van de taxateur 10 minuten bedraagt. Geen afronding van de tijdsinvestering naar een half uur, omdat dit tot een zeer forse overcompensatie zou leiden. Tarief van € 53 is overeenkomstig de Richtlijn inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties die nog gold toen uitspraak op bezwaar werd gedaan. Beroep ongegrond.

How it connects

Full text

RECHTBANK OOST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/3636 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende (gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar), en de heffingsambtenaar van de gemeente Land van Cuijk, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de hoogte van de door de heffingsambtenaar toegekende vergoeding voor de proceskosten die belanghebbende in de bezwaarfase heeft gemaakt. 1.1. De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 25 februari 2025 de waarde van de onroerende zaak van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld. Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen opgelegd. 1.2. De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 11 november 2025 het bezwaar gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de onroerende zaak verlaagd en een proceskostenvergoeding toegekend. 1.3. Het nieuwe WOZ bureau B.V. (HNWB) heeft namens belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. 1.4. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.5. Belanghebbende heeft op het verweerschrift gereageerd met een conclusie van repliek. 1.6. De heffingsambtenaar heeft op de conclusie van repliek gereageerd met een conclusie van dupliek. 1.7. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Feiten 2. HNWB heeft in de bezwaarfase namens belanghebbende een taxatierapport van Woning Waarderingsmeesters ingediend (hierna: het taxatierapport). Dit rapport is opgesteld onder verantwoordelijkheid van en ondertekend door de heer [naam]. Beoordeling door de rechtbank 3. Belanghebbende is het niet eens met de door de heffingsambtenaar toegekende vergoeding van € 10,69 voor het in overweging 2. genoemde taxatierapport. De WOZ-waarde van de onroerende zaak en andere onderdelen van de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding zijn in beroep niet (meer) in geschil. 4. De heffingsambtenaar heeft de hoogte van de proceskostenvergoeding voor het taxatierapport in de uitspraak op bezwaar als volgt gemotiveerd: “ Een bedrag voor het taxatierapport van € 10,69 (niet-inpandige opname woning: € 53,00 x 1/6 uur + 21% btw). Voor de grondslag van deze berekening verwijs ik u naar de jurisprudentie onder kenmerk ECLI:NL:GHDHA:2025:1226. ” 5. Belanghebbende is het niet eens met de door de heffingsambtenaar gehanteerde tijdsinvestering van (1/6e uur dus) 10 minuten en het gehanteerde uurtarief van € 53,00. Belanghebbende is het verder wel eens met de andere uitgangspunten van de heffingsambtenaar, dus dat sprake is van een niet-inpandige opname van een woning en dat de totale vergoeding moet worden vermeerderd met 21% btw. 5.1. De tijdsinvestering bedraagt volgens belanghebbende 2 uur, zoals volgt uit de overgelegde factuur van Woning Waarderingsmeesters. Belanghebbende wijst erop dat het taxatierapport meer omvat dan alleen een korte controle of geautomatiseerde berekeningen. Het taxatierapport geeft een gedegen en volledig beeld van de voorgestelde waarde, onder andere door een analyse van de referentietransacties, KOUDV(L)-correcties, foto’s en een integrale waardering. Belanghebbende zegt dat bij de totstandkoming van dit taxatierapport daadwerkelijk tijd is besteed aan het selecteren, analyseren en corrigeren van de referenties en het verwerken van de door belanghebbende aan zijn taxateur verstrekte gegevens. Daarnaast is het taxatierapport zorgvuldig uitgewerkt in een controleerbare taxatiematrix, voorzien van brongegevens en foto’s. Belanghebbende ziet dit standpunt bevestigd in diverse rechterlijke uitspraken. 5.2. Belanghebbende vindt verder dat een uurtarief van € 59,00 moet worden gehanteerd, omdat dit het door Woning Waarderingsmeesters gehanteerde uurtarief is. Belanghebbende wijst er verder op dat dit uurtarief in lijn is met wat er in de markt voor een vergelijkbare taxatie wordt gevraagd. 5.3. Belanghebbende vindt dat uit de toepasselijke regelgeving volgt dat de hiervoor genoemde tijdsinvestering en uurtarief maatgevend zijn voor de kostenvergoeding. Uitgaande van een tijdsinvestering van 2 uur en vermeerderd met 21% btw betekent dit een totale vergoeding van € 142,78. Subsidiair is belanghebbende het ermee eens dat in bijzondere omstandigheden van de hiervoor genoemde regelgeving kan worden afgeweken, maar dat ook dan geen afbreuk mag worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten. 6. De heffingsambtenaar blijft bij zijn standpunt dat de door hem toegekende proceskostenvergoeding niet te laag is. 6.1. De heffingsambtenaar wijst (in zijn conclusie van dupliek) op een uitspraak waarin is geoordeeld dat de taxateur van belanghebbende geen deskundige is en verder twee uitspraken waarin is geoordeeld dat het door de taxateur van belanghebbende ingediende taxatierapport geen deskundigenbericht is. 6.2. De heffingsambtenaar vindt nog steeds dat sprake is van een tijdsinvestering van tien minuten. Bestudering van het taxatierapport maakt volgens de heffingsambtenaar duidelijk dat de totstandkoming van het taxatierapport grotendeels geautomatiseerd gebeurt op basis van gegevens uit openbare bronnen. Het taxatierapport bestaat gedeeltelijk uit repeterende gegevens die standaard in elk taxatierapport van Woning Waarderingsmeesters zijn opgenomen. Van de 12 tot 14 pagina’s waaruit een taxatierapport van Woning Waarderingsmeesters standaard bestaat, brengen pagina 2 (verantwoording en taxatiemethodiek), pagina 3 (taxatiewerkwijze) en de slotpagina met de factuur, vrijwel geen tijd met zich mee. Verder bevat het taxatierapport zes pagina’s met brongegevens van de referentieobjecten die afkomstig zijn uit openbare bronnen waarvan de verwerking een zeer geringe tijdsbesteding met zich meebrengt. De overige pagina’s van het taxatierapport komen veelal geautomatiseerd tot stand. De heffingsambtenaar wijst er verder op dat het ingebrachte taxatierapport wel een bijgebouwwaarde vermeldt, maar niet aanduidt om welke bijgebouwen het gaat. Dit is een standaard werkwijze en in elk taxatierapport Woning Waarderingsmeesters het geval. Ook dit rechtvaardigt de conclusie dat de gegevens afkomstig zijn uit openbare bronnen en daardoor op zeer snelle wijze kunnen worden gegenereerd. Verder blijkt in nagenoeg alle taxatierapporten dat de woonoppervlakte, tevens de oppervlakte van de bijgebouwen bevat en er niet een uitsplitsing wordt gemaakt in de oppervlakte van de woning en de oppervlakte van de bijgebouwen. Dat is in dit geval niet anders. Ook dit draagt bij aan de conclusie dat sprake is van een geringe tijdsbesteding. De heffingsambtenaar ziet zijn standpunt bevestigd in diverse rechterlijke uitspraken. 6.3. Dat de tijdsbesteding van een taxatierapport zeer gering is, blijkt volgens de heffingsambtenaar ook uit de grote aantallen taxatierapporten die door Woning Waarderingsmeesters jaarlijks – en in met name de eerste helft van 2025 – in het gehele land zijn ingediend. Volgens de beschikbare gegevens, onder andere uit jurisprudentie, gaat het om tienduizenden taxatierapporten. Dit zijn volgens de heffingsambtenaar aantallen die alleen met een zeer geringe tijdsbesteding kunnen worden gegenereerd. Alleen een grotendeels geautomatiseerde totstandkoming met veelal gegevens uit openbare bronnen maken dit mogelijk. 6.4. Wat betreft het door belanghebbende gehanteerde uurtarief wijst de heffingsambtenaar erop dat HNWB en Woning Waarderingsmeesters aan elkaar verbonden zijn en dus geen onafhankelijk opererende derden zijn. Dit brengt volgens de heffingsambtenaar met zich mee dat de hoogte van de factuur niet onder marktomstandigheden tot stand is gekomen en om deze reden niet als basis voor een vergoeding kan dienen. 7. De rechtbank overweegt als volgt. 7.1. Voor zover de heffingsambtenaar (met zijn verwijzing naar de in overweging 6.1. genoemde uitspraken) stelt dat de taxateur van belanghebbende geen deskundige is dan wel dat het door die taxateur opgestelde taxatierapport geen deskundigenbericht is, volgt de rechtbank hem daarin niet. De enkele verwijzing naar rechterlijke uitspraken in andere procedures is daarvoor onvoldoende. Daar komt nog bij dat de heffingsambtenaar zich verder wel op het standpunt blijft stellen dat een kostenvergoeding voor het taxatierapport op zijn plaats is. Dat is slechts mogelijk als sprake is van een deskundigenbericht (dat dus door een deskundige is opgesteld). 7.2. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat 2 uur aan het taxatierapport is gewerkt door de taxateur. Wat belanghebbende aanvoert over de manier waarop het taxatierapport wordt vervaardigd, past in essentie in het betoog van de heffingsambtenaar. Maar belanghebbende maakt niet inzichtelijk waarom dat tot een tijdsbesteding van 2 uur leidt, terwijl de heffingsambtenaar gemotiveerd uiteenzet waarom van een beduidend mindere tijdsinvestering sprake is. Daar komt bij dat belanghebbende niet weerspreekt dat door Woning Waardemeester jaarlijks – en in met name de eerste helft van 2025 – in het gehele land tienduizenden taxatierapporten zijn ingediend. De rechtbank kan de heffingsambtenaar volgen dat dergelijke aantallen alleen met een grotendeels geautomatiseerde totstandkoming met veelal gegevens uit openbare bronnen kunnen worden gerealiseerd. De uitvoerige uiteenzetting van belanghebbende in de conclusie van repliek over de toepasselijke regelgeving maakt dat niet anders. Bij deze uiteenzetting heeft belanghebbende namelijk telkens als uitgangspunt genomen dat 2 uur aan het taxatierapport is gewerkt door de taxateur. Dat uitgangspunt volgt de rechtbank echter niet, zoals hiervoor is toegelicht. Verder heeft de heffingsambtenaar voldoende toegelicht waarom in dit geval een tijdsinvestering van tien minuten redelijk is. 7.3. Belanghebbende wijst ook nog op de regel dat voor de vaststelling van de uurvergoeding de tijdsinvestering moet worden afgerond op hele en halve uren. Voor zover belanghebbende met deze verwijzing bepleit dat de tijdsinvestering van tien minuten moet worden afgerond op een half uur, volgt de rechtbank dat niet. De rechtbank vindt namelijk dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan deze afrondingsregel buiten toepassing moet blijven. Uit de Nota van Toelichting op de afrondingsregel volgt dat sprake is van een algemene regeling die begin deze eeuw is getroffen (in de context van strafzaken). Bij afwezigheid van enige indicatie van het tegendeel is de rechtbank van oordeel dat de regelgever hierbij niet een situatie als in deze zaak voor ogen heeft gestaan. Namelijk dat weliswaar sprake is van het indienen van een deskundigenrapport, maar dat met name door geautomatiseerde gegevensverwerking een dergelijk taxatierapport in tien minuten wordt vervaardigd. Onverkorte toepassing van de afrondingsregel zou betekenen dat bij het bepalen van de vergoeding de daadwerkelijke tijdsinvestering (en daarmee de toe te kennen kostenvergoeding) wordt verdrievoudigd. Dat zou een zeer forse overcompensatie tot gevolg hebben. Dat gevolg kan naar het oordeel van de rechtbank door de regelgever in redelijkheid niet zijn beoogd, omdat daarmee geen sprake meer is van het ook door belanghebbende aangehaalde criterium dat de vergoeding een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten betreft. 7.4. Wat het uurtarief van € 53,00 betreft heeft de heffingsambtenaar het tarief uit de ‘Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties’ toegepast. Deze richtlijn is per 29 december 2025 ingetrokken. De heffingsambtenaar heeft dus uitspraak op bezwaar gedaan voordat de richtlijn werd ingetrokken, zodat de rechtbank bij de beoordeling van dit beroep ervan moet uitgaan dat de richtlijn nog van toepassing was. Deze richtlijn is weliswaar geen ‘recht’, maar wel een aanvaardbaar en geëigend middel om wat betreft de kostenvergoeding voor WOZ-taxaties uniformiteit na te streven. In wat belanghebbende aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding om in dit geval een andere maatstaf aan te leggen. 7.5. Gelet op wat hiervoor is overwogen acht de rechtbank het door de heffingsambtenaar berekende totaalbedrag van de vergoeding – waarvan de overige uitgangspunten tussen partijen dus niet in geschil zijn – dan ook redelijk. 7.6. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dan ook dat de door de heffingsambtenaar toegekende proceskostenvergoeding van € 10,69 voor het namens belanghebbende ingediende taxatierapport redelijk is. 8. De heffingsambtenaar wijst er in zijn conclusie van dupliek nog op dat de (op 11 mei 2026 op briefpapier van HNWB ingediende) conclusie van repliek is ondertekend door mr. Van Middelaar, terwijl de heffingsambtenaar ervan op de hoogte is dat mr. Van Middelaar inmiddels al enkele maanden niet meer werkzaam is voor HNWB. De heffingsambtenaar zegt daarover vervolgens: “ Ik wijs u hierop in verband met de bevoegdheid om rechtshandelingen, zoals het opstellen van een conclusie van repliek in onderhavige zaken, te mogen verrichten. ” Voor zover het klopt wat de heffingsambtenaar schrijft, vindt de rechtbank het een merkwaardige gang van zaken dat door HNWB stukken worden ingediend die zijn ondertekend door een persoon die daar niet langer werkzaam is. Tegelijkertijd zit in het dossier een machtiging waarmee belanghebbende “ de medewerkers van Eerlijke WOZ, Het Nieuwe WOZ Bureau en eventueel door hen ingeschakelde derden ” machtigt om in deze zaak als gemachtigde op te treden. Ook als de stukken door een andere medewerker van HNWB zijn ingediend, dan kan dat binnen het bereik van de door belanghebbende afgegeven machtiging. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt. Belanghebbende krijgt daarom geen proceskostenvergoeding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Langenhoff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch. Europees Hof voor de Rechten van de Mens 27 oktober 1993, ECLI:CE:ECHR:1993: 1027JUD001444888 (Dombo Beheer B.V. tegen Nederland), Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0919, Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:661, en gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:259. Artikel 1, aanhef en onder b, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in samenhang gelezen met de artikelen 6, 9, eerste lid, en 15 van het (van overeenkomstig van toepassing verklaarde) Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Besluit WTS). Zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb. Rechtbank Oost-Brabant 6 maart 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1387. Rechtbank Den Haag 19 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4164, en rechtbank Den Haag 24 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9980. Gerechtshof Den Haag 12 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1226 en rechtbank Oost-Brabant 16 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2281, en 1 augustus 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:4863. Artikel 9, eerste lid, Besluit WTS. Zoals bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb. Stb. 2003, 330, p. 9-10. Stcrt. 2018 nr. 28796. Stcrt. 2025 nr. 44501. Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:661, overwegingen 4.1.5. en 4.1.6. Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:661, overweging 4.1.2.

Similar Content