# Rechtbank Amsterdam, 02-07-2026 (13-129093-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:7071
- Date: 2026-07-02
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A7071
- Canonical: https://overview.legal/posts/109070
- Topics: Law Enforcement, Supervision, Personal Data, Consent

## Summary

Executie-EAB Roemenië; tussenuitspraak; vragen gesteld over artikel 12 OLW; artikel 11 OLW: verweer op detentieomstandigheden vanwege medische problematiek verworpen.

## Sections (6)

### ¶1

Procesgang — De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. L.J. Woltring, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

### ¶2

Identiteit van de opgeëiste persoon — Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3. Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Sector 2 Boekarest van 9 augustus 2024 met kenmerk nr. 636. Dit vonnis is onherroepelijk geworden op 28 augustus 2024. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Roemenië. Op deze straf wordt in mindering gebracht de 24 uur die de opgeëiste persoon heeft doorgebracht in voorarrest van 12 mei 2023 tot 13 mei 2023. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

### ¶4

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW — Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd moet worden op grond van artikel 12 OLW omdat de opgeëiste persoon bij verstek is veroordeeld. De opgeëiste persoon was niet op de hoogte van het proces en heeft nooit een advocaat gemachtigd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat de opgeëiste persoon bij één zitting aanwezig is geweest. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW aan de orde is. De opgeëiste persoon was namelijk op de hoogte van het voorgenomen proces en is vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat die namens hem de verdediging heeft gevoerd. Dat de opgeëiste persoon wellicht niet op de hoogte was van tijd en plaats van de behandeling van het voorgenomen proces, komt voor zijn rekening nu hij niet heeft meegewerkt met de Roemeense autoriteiten om bereikbaar te blijven. Uit de aanvullende informatie van 29 mei 2026 blijkt dat de Roemeense autoriteiten alle mogelijke inspanningen hebben verricht om de opgeëiste persoon in te lichten over de tijd en plaats van het proces. Meer subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW om de hiervoor genoemde redenen. Oordeel van de rechtbank Onderdeel d) van het EAB vermeldt het volgende: “De betrokkene is verschenen ter terechtzitting van 20.06.2023, in zaak nr. 15690/300/2023/a1.1, bijgestaan door een ambtshalve aangewezen raadsman, mr. Peicea Alexandru.” Verder is in onderdeel d) van het EAB is aangekruist dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. In de aanvullende informatie van 29 mei 2026 vermelden de Roemeense autoriteiten onder meer het volgende: “(…) The main legal arguments justifying the duration of the proceedings are: • Safeguarding the right to a fair trial and the right of defence (Article 6 of the ECHR and Article 10 of the Code of Criminal Procedure): Given the defendant’s consistent failure to appear at the court hearings scheduled for the trial on the merits of the case (starting with the hearing on 28 September 2023), the court was obliged to order the repeated adjournment of the trial. This measure was imperative to ensure compliance with procedural safeguards concerning the legality of the summons and to provide a real opportunity to exercise the right to a defence and to express a procedural position (including consent to perform unpaid community service). • Exhaustion of summons procedures and bench warrants: The court successively ordered procedural measures to ensure the defendant’s attendance in court, utilising all the methods provided for in the Code of Criminal Procedure: service of summonses at all addresses on file, summoning by displaying a public notice at the court’s premises, and the issue of several bench warrants through the police/supervisory authorities. The impossibility of executing these warrants due to the failure to identify the defendant inevitably led to the postponement of the proceedings on the merits. • Evasion of preventive measures: Following the breach of the obligations associated with the measure of legal restrictions pending trial and the evading conduct, the court ordered on 11 January 2024 that this measure be replaced with pre-trial detention. The procedure was extended because the pre-trial detention warrant could not be confirmed and enforced by the competent authorities, as the defendant could not be located. • Failure to cooperate with the public defender: The case file shows that the subsequent contact between the defendant and the public defender was stopped, with the public defender informing the court that he was unable to contact his client. Although a special adjournment was granted at the hearing on 14 March 2024 at the defence’s request to allow the defendant to state his position, the defendant remained unresponsive. (…) At the hearing of 28 September 2023, the roll made in open court was answered by the public defender for the defendant, lawyer Peicea Alexandru, based on the empowerment for mandatory legal assistance placed on the case file at page 18, while the defendant was absent. At the hearing of 19 October 2023, the roll made in open court was answered by the public defender for the defendant, lawyer Peicea Alexandru, based on the empowerment for mandatory legal assistance placed on the case file at page 18, while the defendant was absent. The hearing of the case is adjourned and a new hearing is scheduled for 9 November 2023, Criminal Panel 7, Courtroom 108, at 10.00, at which time the defendant is to be summoned to all addresses on file, by means of a bench warrant and by displaying a notice at the court’s premises. (…)” De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat hij een paar weken na het incident een keer moest langskomen bij de politie en dat hij een verklaring heeft afgelegd tegenover de officier van justitie. Daarna heeft hij nooit meer iets vernomen over het verdere verloop van de procedure. Er is hem nooit naar een adres gevraagd, hij had ook geen adres om door te geven want zijn huis was verkocht. Ook heeft hij nooit documenten ontvangen met instructies over zijn bereikbaarheid of het verloop van de procedure. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank heeft behoefte aan nadere informatie met betrekking tot de uitoefening van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de procedure in Roemenië. Hierbij is van belang dat de rechtbank het vonnis van 9 augustus 2024 moet toetsen aan de vereisten van artikel 12 OLW, terwijl op dit moment onduidelijk is of de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in acht zijn genomen. Uit de informatie van de Roemeense autoriteiten blijkt onvoldoende of sprake is van een advocaat die door de opgeëiste persoon zelf gemachtigd is om namens hem de verdediging te voeren. De huidige informatie sluit niet uit dat sprake is geweest van een verplichte procesvertegenwoordiging, waarbij een advocaat is aangewezen door de autoriteiten zonder dat een machtiging van de opgeëiste persoon nodig was om hem te vertegenwoordigen ter zitting. Daarnaast blijkt ook niet op welke adressen de opgeëiste persoon is opgeroepen voor de zittingen in deze procedure, of deze adressen door hem zelf zijn opgegeven en op welk moment. Dat maakt dat de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht acht om te bepalen of sprake is van de situatie van artikel 12 onder b OLW, of dat er wellicht ruimte is om af te zien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Dit leidt ertoe dat het onderzoek zal worden heropend en geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: 1. Op welke wijze is de opgeëiste persoon opgeroepen voor de inhoudelijke behandeling van het proces en naar welk adres is de oproep verstuurd? 2. Heeft de opgeëiste persoon in het kader van de strafrechtelijke procedure een adres doorgegeven? Zo ja, op welk moment in de procedure was dat? welk adres heeft hij toen doorgegeven? was het voor de opgeëiste persoon duidelijk dat hij op dat adres bereikbaar moest blijven voor post in het kader van de strafrechtelijke procedure? 3. Heeft de opgeëiste persoon zelf een (toegevoegde) advocaat gemachtigd om namens hem in zijn afwezigheid de verdediging te voeren?

### ¶5

Strafbaarheid — Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994; overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

### ¶6

Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden — Inleiding De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen. Op 20 mei 2026 heeft de Commissaris van de penitentiaire politie namens de Directeur van de Nationale Administratie van de Penitentiaire Inrichtingen, de volgende garantie verstrekt: "1. Indien de persoon die van zijn vrijheid is beroofd aan de Roemeense autoriteiten wordt overgeleverd op Henri Coandă Luchthaven in Boekarest, zal hij aanvankelijk in de Penitentiaire Inrichting Boekarest Rahova worden geplaatst, en dit voor een periode van 21 dagen quarantaine, in een cel waarin hij over minimaal 3 m² leefruimte zal beschikken. (...) Verblijfsomstandigheden tijdens quarantaine en observatie De quarantaine- en observatieperiode wordt doorgebracht in Cellenblok E2, die in totaal 33 kamers heeft, te weten:  4 kamers met een oppervlakte van 24 vierkante meter;  22 kamers met een oppervlakte van 20,3 vierkante meter;  7 kamers met een oppervlakte van 20 vierkante meter. Elk van de hierboven genoemde detentiekamers heeft een toilet en een opslagruimte voor voedsel. Ze hebben ook twee ramen, waarvan één dubbel, met een oppervlakte van 1,44 vierkante meter, en het andere met een oppervlakte van 0,72 vierkante meter, plus een raam in de sanitaire groep met een oppervlakte van 0,72 vierkante meter. (...) Rekening houdend met de duur van de gevangenisstraf zal betrokkene aanvankelijk worden geplaatst in een halfopen inrichting. Rekening houdend met zijn woonplaats zal hij naar verwachting gedetineerd worden in de Penitentiaire Inrichting Boekarest - Jilava. (...) De voornaamste kenmerken van de halfopen inrichting: De gevangenen hebben toegang tot de binnenplaatsen (dagelijks wandelen), clubs, sportterreinen, kerk, leslokalen en andere plaatsen waar zij hun rechten kunnen uitoefenen. De halfopen inrichting biedt de ingeslotenen de mogelijkheid zich zonder begeleiding binnen de plaats van detentie te begeven, op bepaalde routes die zijn vastgesteld door het bestuur van de penitentiaire inrichting. Zij hebben ook de mogelijkheid om hun vrije tijd onder bewaking te organiseren, met inachtneming van het door het bestuur van de penitentiaire inrichting vastgestelde tijdschema. (...) 2. [de opgeëiste persoon] zal beschikken over een individuele ruimte van ten minste 3 m² voor de gehele duur van de uitvoering van de straf, met uitzondering van het open regime, waarin hij 4 m², met inbegrip van het bed en het bijbehorende meubilair, en met uitzondering van de ruimte voor de sanitaire groep. Het aantal gevangenen hangt af van de oppervlakte van de cel. Elke gevangene beschikt over een individueel bed en het bijbehorende beddengoed. (...)” Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat nadere informatie moet worden opgevraagd aan de Roemeense autoriteiten met betrekking tot de medische zorg in de detentie-instellingen in Roemenië omdat de opgeëiste persoon last heeft van trombose. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de medische zorg in Roemenië voor trombose niet tekortschiet en dat daarvoor geen nadere informatie hoeft te worden opgevraagd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat zij, gelet op het arrest Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije) van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ook wel het arrest ML genoemd, uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken van penitentiaire inrichtingen waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. Uit de hierboven vermelde informatie blijkt dat de opgeëiste persoon in eerste instantie in de Penitentiaire Inrichting Boekarest Rahova zal worden geplaatst en daarna naar alle waarschijnlijkheid in het half-open regime van de Penitentiaire Inrichting Boekarest - Jilava. Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie van 20 mei 2026. De rechtbank is, gelet op deze garantie, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Over hetgeen de raadsman heeft aangevoerd over de gezondheidsproblemen van de opgeëiste persoon overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank begrijpt het verweer van de raadsman aldus dat hij heeft willen betogen dat gedetineerden die een medische behandeling nodig hebben, in Roemenië in het algemeen het risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 Handvest wegens het ontbreken van adequate medische verzorging in penitentiaire inrichtingen. De advocaat heeft zijn verweer niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkt gegevens onderbouwd, noch is gebleken in hoeverre de opgeëiste persoon op dit moment klachten ondervindt en of hij medische behandelingen ondergaat of nog moet ondergaan. Gelet daarop komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de vraag of een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden met gezondheidsklachten in Roemeense penitentiaire inrichtingen het gevaar lopen om te worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling wegens het uitblijven van adequate medische zorg. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor overlevering. Het verweer wordt verworpen.

### ¶7

Beslissing — HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 29 juli 2026. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Roemeense taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. L. Sanders en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/109070 · 2026-07-16
