# Rechtbank Overijssel, 03-07-2026 (ak_25_916)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Overijssel
- Identifier: ECLI:NL:RBOVE:2026:3768
- Date: 2026-07-03
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBOVE%3A2026%3A3768
- Canonical: https://overview.legal/posts/109078
- Topics: Public Authority, Data Controller, Right of Access Procedures, Identification, Right of Access, Personal Data, Processing, Controllers, Consent

## Summary

Verzoek om inzage in persoonsgegevens als bedoeld in artikel 15 van de AVG. Beroep gegrond vanwege een motiveringsgebrek. De rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit blijven in stand. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat het geen nieuwe of andere informatie over de verwerking kan verstrekken.

## Full text

RECHTBANK OVERIJSSEL Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: ZWO 25/916 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , (gemachtigde: [gemachtigde] ), hierna: [verzoekster] en het college van burgemeester en wethouders van Enschede, (gemachtigde: mr. J.J.P.S. Weijnen), hierna: het college. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van [verzoekster] aan het college om inzage in haar persoonsgegevens op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming. Het college heeft het inzageverzoek van [verzoekster] toegewezen en inzicht gegeven in de verwerkte persoonsgegevens van haar, het doel van de verwerking, de noodzaak van de verwerking en de herkomst van die persoonsgegevens. Bij het besluit op het bezwaar van [verzoekster] heeft het college dit besluit gehandhaafd. [verzoekster] is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe aan dat het besluit van het college niet deugdelijk gemotiveerd is. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft en daarom moet worden vernietigd. Het beroep is dan ook gegrond. Omdat de rechtbank het aannemelijk acht dat het college geen nieuwe informatie over de verwerking kan verstrekken als hij opnieuw op het bezwaar van [verzoekster] moet beslissen, laat zij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten en procesverloop 2. [verzoekster] heeft op 13 juli 2023 aan het college verzocht om inzage in haar persoonsgegevens op grond van de artikelen 12 en 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). [verzoekster] heeft het verzoek om inzage gedaan omdat haar persoonsgegevens in de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP) zijn geraadpleegd binnen de gemeente Enschede. Hieraan voorafgaand heeft [verzoekster] veelvuldig mailcontact gehad met het college over de raadplegingen. 2.1. Met het besluit van 14 maart 2024 (het primaire besluit) heeft het college [verzoekster] inzicht gegeven in de verwerkte persoonsgegevens, het doel van de verwerking, de noodzaak van de verwerking en de herkomst van de persoonsgegevens. Het gaat om vijf raadplegingen, waarvan vier op 7 november 2022 en één op 24 februari 2022. 2.2. [verzoekster] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 2.3. Ter beoordeling van het bezwaar heeft het college advies gevraagd aan de commissie bezwaarschriften van de gemeente Enschede (hierna: de commissie). Zij heeft op 9 januari 2025 advies uitgebracht. 2.4. Met het besluit van 23 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het advies van de commissie overgenomen en het primaire besluit gehandhaafd. 2.5. [verzoekster] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.6. De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [verzoekster] en de gemachtigde van het college. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen om met elkaar in gesprek te gaan over de raadplegingen op 24 februari 2022 en 7 november 2022. De rechtbank heeft [verzoekster] ook in de gelegenheid gesteld om navraag te doen bij de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) over de raadpleging (‘wijziging’) op 26 februari 2022 die op het door [verzoekster] overgelegde overzicht gegevensverstrekkingen uit de BRP staat. 2.7. Met de brief van 9 januari 2026 heeft het college de rechtbank geïnformeerd over het gesprek dat op 8 januari 2026 met [verzoekster] heeft plaatsgevonden. Met de e-mail van 10 maart 2026 heeft [verzoekster] hierop gereageerd en ook heeft [verzoekster] de rechtbank geïnformeerd over de terugkoppeling van de RvIG. 2.8. De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat zij voldoende informatie heeft om een uitspraak te doen en zij het onderzoek zal sluiten, tenzij partijen aangeven op een nadere zitting willen worden gehoord. [verzoekster] en het college hebben vervolgens brieven aan de rechtbank gestuurd met het verzoek om de inhoud van de brieven bij haar beoordeling te betrekken. De rechtbank heeft aan partijen laten weten dat zij de inhoud van de brieven bij haar beoordeling betrekt. 2.9. De rechtbank heeft vervolgens op 12 mei 2026 met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek gesloten nadat partijen, desgevraagd, niet nader hebben aangegeven gebruik te willen maken van hun recht ter zitting te worden gehoord. Beoordeling door de rechtbank 3. In beroep voert [verzoekster] aan dat het primaire en bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd zijn om verschillende redenen. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de beslissing op het inzageverzoek. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgrond van [verzoekster] . Toetsingskader 4. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de AVG heeft een betrokkene het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te krijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen in die persoonsgegevens en de verwerkingsdoeleinden. Het doel van artikel 15 van de AVG is dat een betrokkene inzicht krijgt in welke persoonsgegevens van hem verwerkt zijn, zodat hij de juistheid en rechtmatige verwerking daarvan kan controleren. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de AVG heeft een betrokkene onder meer het recht om inzage te verkrijgen in de verwerkingsdoeleinden, de betrokken categorieën van persoonsgegevens, de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn verstrekt en de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen. 4.1. Volgens artikel 4, eerste lid, van de AVG zijn persoonsgegevens alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon. Als ‘identificeerbaar’ wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon. Ook volgt uit dit artikel dat als een ‘verwerking’ in de zin van de AVG wordt aangemerkt een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet geautomatiseerd uitgevoerd, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens. De raadpleging van 24 februari 2022 5. [verzoekster] stelt dat het college ten onrechte in het bestreden besluit heeft vermeld dat hij op 24 februari 2022 alleen NAW-gegevens heeft geraadpleegd. Volgens haar volgt uit het overzicht gegevensverstrekkingen uit de BRP dat op 24 februari 2022 ook informatie werd verwerkt die betrekking heeft op het Burgerservicenummer, de geboortegegevens, het geslacht, de emigratiestatus of adressen in het buitenland, de namen van de (voormalige) partners en de eventuele sluiting en ontbinding van huwelijken of geregistreerd partnerschappen van [verzoekster] . Volgens [verzoekster] heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld stelt dat hij deze gegevens nooit heeft geraadpleegd terwijl dat wel in het overzicht staat. 5.1. Het college heeft in het bestreden besluit toegelicht dat de raadpleging op 24 februari 2022 is uitgevoerd door een medewerker van het Documentair Distributie Centrum (DDC) ten behoeve van de registratie van inkomende post in het documentmanagementsysteem, genaamd ‘Corsa’. Voor het aanmaken van een dossier is het volgens het college nodig om NAW-gegevens te controleren. Corsa heeft toegang tot de BRP en indien dat voor het werkproces nodig is, worden gegevens vanuit de BRP ingeladen in Corsa. Volgens het college is hij geautoriseerd om binnen Corsa meer gegevens te verwerken dan voor het werkproces van postregistratie nodig is. Omdat het college geautoriseerd is om meer gegevens dan alleen de NAW-gegevens uit de BRP op te vragen, staat op het door [verzoekster] overgelegde overzicht van gegevensverstrekkingen ook andere typen gegevens opgenomen dan die in het specifieke geval door het college wordt geraadpleegd. Het werkproces van Corsa is echter zo ingericht dat minimale gegevens worden verwerkt. Het opvragen van gegevens van een natuurlijke persoon via zijn Burgerservicenummer leidt tot een uniek resultaat waardoor wordt voorkomen dat gegevens van een persoon met een overeenkomstige geboortedatum en/of achternaam, ten onrechte worden geraadpleegd. 5.2. De rechtbank is van oordeel dat het betoog van [verzoekster] niet slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat hij alleen de NAW-gegevens en het Burgerservicenummer van [verzoekster] uit de BRP heeft geraadpleegd bij het aanmaken van het dossier in Corsa. Dat in het bestreden besluit staat vermeld dat het college alleen NAW-gegevens heeft geraadpleegd en een Burgerservicenummer niet als zodanig kan worden aangemerkt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit op dit punt onjuist is gemotiveerd. Het college heeft immers in de bezwaarprocedure toegelicht dat hij, naast de NAW-gegevens, ook het Burgerservicenummer kan raadplegen. Met het raadplegen van het Burgerservicenummer wordt het meest zorgvuldige resultaat geleverd zodat wordt voorkomen dat de persoonsgegevens van een andere persoon worden geraadpleegd. In beroep heeft het college ook herhaald dat de systeembeheerder en de medewerker van de postkamer die de informatie uit de BRP heeft geraadpleegd, in beginsel nooit meer persoonsgegevens kunnen inzien dan de NAW-gegevens, het geslacht en het Burgerservicenummer. De stelling van [verzoekster] dat het documentmanagementsysteem van het college niet op de door het college uiteengezette wijze werkt, is naar het oordeel van de rechtbank niet nader onderbouwd. Heeft het college persoonsgegevens verwerkt op 26 februari 2022? 6. [verzoekster] stelt dat het college in het bestreden besluit ten onrechte heeft aangegeven dat de – bij het primaire besluit nog onbesproken – raadpleging van [verzoekster] persoonsgegevens op 26 februari 2022 een wijziging betrof vanuit het landelijk systeem. Het college ontkent dat hij op die datum persoonsgegevens van [verzoekster] heeft verwerkt. De raadpleging zou volgens het college verband houden met de aangifte en verwerking van een verhuizing, maar dat zou hij zonder de toestemming van [verzoekster] niet kunnen controleren. [verzoekster] stelt dat zij nooit in de gemeente Enschede heeft gewoond en zij ook niet op 26 februari 2022 is verhuisd. Volgens [verzoekster] kan de raadpleging niet door een ander dan het college zijn gedaan. Volgens [verzoekster] moet het college opnieuw op haar bezwaar beslissen en alle informatie verschaffen omtrent de aard, de herkomst en doeleinden van de in aanmerking te nemen verwerkingen. 6.1. De rechtbank heeft [verzoekster] in de gelegenheid gesteld om bij de RvIG navraag te doen over de raadpleging (‘wijziging’) op 26 februari 2022 die op het door [verzoekster] overgelegde overzicht gegevensverstrekkingen uit de BRP staat. Op 6 maart 2026 heeft [verzoekster] van de RvIG vernomen dat uit haar systemen blijkt dat op 26 februari 2022 door het college een afnemersindicatie op de persoonslijst van haar is geplaatst en dit de wijziging is zoals die op het overzicht van gegevensverstrekkingen uit de BRP staat. De RvIG heeft verder toegelicht dat een afnemersindicatie een soort van ‘vlaggetje’ is dat door een afnemer – in dit geval het college – bij een persoon kan worden geplaatst. Als er een wijziging plaatsvindt in de gegevens die de afnemer nodig heeft dan wordt die informatie door de afnemersindicatie automatisch doorgegeven aan de afnemer die de afnemersindicatie heeft geplaatst. Volgens [verzoekster] kan het bestreden besluit geen stand houden omdat de uitleg van het college over de verwerkingen op 24 februari 2022, 26 februari 2022 en 7 november 2022 na de informatie van de RvIG ongeloofwaardig zijn geworden. 6.2. Het college stelt dat hij naar aanleiding van de reactie van [verzoekster] nader onderzoek heeft verricht en heeft ontdekt dat in Corsa automatisch een afnemersindicatie is geplaatst bij [verzoekster] . Volgens het college wordt de afnemersindicatie automatisch geplaatst bij het aanmaken van een dossier in Corsa waarbij een persoon betrokken is van buiten de gemeente. Het verzoek tot het plaatsen van een afnemersindicatie is door Corsa op 24 februari 2022 gedaan en, vanwege een technische reden, pas op 26 februari 2022 geplaatst. Volgens het college is het plaatsen van een afnemersindicatie geen inzage in persoonsgegevens en zorgt het ‘vlaggetje’ er ook niet voor dat het college meer of andere gegevens van [verzoekster] kon inzien. Het college heeft daarom de mutatie van 26 februari 2022 niet opgenomen in het overzicht van gegevensverweking dat in het primaire besluit was opgenomen. Het enkel plaatsen van een afnemersindicatie kan volgens het college niet aangemerkt worden als een verwerking van persoonsgegevens. Volgens het college is het bestreden besluit daarom materieel volledig en juist. Het nemen van een nieuw besluit zal volgens het college geen nieuwe informatie opleveren, waardoor het bestreden besluit in overeenstemming is met artikel 15 van de AVG. 6.3. De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het college met het (al dan niet automatisch) plaatsen van een afnemersindicatie op 26 februari 2022 persoonsgegevens van [verzoekster] heeft verwerkt. Uit de begripsomschrijving van de AVG leidt de rechtbank af dat het, al dan niet geautomatiseerd, verzamelen, ordenen, raadplegen en aligneren van gegevens waardoor een natuurlijk persoon direct of indirect kan worden geïdentificeerd een verwerking van persoonsgegevens is zoals is bedoeld in de AVG. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake in het geval van het plaatsen van een afnemersindicatie. Zoals hiervoor is overwogen, heeft een afnemersindicatie tot doel om de afnemer automatisch te informeren als de (persoons)gegevens waaraan de indicatie is gekoppeld worden gewijzigd. Dat door het plaatsen van de afnemersindicatie het college geen inzage in de persoonsgegevens van [verzoekster] heeft gekregen, doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat door de afnemersindicatie het geheel van persoonsgegevens van [verzoekster] is bewerkt omdat daaraan de eigenschap is gegeven dat, een wijziging van de persoonsgegevens in de BRP, automatisch wordt doorgegeven aan de organisatie die de afnemersindicatie heeft geplaatst. Het college heeft in het bestreden besluit niet onderkend dat hij op 26 februari 2022 persoonsgegevens van [verzoekster] heeft verwerkt en hij deze informatie buiten het verzoek van [verzoekster] heeft gelaten. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd en in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Vanwege dit geconstateerde gebrek, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit in zoverre vernietigen. De beroepsgrond slaagt. 6.4. [verzoekster] heeft verder nog betoogd dat het college haar inzageverzoek ten onrechte niet heeft aangemerkt als een toestemming om haar persoonsgegeven in de BRP te raadplegen om de aard en het doeleinde van de verwerking op 26 februari 2022 te onderzoeken. Omdat [verzoekster] in beroep wel te weten is gekomen wat de aard en het doeleinde van de verwerking is geweest en het bestreden besluit voor dit gedeelte wordt vernietigd, ziet de rechtbank geen aanleiding op dit punt een beslissing te nemen. Heeft het college persoonsgegevens verwerkt op 7 november 2022? 7. [verzoekster] stelt in beroep dat zij zich niet kan herinneren dat zij op 7 november 2022 viermaal zelf met haar Digi-D heeft ingelogd om kennis te kunnen nemen van een bericht in het digitaal loket van de gemeente Enschede. Zij stelt dat dit ook onwaarschijnlijk is omdat haar werk als gemachtigde voor een belanghebbende in de bestuurlijke fase was afgerond. Zij had daarom geen reden om met haar Digi-D in te loggen. Volgens [verzoekster] is het zonder nadere motivering niet aannemelijk dat zij zelf in het gemeentelijk loket heeft ingelogd. 7.1. In het primaire besluit heeft het college aangegeven dat op 7 november 2022 vier raadplegingen hebben plaatsgevonden door een gebruiker met een DigiD van buiten de gemeente Enschede. Omdat het college niet over de DigiD-gegevens van [verzoekster] beschikt, kan hij de raadplegingen op 7 november 2022 niet hebben gedaan. 7.2. De rechtbank stelt vast dat [verzoekster] in beroep niet heeft weersproken dat de raadplegingen zijn gedaan via een Digi-D. De rechtbank acht het aannemelijk dat niet het college op 7 november 2022 de raadplegingen heeft gedaan omdat zij geen mogelijkheden heeft om met de Digi-D van [verzoekster] in te loggen. Zij ziet geen redenen om aan het standpunt van het college te twijfelen dat zij op 7 november 2022 geen persoonsgegevens van [verzoekster] heeft verwerkt. De beroepsgrond slaagt niet. Moet de rechtbank een deskundige aanstellen? 8. [verzoekster] heeft de rechtbank voorgehouden om, met toepassing van artikel 8:47 van de Awb, een deskundige aan te wijzen. Volgens [verzoekster] kan een IT-forensisch deskundige uit de systemen van het college vaststellen of logbestanden bestaan die al dan niet zijn gemanipuleerd. Uit de logbestanden moet volgen welke medewerker en in welke systeemrol verwerkingen zijn verricht. Volgens [verzoekster] kan de rechtbank vervolgens de medewerkers als getuigen oproepen om de verwerkingsgrondslag en de (werkelijke) doelbinding van de verwerking te kunnen achterhalen. Volgens [verzoekster] kan zij zo in staat worden gesteld om effectief en adequaat gebruik te maken van haar inzagerecht. 8.1. De rechtbank overweegt dat zij aan het voorstel van [verzoekster] niet tegemoet komt. Naar het oordeel van de rechtbank draagt het aanwijzen van een deskundige niet bij aan het doel dat [verzoekster] beoogt te behalen. Het college heeft in beroep bevestigd dat op 26 februari 2022 door Corsa een afnemersindicatie is geplaatst en zij heeft uitgelegd waarom dat is gebeurd. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank verder aannemelijk gemaakt dat niet hij op 7 november 2022 persoonsgegevens van [verzoekster] heeft verwerkt. Ook heeft het college toegelicht welke persoonsgegevens hij heeft verwerkt en met welk doel. De rechtbank merkt daarover op dat uit het dossier volgt dat het college in de mail van 15 juni 2023 de naam van de medewerker van het DDC die op 24 februari 2022 de persoonsgegevens van [verzoekster] heeft geraadpleegd, aan [verzoekster] heeft verstrekt. De rechtbank zal daarom geen deskundige aanwijzen. Rechtsgevolgen in stand laten? 9. Met het oog op de finale geschilbeslechting, ziet de rechtbank aanleiding om te onderzoeken of, gelet op de motivering die verweerder in beroep heeft gegeven, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Het college heeft aangegeven dat hij [verzoekster] volledig inzicht heeft gegeven in alle verwerkingen van haar persoonsgegevens. Een nieuwe beslissing op bezwaar zal volgens hem dan ook geen nieuwe informatie opleveren. 9.1. De rechtbank is van oordeel dat het college inzichtelijk heeft gemaakt dat hij voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de verwerking van persoonsgegevens van [verzoekster] uit de BRP. Het college heeft [verzoekster] volledig over de aard, de herkomst en de doeleinden van de verwerkingen geïnformeerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoekster] niet aannemelijk gemaakt dat het college over meer persoonsgegevens beschikt en meer informatie uit de BRP heeft geraadpleegd dan hij aan [verzoekster] heeft verstrekt. De rechtbank zal het college daarom niet opdragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Conclusie en gevolgen 10. Gelet op de navraag die [verzoekster] gedaan heeft bij de RvIG over de raadpleging op 26 februari 2022 en het gewijzigde standpunt van het college over deze raadpleging, bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Het voorgaande betekent dat het beroep van [verzoekster] gegrond is omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 23 januari 2025, voor zover dit wordt vernietigd, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten. Het college heeft de motiveringsgebreken in beroep hersteld en een nieuwe beslissing op bezwaar zal geen nieuwe resultaten op het inzageverzoek opleveren. Dit betekent dat het college geen nieuw besluit hoeft te nemen. 11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt [verzoekster] een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt in totaal € 2.335,- (te weten 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de repliek van [verzoekster] op 2 april 2026). 12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan [verzoekster] het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 23 januari 2025 voor zover dat ziet op de verwerking van 26 februari 2022; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven; - laat het overige deel van het bestreden besluit in stand; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan [verzoekster] moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan [verzoekster] . Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A.G. Bulte, griffier en uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:452, r.o. 6.3. en de Afdeling van 1 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:394. De Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1040.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/109078 · 2026-07-16
