# Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 03-07-2026 (21-005021-24)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Identifier: ECLI:NL:GHARL:2026:4507
- Date: 2026-07-03
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2026%3A4507
- Canonical: https://overview.legal/posts/109074
- Topics: Law Enforcement, Criminal Data, Types of Special Categories of Personal Data, Identification, Liability

## Summary

Veroordeling voor ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt. Overwegingen met betrekking tot taakstrafverbod (art. 22b Sr). Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één dag en een taakstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen hechtenis.

## Full text

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-005021-24 Uitspraakdatum: 3 juli 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats, van 11 november 2024 met parketnummer 05-081053-22 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , wonende te [adres] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat het vonnis van de rechtbank moet worden bevestigd. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. N. Hannaart, hebben aangevoerd. Het vonnis De rechtbank heeft verdachte voor het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 210 uren, subsidiair 105 dagen hechtenis. De vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 700,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 20 november 2021 te [plaats] ontucht heeft gepleegd met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van een of meer seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, bestaande die ontucht daarin, dat verdachte: - zich door die [benadeelde] heeft laten pijpen, althans zijn, verdachtes, penis in de mond van die [benadeelde] heeft gedaan en/of - het brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde] . Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsmiddelen Het hof acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en er door of namens hem geen bewijsverweren zijn gevoerd, volstaat het hof met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Deze opgave luidt als volgt: Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 november 2021, betreffende een informatief gesprek zeden met [benadeelde] , voor zover inhoudende haar verklaring, opgenomen op pagina 41-42 van het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de politie [locatie] , Dienst Regionale Recherche, Team Migratiecriminaliteit en Mensenhandel (ON), opgemaakte proces-verbaal, dossier Onderzoek [naam] / [nummer] , gesloten op 29 maart 2022; Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 februari 2022 betreffende een studioverhoor van getuige [benadeelde] , voor zover inhoudende haar verklaring op pagina 58-60 van voornoemd dossier; Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27 januari 2022, opgenomen op pagina’s 689-693 van voornoemd dossier; De bekennende verklaring van verdachte ter zitting in hoger beroep van 19 juni 2026. Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op 20 november 2021 te [plaats] ontucht heeft gepleegd met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] , die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van een of meer seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, bestaande die ontucht daarin, dat verdachte: - zich door die [benadeelde] heeft laten pijpen, en - zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde] heeft gebracht. Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het bewezenverklaarde levert op: ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt. Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Oplegging van straffen Bij het bepalen van de straffen houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Verdachte heeft ontuchtige handelingen tegen betaling gepleegd met een minderjarige prostituee, bestaande uit orale en vaginale seks. Door zijn handelen heeft hij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Uit het dossier kan weliswaar niet worden afgeleid dat verdachte op zoek is geweest naar een seksafspraak met een minderjarig meisje, maar daar staat tegenover dat verdachte voorafgaand aan de seksafspraak haar leeftijd niet heeft geverifieerd aan de hand van een identiteitsbewijs om zich ervan te vergewissen dat zij meerderjarig was. Verdachte heeft zodoende bijgedragen aan het in stand houden van jeugdprostitutie. Het hof heeft gelet op het strafblad van de verdachte, waaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Over zijn persoonlijke omstandigheden heeft verdachte ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij samenwoont met zijn vriendin en dat ze een eerste kind verwachten. Verdachte werkt fulltime als [beroep] en een traject bij budgetbeheer is bijna afgerond. Het hof heeft bij het bepalen van de straf gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg voor Vakinhoud Strafrecht. Voor het feit dat in deze zaak bewezenverklaard is, wordt oplegging van een (korte) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf van 150 uren in het algemeen passend geacht. Het hof constateert dat het taakstrafverbod van toepassing is en dat de rechtbank dit ook heeft onderkend. De rechtbank overwoog in haar vonnis daarover het volgende: Ten aanzien van de op te leggen straf overweegt de rechtbank dat het zogeheten taakstrafverbod geldt. Artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht brengt met zich mee dat voor onderhavig strafbare feit niet alleen een taakstraf kan worden opgelegd. De rechtbank acht dat, in dit geval, echter een onbevredigende uitkomst. Het strafrecht is steeds maatwerk, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Een straf dient in de juiste verhouding te staan tot het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. In dit geval was verdachte niet op zoek naar een minderjarige prostituee. Daar komt bij dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank dient het opleggen van een kortdurende onvoorwaardelijke gevangenisstraf (bijvoorbeeld één dag) gelet op de persoon van verdachte, de omstandigheden van het geval en de overschrijding van de redelijke termijn geen enkel redelijk doel. Het draagt bijvoorbeeld niet bij aan het beveiligen van de maatschappij. De rechtbank acht een deels of kortdurende onvoorwaardelijke gevangenisstraf in deze zaak gelet op alle omstandigheden van het geval een te zware strafmodaliteit en komt daarom tot een andere straf dan door de officier van justitie is geëist. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het vonnis kan worden bevestigd, dus inclusief de beslissing van de rechtbank om artikel 22b Sr niet toe te passen en te volstaan met oplegging van een taakstraf. Het hof heeft, evenals de advocaat-generaal, begrip voor bovenstaande overwegingen van de rechtbank en deelt de visie dat er inhoudelijk goede gronden zijn om oplegging van een (korte) gevangenisstraf achterwege te laten. Er kunnen in zijn algemeenheid vraagtekens worden geplaatst bij de effectiviteit van dergelijke kortdurende gevangenisstraffen en bij de druk en kosten die deze opleveren voor het gevangeniswezen. Daar komt bij dat de omstandigheden in de onderhavige zaak vragen om maatwerk en het hof – net als de rechtbank – van oordeel is dat in dit geval het opleggen van uitsluitend een taakstraf de meest passende sanctie is. Dit neemt echter niet weg dat de wetgever in specifieke gevallen heeft verboden om uitsluitend een taakstraf op te leggen. Het hof is daaraan ook in deze zaak gebonden en kan dan ook niet anders dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Het hof zal daarom een gevangenisstraf opleggen voor de duur van één dag, in combinatie met een taakstraf. Voor het bewezenverklaarde feit acht het hof oplegging van een taakstraf van 150 uren passend en geboden. In verband met overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg zal het hof daarop 10 uren in mindering brengen en dus een taakstraf van 140 uren opleggen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 765,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 700,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep niet aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof kan daarom alleen een beslissing nemen over de gevorderde schadevergoeding voor het deel dat door de rechtbank is toegewezen. De benadeelde partij is door het handelen van verdachte op ‘andere wijze in de persoon aangetast’ ex artikel 6:106 sub b BW (Burgerlijk Wetboek). Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met [benadeelde] , een minderjarige prostituee. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de nadelige gevolgen van de normschending voor [benadeelde] zo voor de hand liggen dat wordt aangenomen dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Het hof zal de hoogte van de schade, die door de verdediging niet is betwist, naar maatstaven van billijkheid vaststellen op een bedrag van € 700,00 en de vordering tot dat bedrag toewijzen. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. Wetsartikelen De straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 22b, 22c, 22d, 36f en 248b (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) dag. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 140 (honderdveertig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 70 (zeventig) dagen hechtenis . Vordering van de benadeelde partij [benadeelde] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 700,00 (zevenhonderd euro) ter zake van immateriële schade , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 700,00 (zevenhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 20 november 2021. Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. J.D. den Hartog en mr. M.L. Plas, in aanwezigheid van de griffier, D.D. Drost, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 juli 2026.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/109074 · 2026-07-16
