# Rechtbank Amsterdam, 17-06-2026 (13-093736-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:6674
- Date: 2026-06-17
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A6674
- Canonical: https://overview.legal/posts/109069
- Topics: Types of Special Categories of Personal Data, Personal Data

## Summary

Executie-EAB Duitsland. De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn standpunt dat er onduidelijkheid bestaat over de grondslag van het EAB en dat de zaak dient te worden aangehouden om hierover opheldering te vragen aan de Duitse autoriteiten. Overlevering toegestaan.

## Sections (7)

### ¶1

Procesgang — De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 juni 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

### ¶2

Identiteit van de opgeëiste persoon — Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van het Amtsgericht te Rastatt (eerste instantie) van 19 juli 2024 en een arrest van het Landgericht (tweede instantie) van 11 december 2024, in kracht van gewijsde sinds 19 december 2024, met referenties: 11 Ls 301 Js 5763/21 (eerste instantie) en 5 NBs 301 Js 5764/21 (tweede instantie). Hierna zal de rechtbank voormelde uitspraken aanduiden als “het vonnis” en “het arrest”. De aanvullende informatie van de Duitse autoriteiten van 23 april 2026 vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij beide processen die tot voormelde beslissingen hebben geleid. Uit de aanvullende informatie van 23 april 2026 blijkt tevens dat bij het vonnis een vrijheidsstraf van twee jaar en zeven maanden is opgelegd en dat die straf bij arrest is vervangen door twee vrijheidsstraffen voor de duur van respectievelijk één jaar en negen maanden, waarvan nog 343 dagen resteren, en één jaar en drie maanden, waarvan nog 228 dagen resteren. Gelet op deze aanvullende informatie begrijpt de rechtbank dat de overlevering – zoals ook vermeld in het EAB – wordt verzocht ten behoeve van de bij arrest opgelegde vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is hoe het arrest zich verhoudt tot het vonnis. De raadsman heeft een e-mail overgelegd, waarin de Duitse advocaat van de opgeëiste persoon schrijft dat bij het arrest sprake zou zijn geweest van het samenvoegen van verschillende vonnissen en waarbij de Duitse advocaat een parketnummer noemt dat niet in het EAB voorkomt. De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om over dat parketnummer aanvullende informatie op te vragen aan de Duitse autoriteiten en daarnaast te vragen of er in hoger beroep wel sprake is geweest van een situatie waarbij de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er, mede gelet op het vertrouwensbeginsel, geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de door de Duitse autoriteiten verstrekte informatie. In het licht hiervan en de inhoud van de verstrekte aanvullende informatie volgt de rechtbank de raadsman niet in zijn standpunt dat er onduidelijkheid bestaat over de grondslag van het EAB en dat de zaak dient te worden aangehouden om hierover opheldering te vragen aan de Duitse autoriteiten.

### ¶4

Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW — De uitvaardigende justitiële autoriteit schaart de strafbare feiten onder een zogenoemd lijstfeit die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

### ¶5

Overige verweren — De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon stelt dat er in Duitsland sprake is geweest van schending van het specialiteitsbeginsel. De opgeëiste persoon is in 2024 ter fine van vervolging voor twintig feiten betreffende het bezitten en verkopen van amfetamine, marihuana en xtc-pillen overgeleverd aan Duitsland. Het EAB dat nu voorligt ziet op een veroordeling voor vijftien strafbare feiten, bestaande uit het bezitten en verkopen van amfetamine en marihuana. De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om hierover nadere informatie op te vragen aan de Duitse autoriteiten. De rechtbank ziet alleen al geen aanleiding tot het stellen van nadere vragen aan de Duitse autoriteiten nu de stelling dat het specialiteitsbeginsel niet is nageleefd niet is onderbouwd. De feiten die ten grondslag liggen aan de veroordeling, en zoals die zijn vermeld in het EAB, bevatten bovendien ook geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van de stelling van de opgeëiste persoon.

### ¶6

Slotsom — De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

### ¶7

Toepasselijke wetsbepalingen — De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

### ¶8

Beslissing — STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Rastatt, Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. D.F.A. Reuvekamp en B.C.M. Burger, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 juni 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/109069 · 2026-07-16
