# Rechtbank Den Haag, 24-06-2026 (C/09/687223 / HA ZA 25-550)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:17735
- Date: 2026-06-24
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A17735
- Canonical: https://overview.legal/posts/109079
- Topics: Public Authority, Types of Special Categories of Personal Data, Liability, Healthcare, Personal Data

## Summary

Overheidsaansprakelijkheid. Onrechtmatige daad. Schadestaatprocedure.

## Full text

RECHTBANK Den Haag Team handel zaak- / rolnummer: C/09/687223 / HA ZA 25-550 Vonnis van 24 juni 2026 in de zaak van [eiser] te [woonplaats], eiser, hierna te noemen: [eiser], advocaat: mr. W.A. van Sambeek, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (OPENBAAR MINISTERIE) te 's-Gravenhage, gedaagde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mrs. G.C. Nieuwland en M.T. Beumers. 1 Waar gaat deze zaak over? 1.1. [eiser] is veroordeeld voor valsheid in geschrifte. Het Openbaar Ministerie heeft [eiser] na zijn veroordeling op zijn werk aangehouden om de gevangenisstraf ten uitvoer te leggen. Het OM heeft naar aanleiding van de aanhouding een persbericht uitgebracht waarin wordt vermeld dat een voortvluchtige is aangehouden. In een eerdere procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat de Staat [eiser] ten onrechte niet de status van zelfmelder heeft verleend. De Staat is verplicht de schade die [eiser] daardoor heeft geleden te vergoeden. In deze procedure vordert [eiser] daarom een schadevergoeding. Volgens [eiser] bestaat zijn schade uit inkomensschade, geestelijk letsel, reputatieschade en kosten voor rechtsbijstand. Volgens de Staat is geen sprake van schade of is sprake van minder schade dan [eiser] vordert. De rechtbank is van oordeel dat de Staat schadevergoeding moet betalen, maar het schadebedrag kan in dit vonnis nog niet volledig worden vastgesteld. [eiser] en de Staat worden in de gelegenheid gesteld eerst nog een akte te nemen. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de schadestaatdagvaarding van 17 juni 2025; - de akte van [eiser] met producties 1 tot en met 9; - de conclusie van eis in incident van [eiser] met producties 10 en 11; - de conclusie van antwoord in de hoofdzaak en het incident van de Staat met producties 1 tot en met 14; - het bericht van [eiser] met producties 12 tot en met 15. 2.2. Op 13 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen er is voorgevallen. 3 De feiten 3.1. [eiser] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 december 1997 wegens het medeplegen van valsheid in geschrifte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. 3.2. Zowel [eiser] als het Openbaar Ministerie hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Kort daarna is [eiser], die op dat moment niet gedetineerd was, uit Nederland vertrokken. Hij heeft zich op 15 april 1998 laten uitschrijven uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de [gemeente]. Volgens deze uitschrijving is [eiser] vertrokken naar [land 1] zonder opgave van een adres aldaar. 3.3. Op 22 maart 1999 heeft de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam plaatsgevonden. Op deze zitting is noch [eiser] noch zijn advocaat verschenen, waarna het gerechtshof bij arrest van 2 april 1999 het vonnis van de rechtbank heeft vernietigd en opnieuw rechtdoende [eiser] bij verstek heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. 3.4. Het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 april 1999 is verstuurd naar het bekende adres van [eiser] in [plaats 1], maar deze is vervolgens onbestelbaar retour gekomen. Het Openbaar Ministerie heeft in de periode van 2 april 2000 tot 15 oktober 1999 diverse malen gecontroleerd of [eiser] inmiddels in de (Nederlandse) Basisregistratie Personen (BRP) was opgenomen. Bij brieven van 16 april 2009 en 6 mei 2009 heeft de minister van Buitenlandse Zaken het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB) bericht dat conform diens verzoek de personalia van [eiser] zijn opgenomen in het opsporingsregister van de Dienst Nationale Recherche Informatie (DNRI) en dat door tussenkomst van de Nederlandse ambassade in [plaats 1] van [eiser] in [land 1] is ontvangen. In een rechtshulpverzoek namens de advocaat-generaal die met de executie is belast van 12 mei 2009 gericht aan de bevoegde autoriteiten in [land 1], is verzocht het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 april 1999, althans de verstekmelding, op dat adres aan [eiser] te doen toekomen en de advocaat-generaal vervolgens te berichten of de uitreiking heeft plaatsgevonden. Op 5 oktober 2009 heeft het Openbaar Ministerie via het rechtshulpverzoek de verstekmelding uitgereikt aan een zwager van [eiser] op dat adres. 3.5. Op 15 oktober 2009 heeft [eiser] cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam. Bij arrest van 27 september 2011 heeft de Hoge Raad het arrest vernietigd, echter uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad heeft deze verminderd tot 22 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. 3.6. [eiser] is in 2009 door de raad van toezicht van de Stichting Kadaster- en Hypotheekwezen [land 2] op [land 2] (hierna: het Kadaster) benoemd tot waarnemend directeur en met ingang van 1 december 2010, voor de duur van vijf jaren, tot directeur. Hij bekleedde tevens de functie van bewaarder en hoofd landmeetkunde. 3.7. Bij brief van 24 februari 2012 heeft mr. Van der Lee namens [eiser] aan zowel het gerechtshof Amsterdam als het ministerie van Justitie, dienst Justis, afdeling Executie gevangenisstraffen, onder meer als volgt bericht: “ Hierdoor bericht ik u dat cliënt, voor wat betreft mededelingen terzake de executie van de gevangenisstraf, woonplaats kiest op mijn kantooradres en dat mededelingen aan of oproepingen jegens cliënt aan ons kantooradres kunnen worden gericht. ” 3.8. Op 3 juni 2015 is jegens [eiser] een Europees arrestatiebevel uitgevaardigd en een interregionaal rechtshulpverzoek aan [land 2] verzonden. 3.9. Op 24 juni 2015 is [eiser] in zijn kantoor bij het Kadaster, in het bijzijn van collega’s, aangehouden en naar een op [land 2] gelegen gevangenis gebracht. Op dezelfde dag en in de dagen daarna hebben de (lokale) media (via internetblogs) bericht over de aanhouding van [eiser]. Op 1 juli 2015 is [eiser] overgebracht naar Nederland, waar hij in detentie is genomen. 3.10. Op 1 juli 2015 heeft het Openbaar Ministerie een persbericht uitgebracht met onder meer de volgende informatie: “ Voortvluchtige veroordeelde op [land 2] aangehouden Een 55-jarige Surinaamse man is vorige week op [land 2] aangehouden, omdat hij in Nederland nog 475 dagen gevangenisstraf moet uitzitten voor grootschalige uitkeringsfraude in de jaren negentig. (…) Met de noorderzon vertrokken Hoewel de rechtbank in eerste aanleg in december 1997 reeds uitspraak heeft gedaan, is de zaak pas in 2011 onherroepelijk geworden na het afronden van een cassatieprocedure. Bij dat tijdsverloop is doorslaggevend geweest dat betrokkene op enig moment met de noorderzon is vertrokken. Het heeft veel tijd en moeite gekost om adresgegevens te achterhalen. Uit onderzoek door het Fugitive Active Search Team (FAST) bleek dat de man werkzaam en woonachtig zou zijn op [land 2]. Hij bekleedt er een hoge overheidsfunctie. ” 3.11. Op 9 juli 2015 heeft [eiser] een kortgedingprocedure tegen de Staat aanhangig gemaakt, waarin hij onder meer heeft gevorderd dat de Staat hem de status van zelfmelder als bedoeld in Bijlage 1 bij de Aanwijzing executie (vervangende) vrijheidsstraffen, taakstraffen van meerderjarigen. geldboetes, schadevergoedings- en ontnemingsmaatregelen, Europese geldelijke sancties en toepassing voorwaardelijke in vrijheidstelling (hierna: de Aanwijzing executie) dient toe te kennen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 7 augustus 2015 deze vordering toegewezen. Daartoe heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat de weigering van het CJIB (Openbaar Ministerie) tot het aan [eiser] toekennen van de status van zelfmelder een redelijke grondslag ontbeert. De Staat heeft tegen dit vonnis geen hoger beroep ingesteld. [eiser] is vervolgens in vrijheid gesteld en op 18 augustus 2015 op eigen gelegenheid teruggekeerd op [land 2]. 3.12. Op 30 juli 2015 heeft de raad van toezicht van het Kadaster besloten om [eiser] met ingang van 31 juli 2015 te ontslaan als hypotheekbewaarder en directeur, en om de bestuurdersovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen. 3.13. Bij brief van 12 augustus 2015 heeft de Dienst Justitiële Inrichtingen het verzoek van [eiser] tot uitstel van zijn gevangenisstraf tot 7 december 2015 toegewezen. 3.14. Op 5 oktober 2015 heeft [eiser] het Kadaster in rechte betrokken over de beëindiging van de bestuurdersovereenkomst. Bij vonnis in kort geding van 13 november 2015 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van [land 2] de vorderingen van [eiser] tot wedertewerkstelling en doorbetaling van het loon afgewezen, omdat hij de strafrechtelijke veroordeling niet had mogen verzwijgen. Bij beschikking/vonnis van 25 mei 2016 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg van [land 2] in de bodemzaak in gelijke zin geoordeeld. 3.15. Op 7 december 2015 heeft [eiser] zich gemeld bij de penitentiaire inrichting in [plaats 2] om zijn straf uit te zitten. 3.16. Bij vonnis van 3 maart 2017 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van [landen] (hierna: het Gemeenschappelijk Hof) de vordering van [eiser] tot doorbetaling van het loon alsnog toegewezen. Het Gemeenschappelijk Hof heeft hiertoe overwogen dat [eiser] zich weliswaar schuldig heeft gemaakt aan een ernstige toerekenbare tekortkoming door na zijn onherroepelijke veroordeling deze te verzwijgen tegenover het Kadaster, maar dat dit onverlet laat dat in de bestuurdersovereenkomst is bepaald dat ook in dat geval een opzegtermijn van acht maanden geldt. 3.17. Vanaf 2017 heeft [eiser] een bijstandsuitkering ontvangen, omdat hij er niet in slaagde een baan te vinden. 3.18. In een re-integratieadvies van het UWV van 11 september 2018 is het volgende vermeld: “ Client is een 58 jarige man die een uitkering heeft. Hij ervaart mentale en fysieke klachten, hierdoor is hij aangewezen op werkzaamheden die lichamelijk en mentaal niet belastend zijn. Geen nacht/wisseldiensten, incidenteel een deadline/productiepiek, geen conflicthantering, geen patiënt contacten. (…) Gesprek met cliënt In [land 2] heeft cliënt verantwoordelijk werk gehad en als baas en als leidinggevende veel beslissingen moeten nemen die hem niet altijd in dank werden afgenomen. De weerstand en de animositeit die dit opriep kon hij toen altijd goed aan. De heer [eiser] heeft de afgelopen 3 jaar een zware tijd gehad en dergelijke spanningsvolle werk gerelateerde gebeurtenissen uit het verleden komen nu in zijn dromen boven, hij slaapt hierdoor slecht. Hij was toen een ander persoon die sterk in zijn schoenen stond en een goed leven had. Hier in Nederland moet hij opnieuw beginnen en mist hij aansluiting op de arbeidsmarkt. De heer [eiser] heeft n.a.v. zijn CV en sollicitatiebrieven diverse uitnodigingen gehad voor een sollicitatiegesprek maar is uiteindelijk niet aangenomen. Hij denkt dat dit te wijten is aan het antecedenten onderzoek wat een werkgever die op dit niveau een werknemer zoekt nu eenmaal uitvoert en wat ongetwijfeld heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft hij verouderde opleiding, moet hij ook concurreren met pas afgestudeerde jonge mensen en heeft hij geen netwerk. Het vinden van aansluiting op de Nederlandse arbeidsmarkt en om op niveau ergens binnen te komen zonder netwerk, is lastig. Daarnaast spelen zijn beperkingen hem ook parten. Voorheen had hij alle vrijheid om pauzes te nemen, bijvoorbeeld een stukje te gaan lopen. Als hij bij een nieuwe werkgever al direct met een eisenpakket aan komt zetten dan verkleinen zijn kansen nog meer. De heer [eiser] heeft geen idee waar hij zou moeten beginnen. Hulp hierbij is zeer welkom, daarom heeft hij ook zelf het initiatief genomen om bij de gemeente aan te kloppen. ” 3.19. In een procedure die [eiser] tegen de Staat is gestart (hierna: de hoofdprocedure) heeft [eiser] onder meer gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat de Staat aansprakelijk is jegens [eiser] voor de schade die hij heeft geleden doordat hij aanvankelijk als voortvluchtige is aangemerkt, hij als zodanig is aangehouden en de Staat daaraan publiciteit heeft gegeven, nader te specificeren dan wel op te maken bij staat. In het vonnis van de rechtbank van Den Haag van 20 maart 2019 is het volgende vermeld: “ 3.1. [eiser] legt aan zijn vorderingen, samengevat en kort weergegeven, ten grondslag dat dat de Staat onzorgvuldig en derhalve onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem aanvankelijk als voortvluchtige kwalificeren, een arrestatiebevel jegens hem uit te vaardigen, een rechtshulpverzoek aan [land 2] te verzenden, hem aan te houden en dit in de publiciteit te brengen en voorts die kwalificatie tot het moment van rechterlijke interventie te handhaven in plaats van [eiser] van meet af aan de status van zelfmelder te verlenen en toe te laten tot de zelfmeldprocedure. De Staat is aansprakelijk voor alle schade die [eiser] heeft geleden en lijdt door deze onrechtmatige daad. De omvang van de schade staat nog niet vast, maar bestaat in ieder geval uit het misgelopen en mis te lopen inkomen, aantasting van de eer, goede naam en reputatie, althans schending van de privacy van [eiser], kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en buitengerechtelijke incassokosten. Als voorschot vordert [eiser] de nu reeds vastgestelde schade, zijnde de kosten die [eiser] heeft moeten maken om aanspraak te houden op het loon bij het Kadaster. (…) 4 De beoordeling (…) 4.18. De rechtbank concludeert dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door hem ten onrechte aanvankelijk niet de status van zelfmelder te verlenen en hem aan te houden en hierover op 1 juli 2015 in de publiciteit te treden. Dit betekent dat de Staat aansprakelijk is voor de eventuele schade die [eiser] als gevolg van dat onrechtmatig handelen heeft geleden en nog zal lijden. (…) 4.22. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of sprake is van causaliteit in de zin van een condicio sine qua non verband. Hiertoe overweegt zij, dat, indien [eiser] was aangemerkt als zelfmelder, en (dus) niet op het kantoor van het Kadaster in het bijzijn van collega’s was aangehouden op 24 mei 2015, de berichtgeving in de media hierover niet had plaatsgevonden en de raad van toezicht van het Kadaster niet op 30 juli 2015/19 augustus 2015 had besloten om [eiser] met onmiddellijke ingang te ontslaan. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat dit tot enige schade aan de zijde van [eiser] heeft geleid. Dat volgens de Staat ook andere omstandigheden hebben bijgedragen aan de (inkomens)schade en het ontslag van [eiser], doet aan het condicio sine qua non-verband niet af en komt aan de orde bij de bespreking van de omvang van de schade. Daarmee is de aansprakelijkheid van de Staat gegeven. 4.23. De vraag of alle door [eiser] gestelde schadeposten aan de Staat kunnen worden toegerekend als gevolg van het onrechtmatig handelen (artikel 6:98 BW) zal hierna bij de behandeling van de omvang schade (zie rechtsoverwegingen 4.25 e.v.) aan de orde komen Tussenconclusie verklaring voor recht 4.24. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] aanvankelijk niet de status van zelfmelder toe te kennen, hem aan te houden en daar publiciteit aan te geven. Ook staat voldoende vast dat [eiser] schade heeft geleden, en dat tussen die schade en het onrechtmatig handelen een condicio sine qua non-verband bestaat. De gevorderde verklaring voor recht is derhalve toewijsbaar. Omvang schade (…) 4.29. De rechtbank overweegt als volgt. Indien aan [eiser] de status van zelfmelder was toegekend, dan zou hij, zo volgt uit de Aanwijzing Executie, een oproep hebben ontvangen om zich op een bepaalde datum te melden in een penitentiaire inrichting in Nederland om zijn gevangenisstraf te ondergaan. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat in het geval die datum vóór 1 december 2015 gelegen zou zijn geweest, hij verzocht zou hebben om uitstel om hem de gelegenheid te geven zijn werkzaamheden bij het Kadaster op deugdelijke wijze af te ronden en over te dragen aan zijn opvolger. Gelet op de centrale functie die [eiser] in de kleine organisatie van het Kadaster bekleedde, en de omstandigheid dat [eiser]’ aanstelling bij het Kadaster binnen afzienbare termijn zou eindigen, mag er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat dit uitstelverzoek zou worden gehonoreerd. In de Aanwijzing Executie worden problemen in de werksituatie immers genoemd als reden voor inwilliging van een uitstelverzoek. Bovendien is het door [eiser] werkelijk gedane verzoek tot uitstel om die reden ook op 12 augustus 2015 ingewilligd. 4.30. De Staat betoogt dat het Kadaster [eiser] ook in deze hypothetische situatie zou hebben ontslagen. [eiser] stelt echter dat hij het Kadaster ook dan niet geïnformeerd zou hebben over zijn veroordeling en zijn contract had laten aflopen. De rechtbank volgt [eiser] hierin. Omdat de Staat tot het persbericht van 1 juli 2015 nooit publiekelijk aandacht heeft besteed aan de veroordeling van [eiser], mag worden aangenomen dat de Staat aan de oproeping van [eiser] ook geen ruchtbaarheid zou hebben gegeven. Dit is in ieder geval niet gebleken en er is ook niets daartoe gesteld door de Staat. Dat betekent dat (de raad van toezicht van) het Kadaster niet bekend zou zijn geworden met de veroordeling van [eiser] en hem dus ook niet zou hebben ontslagen op dat moment. Aangezien [eiser] zich daadwerkelijk op 2 december 2015 heeft gemeld in de penitentiaire inrichting in Nederland, heeft de rechtbank geen reden om aan te nemen dat dit in de hypothetische situatie anders zou zijn en dat alsnog een arrestatiebevel zou worden uitgevaardigd. Dit betekent dat met voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld dat [eiser] geen procedure tegen het Kadaster aanhangig zou hebben hoeven maken om aanspraak op zijn loon te maken, in de hypothetische situatie dat [eiser] als zelfmelder zou zijn aangemerkt. (…) 4.37. Hoewel de omvang van de schade in deze procedure nog niet ter beoordeling voorligt, behoudens de hiervoor besproken kosten die [eiser] heeft gemaakt voor het voeren van de arbeidsrechtelijke procedures tegen het Kadaster, dient wel aannemelijk te zijn dat [eiser] aanspraak heeft op (enige) schadevergoeding. De Staat heeft als meest verstrekkend verweer gevoerd dat de mate waarin de aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen rechtvaardigt dat de vergoedingsplicht van de Staat geheel vervalt. De rechtbank zal dit verweer in deze procedure beoordelen, omdat als het verweer slaagt de vordering van [eiser] op deze grond afgewezen dient te worden. (…) 4.39. De rechtbank overweegt als volgt. [eiser] voert aan dat de omvang van zijn schade nog niet vast staat, maar in ieder geval bestaat uit het door hem misgelopen en mis te lopen inkomen en immateriële schade. De rechtbank gaat er thans veronderstellende wijs vanuit dat die schade daadwerkelijk is opgetreden en/of nog zal optreden en het gevolg is van het onrechtmatig handelen van de Staat. Vaststaat dat [eiser] strafrechtelijk is veroordeeld voor valsheid in geschrifte, dat hij dit verzwegen heeft tegenover zijn voormalig werkgever en dat dit reden is geweest voor zijn ontslag. De rechtbank acht aannemelijk dat dit in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de huidige (inkomens)positie van [eiser]. Afhankelijk van het soort werk kan dit immers voor een toekomstige werkgever een bezwaar opleveren. De Staat heeft echter ook bijgedragen aan het ontstaan van de door [eiser] gestelde schade. Door de handelwijze van de Staat is immers de veroordeling van [eiser] publiekelijk bekend geworden. Het feit dat [eiser] in het persbericht is omschreven als een voortvluchtige heeft de beeldvorming over hem in negatieve zin beïnvloed en zijn kansen op de arbeidsmarkt (verder) beperkt. De rechtbank is voorshands van oordeel dat, in het licht van die omstandigheden, niet gezegd kan worden dat de omstandigheden die aan [eiser] kunnen worden toegerekend dusdanig zwaar wegen dat de vergoedingsplicht van de Staat voor de overige materiële en immateriële schadeposten geheel vervalt. De stelling van de Staat faalt derhalve. In welke verhouding (bijvoorbeeld uitgedrukt in percentages) de verschillende omstandigheden hebben bijgedragen aan de schade, kan in de schadestaatprocedure verder aan de orde komen. 4.40. Nu voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat schade heeft geleden, zal de zaak, zoals gevorderd, worden verwezen naar de schadestaatprocedure om de omvang van de schade vast te stellen. In die procedure zal, zoals hiervoor overwogen, onder meer het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen en de gestelde schadeposten in de zin van artikel 6:98 BW aan de orde kunnen komen. Ook kan dan in het kader van het beroep van de Staat op eigen schuld van [eiser] de exacte schadeverdeling worden vastgesteld. ” 3.20. Op verschillende momenten na het vonnis in de hoofdprocedure heeft [eiser] een tijdelijk dienstverband gehad waarmee hij salaris verdiend. 3.21. Op 23 april 2020 heeft rekenkundig expert [naam 1] een rapport inkomstenderving ten behoeve van [eiser] uitgebracht. In het rapport heeft [naam 1] berekend welk brutosalaris [eiser] zou hebben verdiend in de hypothetische situatie dat hij van 1 januari 2017 tot zijn pensioengerechtigde leeftijd op 18 maart 2025 het salaris zou hebben verdiend dat hij verdiende toen hij werd ontslagen bij het Kadaster. In het kader van het hypothetische scenario wordt onder meer vermeld dat: “ Gezien zijn leeftijd zag de heer [eiser] geen mogelijkheid om na het ontslag nog een betaalde baan te vinden. Hij heeft daar wel zijn uiterste best voor gedaan, getuige de 148 sollicitatiebrieven die hij verstuurd heeft .” Daarnaast heeft [naam 1] het feitelijke inkomen van [eiser] in deze periode berekend. Op 30 april 2026 heeft [naam 1] zijn berekening geactualiseerd. In deze berekening wordt het verschil tussen het inkomen in de hypothetische situatie en het feitelijke inkomen becijferd op € 1.181.369. 4 Het geschil in de hoofdzaak 4.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven en na eiswijziging – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. de Staat veroordeelt tot betaling van € 1.303.402,10 te vermeerderen met wettelijke rente; II. te bepalen dat het op 16 september 2021 betaalde voorschot van € 12.500 op de veroordeling onder sub I in mindering strekt; III. de Staat veroordeelt in de kosten van de procedure. 4.2. [eiser] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. De Staat heeft onrechtmatig gehandeld jegens [eiser] op de manier zoals beschreven in het vonnis van 20 maart 2019 in de hoofdprocedure. [eiser] heeft als gevolg daarvan € 1.181.369 schade geleden uit gederfd inkomen. Deze schade is ontstaan doordat [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat zijn werk bij het Kadaster niet heeft kunnen voortzetten en ook geen functie met een vergelijkbaar salaris heeft kunnen krijgen. Ter onderbouwing van de omvang van de inkomensschade verwijst [eiser] naar het rapport van [naam 1]. Daarnaast heeft [eiser] immateriële schade geleden. [eiser] heeft geestelijk letsel opgelopen bestaande uit stress, leed, stigmatisering, traumatisering, gederfde levensvreugde en aantasting in de persoon als gevolg van het handelen van de Staat. [eiser] vordert daarom € 40.000 aan smartengeld. Daarnaast heeft [eiser] € 25.000 aan reputatieschade geleden. Tot slot heeft [eiser] € 57.033,10 aan kosten gemaakt voor rechtsbijstand en voor een advies van prof. mr. [naam 2]. Deze kosten zijn redelijke kosten ter beperking van schade dan wel redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. 4.3. De Staat voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. 4.4. De Staat legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. De Staat betwist dat [eiser] inkomensschade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat. Voor zover wel sprake is van inkomensschade, moet de vergoedingsplicht van de Staat in grote mate worden verminderd vanwege eigen schuld van [eiser] aan de schade. Daarnaast betwist de Staat dat [eiser] geestelijk letsel heeft opgelopen door toedoen van de Staat. Voor de geleden reputatieschade kan slechts een laag bedrag aan schadevergoeding worden toegewezen, ook omdat [eiser] eigen schuld heeft aan de reputatieschade. Tot slot betwist de Staat dat de kosten voor rechtsbijstand en voor het advies van [naam 3] kosten zijn die de Staat moet vergoeden. in het incident 4.5. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven dat de rechtbank bij vonnis en uitvoerbaar bij voorraad voor de duur van de procedure: I. de Staat veroordeelt tot betaling van € 50.000; II. de Staat veroordeelt in de kosten van het incident. 4.6. [eiser] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat [eiser] binnenkort geen werk meer heeft. [eiser] zal daarna slechts voor korte duur een WW-uitkering ontvangen. [eiser] heeft er daarom voor de duur van de procedure belang bij dat de Staat een voorschot op de schadevergoeding betaalt. 4.7. De Staat voert verweert dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. in de hoofdzaak en in het incident 4.8. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling in de hoofdzaak 5.1. Op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is iemand die jegens een ander een toerekenbare onrechtmatige daad pleegt, verplicht de schade te vergoeden die de ander daardoor lijdt. Naast een toerekenbare onrechtmatige daad is voor schadevergoeding dus ook vereist dat [eiser] schade heeft geleden en dat causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige daad en de schade. Hiervoor moet een vergelijking worden gemaakt tussen de feitelijke situatie en de hypothetische situatie waarin de Staat niet onrechtmatig zou hebben gehandeld. Er is sprake van een causaal verband als de schade die [eiser] in de feitelijke situatie heeft geleden niet zou zijn opgetreden in de hypothetische situatie. Daarnaast moet de schade als een gevolg van de onrechtmatige daad aan de aansprakelijke kunnen worden toegerekend. Inkomensschade Het vonnis in de hoofdprocedure 5.2. De huidige procedure is een schadestaatprocedure als bedoeld in artikel 612 en verder van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De rechter in de schadestaatprocedure is daarom gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdprocedure. 5.3. In de hoofdprocedure heeft de rechtbank geoordeeld dat de Staat toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. De Staat is aansprakelijk jegens [eiser] omdat de Staat, kort gezegd, [eiser] aanvankelijk niet de status van zelfmelder heeft verleend, [eiser] heeft aangehouden, en hierover in de publiciteit is getreden. Partijen zijn het niet eens over de vraag in hoeverre de rechter in de hoofdprocedure al heeft geoordeeld over het causaal verband tussen de gevorderde schade en de onrechtmatige daad van de Staat. Volgens [eiser] heeft de rechter in de hoofdprocedure de hypothetische situatie al vastgesteld, waarbij als uitganspunt geldt dat [eiser] in staat zou zijn geweest zijn tijdelijke arbeidsovereenkomst bij het Kadaster uit te dienen, zijn straf uit te zitten, en vervolgens weer beschikbaar zou zijn op de arbeidsmarkt. De veroordeling van [eiser] zou in de hypothetische situatie niet publiekelijk bekend zijn geworden. Volgens de Staat geldt de hypothetische situatie in het vonnis in de hoofdprocedure alleen voor de schadeposten waarover in de hoofdprocedure al is beslist en niet voor de schade waarvan [eiser] in de huidige procedure vergoeding vordert. [eiser] zou volgens de Staat in de hypothetische situatie gehouden zijn om zijn veroordeling bij het Kadaster te melden, zodat deze hoe dan ook van het strafrechtelijke verleden van [eiser] op de hoogte zou zijn geraakt. 5.4. Het is aan de rechter in de schadestaatprocedure om vast te stellen op welke punten in de hoofdprocedure reeds is beslist. Indien partijen het niet eens zijn over de manier waarop een vonnis moet worden uitgelegd, is de rechter niet gebonden aan de standpunten die partijen hierover innemen, maar moet hij hierover zelfstandig een feitelijk oordeel geven. De rechtbank legt het vonnis van de rechter in de hoofdprocedure als volgt uit. 5.5. In r.o. 4.23 van het vonnis in de hoofdprocedure heeft de rechtbank overwogen dat de beoordeling van de vraag of alle door [eiser] gestelde schadeposten aan de Staat kunnen worden toegerekend als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat bij de behandeling van de omvang van de schade aan de orde zal komen. De rechtbank heeft daarbij uitdrukkelijk verwezen naar rechtsoverwegingen 4.25 en verder van hetzelfde vonnis. De rechtbank heeft vervolgens vanaf r.o. 4.28 een oordeel gegeven over de hypothetische situatie, en heeft in r.o. 4.30 nadrukkelijk de stelling van de Staat verworpen dat [eiser] door het Kadaster zou zijn ontslagen vanwege zijn strafrechtelijke veroordeling. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Kadaster zonder de arrestatie van [eiser] op zijn werk, niet bekend zou zijn geworden met de strafrechtelijke veroordeling van [eiser]. Alhoewel in r.o. 4.30 uitsluitend vergoeding aan de orde is van de advocaatkosten die [eiser] heeft gemaakt in de procedure tegen het Kadaster, bestaan er geen aanwijzingen om te veronderstellen dat het oordeel van de rechtbank over de hypothetische situatie uitsluitend tot deze schadepost beperkt is. Uit r.o. 4.23 volgt juist dat de rechtbank voor ogen heeft gehad om een beslissing te nemen over het causaal verband ten aanzien van “ alle door [eiser] gestelde schadeposten ”. Hiermee verhoudt zich niet dat de door de rechtbank in r.o. 4.30 aangenomen hypothetische situatie uitsluitend voor een gedeelte van de gevorderde advocaatkosten geldt. De door de Staat voorgestane uitleg kan er bovendien toe leiden dat de hypothetische situatie naar gelang de schadepost verschilt. Het ligt niet voor de hand dat de rechtbank een dergelijk rechtsgevolg heeft beoogd. Het voorgaande betekent dat de rechter in de schadestaatprocedure bij de beoordeling van andere schadeposten ook is gebonden aan hetgeen de rechter in rechtsoverweging 4.29 en 4.30 van het vonnis in de hoofdprocedure al over de hypothetische situatie heeft vastgesteld. Het vervolg van de hypothetische situatie 5.6. Uit het voorgaande volgt dat [eiser] in de hypothetische situatie niet zou zijn ontslagen en na reguliere afloop van zijn dienstverband bij het Kadaster zijn gevangenisstraf zou hebben uitgezeten. [eiser] zou na het uitzitten van zijn detentie opnieuw hebben moeten solliciteren. Om de schade van [eiser] te begroten zal de rechtbank de hypothetische situatie na de detentie van [eiser] verder reconstrueren. 5.7. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld wat zou zijn gebeurd als de Staat niet onrechtmatig zou hebben gehandeld. De vordering van [eiser] is gebaseerd op het uitgangspunt dat hij na zijn gevangenisstraf in een vergelijkbare functie als directeur van het Kadaster zou hebben kunnen werken. De Staat betwist dat dit een realistisch scenario was. Er zijn verschillende omstandigheden die het onzeker maken of [eiser] in de hypothetische situatie met succes een vergelijkbare functie zou hebben kunnen vinden. De rechtbank zal deze omstandigheden hierna verder bespreken. 5.8. De Staat heeft in de eerste plaats gesteld dat [eiser] vanwege zijn leeftijd lagere kansen op de arbeidsmarkt had. De Staat heeft daarbij verwezen naar algemene ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. [eiser] betwist niet dat in het algemeen leeftijd een rol speelt op de arbeidsmarkt. Hij stelt echter dat leeftijd minder van belang is voor de beroepsgroep van geodeten waartoe hij behoort. De Staat heeft dit betwist en [eiser] heeft deze stelling ook niet onderbouwd. Dit had wel op de weg van [eiser] gelegen, mede gelet op de omstandigheid dat in het rapport van [naam 1] van 23 april 2020 leeftijd als de reden wordt genoemd waarom [eiser] er niet in is geslaagd om een betaalde baan te vinden, en uit het rapport van het UWV van 11 september 2018 volgt dat [eiser] moeite heeft met werk te vinden omdat hij concurrentie ondervindt van jongere mensen die gerichter zijn opgeleid. De rechtbank is daarom van oordeel dat voldoende vaststaat dat de leeftijd van [eiser] zijn kansen op de arbeidsmarkt in de hypothetische situatie in negatieve zin heeft beïnvloed. 5.9. De Staat heeft verder gewezen op de gezondheidsbeperkingen die door het UWV in het rapport van 11 september 2018 zijn opgenomen. In het rapport wordt onder meer benoemd dat [eiser] geen werkzaamheden kan doen die mentaal belastend zijn, zoals veel deadlines of conflicthantering. [eiser] heeft tijdens de zitting ook toegelicht dat hij posttraumatisch stresssyndroom (hierna: PTSS) heeft en daar mentale klachten van ondervindt. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat [eiser] niet langer geschikt was om een leidinggevende functie te bekleden. Conflicthantering is immers een wezenlijk onderdeel van een leidinggevende functie. De rechtbank gaat om deze reden ook voorbij aan het tijdens de mondelinge behandeling door [eiser] ingenomen standpunt dat hij na zijn detentie mogelijk weer als directeur van het Kadaster had kunnen werken. [eiser] heeft verder nog gesteld dat deze beperkingen in de hypothetische situatie niet zouden hebben bestaan, omdat de mentale klachten het gevolg zijn van de wijze waarop de Staat hem op zijn werk heeft aangehouden en de publiciteit die daarmee gepaard ging, maar dit is door de Staat weersproken. De rechtbank acht in dit verband van belang dat de Staat al in de conclusie van antwoord erop heeft gewezen dat [eiser] geen concrete gegevens, zoals een medisch advies, heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij als gevolg van de aanhouding geestelijk letsel heeft opgelopen. [eiser] heeft een dergelijke toelichting ook niet in de loop van de procedure gegeven. Nu [eiser] geen nadere gegevens heeft aangereikt waaruit volgt dat de PTSS als gevolg van de aanhouding en de daarmee gepaard gaande publiciteit psychische schade is ontstaan, heeft [eiser] zijn stelling onvoldoende gemotiveerd toegelicht. Voor bewijslevering bestaat daarom ook geen aanleiding. De rechtbank gaat er daarom van uit dat, ook in de hypothetische situatie, [eiser] vanwege zijn mentale klachten geen leidinggevende functie meer had kunnen vervullen. 5.10. De Staat voert daarnaast aan dat het strafrechtelijke verleden van [eiser] een negatieve invloed heeft gehad op zijn kansen van [eiser] op de arbeidsmarkt. [eiser] stelt dat zijn strafrechtelijke verleden niet publiekelijk bekend zou zijn geworden zonder de arrestatie en het persbericht van de Staat. In de hypothetische situatie had volgens [eiser] de veroordeling dus geen negatieve invloed kunnen hebben op zijn kansen. [eiser] heeft toegelicht dat hij na afloop van zijn dienstverband bij het Kadaster zou hebben gezegd een ‘sabbatical’ te nemen. Na zijn gevangenisstraf zou hij zijn carrière op reguliere wijze hebben kunnen voorzetten. De Staat betwist dit en meent dat [eiser] een plicht had zijn strafrechtelijke verleden te melden aan een mogelijke toekomstige werkgever. 5.11. De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van de Staat dat [eiser] een plicht had uit eigen beweging zijn strafrechtelijke verleden te melden tijdens een sollicitatieprocedure. Hoewel de functie van directeur bij het Kadaster en vergelijkbare functies bij de overheid integriteit vereisen, geldt dat de strafbare feiten in de jaren ‘90 van de vorige eeuw zijn gepleegd. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] sindsdien niet meer met justitie in aanraking is geweest, en dat hij zijn werkzaamheden bij het Kadaster naar volle tevredenheid van zijn werkgever heeft verricht. Het valt in dit licht zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te begrijpen waarom de strafrechtelijke veroordeling voor een toekomstige werkgever van [eiser] van belang zou zijn. De Staat heeft in dit verband nog gewezen op het arrest van het Gemeenschappelijk Hof van 3 maart 2017 in de zaak tussen [eiser] en het Kadaster, waarin het Gemeenschappelijk Hof oordeelde dat [eiser] zijn strafrechtelijke veroordeling niet voor het Kadaster had mogen verzwijgen, maar dit oordeel heeft betrekking op een andere situatie. Dat arrest zag namelijk specifiek op de situatie dat de veroordeling van [eiser] tijdens zijn dienstverband onherroepelijk kwam vast te staan. Een dergelijke veroordeling kan de belangen van de werkgever wel raken, alleen maar omdat [eiser] op enig moment zijn gevangenisstraf zal moeten uitzitten. Anders dan de Staat lijkt te veronderstellen kan uit het arrest van het Gemeenschappelijk Hof niet worden afgeleid dat [eiser] de strafrechtelijke veroordeling ook in een sollicitatieprocedure voor een nieuwe functie had moeten melden. 5.12. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat [eiser] geen plicht had zijn strafrechtelijke veroordeling uit eigen beweging te melden, zou [eiser] ook in de hypothetische situatie zonder het onrechtmatig handelen van de Staat een gat op zijn cv hebben gehad. Tijdens de mondelinge behandeling is ook namens [eiser] onderkend dat er in de hypothetische situatie een aanzienlijke kans zou bestaan dat een mogelijke werkgever hierover vragen zou hebben gesteld tijdens de sollicitatieprocedure. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] hier naar waarheid op had moeten antwoorden. Op die manier bestaat een aanzienlijke kans dat het strafrechtelijke verleden van [eiser] alsnog ter sprake zou zijn gekomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het strafrechtelijke verleden van [eiser] ook in de hypothetische situatie zijn kansen op de arbeidsmarkt in negatieve zin zou hebben beïnvloed. 5.13. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de Staat met de wijze waarop hij [eiser] heeft gearresteerd en met het persbericht dat de Staat heeft gepubliceerd wel invloed heeft gehad op de kansen van [eiser] op de arbeidsmarkt. De rechter in de hoofdprocedure heeft ook al vastgesteld dat door de handelwijze van de Staat de strafrechtelijke veroordeling van [eiser] publiekelijk bekend is geworden. [eiser] heeft in dit verband onweersproken toegelicht dat als op zoekmachines op internet op zijn naam wordt gezocht een van de eerste zoekresultaten betrekking heeft op een publicatie over zijn aanhouding. De rechtbank acht het daarom aannemelijk dat ook de publicatie rond zijn aanhouding in negatieve zin heeft bijgedragen aan zijn kansen op de arbeidsmarkt. Daarom is de rechtbank van oordeel dat [eiser] in de hypothetische situatie zonder het onrechtmatig handelen van de Staat een grotere kans had op een baan met een salaris dat vergelijkbaar was met zijn functie van directeur van het Kadaster. 5.14. De rechtbank stelt dus vast dat [eiser] in de hypothetische situatie een kans zou hebben gehad op een betere uitkomst dan de uitkomst in de feitelijke situatie. De rechtbank stelt ook vast dat de Staat hem deze kans door het onrechtmatig handelen heeft onthouden. Tot slot stelt de rechtbank vast dat onzekerheid bestaat over de vraag in hoeverre de kans op succes zich in de hypothetische situatie in werkelijkheid zou hebben gerealiseerd. In een dergelijk geval kan de rechtbank kansschade toewijzen. Daarbij wordt de schade geschat aan de hand van de kans die [eiser] zou hebben gehad op een betere uitkomst als de Staat niet onrechtmatig zou hebben gehandeld. Al met al acht de rechtbank de kans dat [eiser] een functie met een salaris vergelijkbaar aan dat van directeur van het Kadaster zou hebben kunnen krijgen klein maar niet verwaarloosbaar. De rechtbank schat die kans in het licht van alle omstandigheden op 10%. De rechtbank zal met dit percentage rekening houden bij het vaststellen van de omvang van de schade. Omvang van de inkomensschade 5.15. Voor de omvang van de schade verwijst [eiser] naar het rapport van [naam 1]. [naam 1] heeft over de periode van 1 januari 2017 tot en met het moment waarop [eiser] de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt berekend wat [eiser] zou hebben verdiend als hij een functie vergelijkbaar met directeur van het Kadaster zou hebben gehad. Ook heeft [naam 1] berekend wat [eiser] in dezelfde periode daadwerkelijk heeft verdiend. Het verschil tussen deze bedragen is volgens [eiser] de schade. 5.16. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] met het rapport van [naam 1] voldoende heeft onderbouwd hoeveel hij in de relevante periode daadwerkelijk heeft verdiend. De Staat heeft ter zitting nog opgemerkt dat het rapport niet is onderbouwd met belastingaangiftes. De rechtbank ziet daarin echter onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de begroting van [naam 1]. De Staat heeft evenmin de berekening van [naam 1] van hetgeen [eiser] in de hypothetische situatie zou hebben verdiend voldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank zal zich daarom bij deze berekening aansluiten. Zoals toegelicht zal de rechtbank het feitelijke inkomen zoals berekend door [naam 1] aftrekken van het inkomen dat [eiser] zou hebben gehad bij een geslaagde kans op succes in de hypothetische situatie. 5.17. Als [eiser] in de hypothetische situatie de kans op succes had gerealiseerd, zou hij € 1.181.369 schade hebben gehad. Met toepassing van het kanspercentage van 10% begroot de rechtbank de inkomensschade van [eiser] op een brutobedrag van € 118.136,90. 5.18. De rechtbank heeft tijdens de zitting met partijen besproken dat de berekende inkomensschade als brutobedrag wordt gevorderd, en [eiser] in de hypothetische situatie nog inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn. Tijdens de zitting hebben partijen verschillende manieren voorgesteld waarop hiermee om zou kunnen worden gegaan. De rechtbank heeft in overleg met partijen besloten partijen toe te laten een akte te nemen over de wijze waarop de rechtbank rekening moet houden met het verschil tussen het brutobedrag aan inkomensschade en het (netto)bedrag aan schadevergoeding. Hiervoor zal de rechtbank partijen een termijn van vier weken verlenen. Bij gebreke van enig ander aanknopingspunt dient bij de berekening als aanname te worden gedaan dat [eiser] in de relevante periode in Nederland inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn geweest. Het heeft de voorkeur van de rechtbank dat partijen de netto schade van [eiser] gezamenlijk (laten) uitrekenen. Mochten partijen er niet in slagen om tot een gezamenlijke uitkomst te komen, dan dienen partijen ieder een eigen berekening te maken, en inzichtelijk te maken op grond van welke punten zij tot een andere uitkomst komen. 5.19. In afwachting van de aktes met betrekking tot de belasting zal de rechtbank iedere verdere beslissing in de hoofdzaak en het incident aanhouden. Immateriële schade 5.20. [eiser] vordert naast inkomensschade € 65.000 aan immateriële schade. Dit bedrag bestaat uit geestelijk letsel en reputatieschade. 5.21. De rechtbank komt tot het oordeel dat [eiser] € 1.000 immateriële schade heeft geleden. De rechtbank licht dit als volgt toe. 5.22. Op grond van artikel 6:106 BW bestaat naar billijkheid recht op immateriële schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. 5.23. Volgens [eiser] is sprake van geestelijk letsel, bestaande uit gederfde levensvreugde, spanningen, stress en slapeloze nachten. De Staat betwist dat sprake is van geestelijk letsel bij [eiser]. Het had daarom, zoals de rechtbank hiervoor in r.o. 5.9 heeft overwogen, op de weg gelegen van [eiser] om zijn stelling te onderbouwen met bijvoorbeeld medische rapporten. Omdat [eiser] dat niet heeft gedaan, is de rechtbank van oordeel dat niet is vast komen te staan dat [eiser] geestelijk letsel heeft geleden. 5.24. [eiser] stelt daarnaast dat zijn reputatie is geschaad door de onrechtmatige daad van de Staat. De Staat betwist niet dat de reputatie van [eiser] is geschaad, zodat de reputatieschade vaststaat. 5.25. Partijen zijn het niet eens over de vergoeding die tegenover de reputatieschade zou moeten staan. De rechtbank sluit voor de begroting van de schade van [eiser] aan bij de Rotterdamse Schaal. Daaruit volgt dat bij ernstige vormen van “smaad, laster, etc.” een schadevergoeding tot € 3.000 passend is. De rechtbank is van oordeel dat de reputatieschade van [eiser] aan de onderkant daarvan zou moeten zitten, omdat het persbericht van de Staat een minder verstrekkende inbreuk op de reputatie vormt dan smaad of laster. Alles afwegende acht de rechtbank een schadevergoeding van € 1.000 op zijn plaats. Advocaatkosten 5.26. [eiser] vordert verder vergoeding van advocaatkosten en van kosten voor het advies van [naam 3]. [eiser] stelt dat hij deze kosten heeft gemaakt om zijn schade te beperken of om de aansprakelijkheid van de Staat en zijn schade vast te stellen. Hij heeft deze kosten namelijk gemaakt om als zelfmelder te worden aangemerkt. De Staat heeft dit betwist door erop te wijzen dat een deel van de advocaatkosten en het advies van [naam 3] dienden ter voorbereiding van gedingstukken of instructie van een zaak, zodat vergoeding niet mogelijk is. Ook heeft de Staat betwist dat een deel van de advocaatkosten verband houden met het onrechtmatig handelen van de Staat en erop gewezen dat de rechter in de hoofdprocedure reeds een beslissing heeft genomen over een deel van de advocaatkosten. 5.27. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. Een groot deel van de advocaatkosten ziet op procedures die [eiser] tegen de Staat heeft gevoerd. Op dergelijke kosten zijn de regels van proceskosten op van toepassing, zodat geen aparte vergoeding meer mogelijk is. Daarnaast heeft [eiser] al een gedeelte van de advocaatkosten die hij heeft gemaakt in verband met de procedure tegen het Kadaster vergoed gekregen. Het had daarom op de weg van [eiser] gelegen om voor de nog resterende advocaatkosten inzichtelijk te maken welke kosten met welk doel zijn gemaakt. Het enkel overleggen van tijdsregels met een summiere omschrijving volstaat niet. Ook de kosten voor het advies van [naam 3] komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu [eiser] niet heeft toegelicht waarom dit advies noodzakelijk was. Eigen schuld 5.28. De Staat voert als verweer dat [eiser] eigen schuld heeft aan zijn inkomensschade en reputatieschade. De Staat heeft er in dit verband op gewezen dat aan de fout van het OM de gedragingen van [eiser] vooraf zijn gegaan. [eiser] is eerst veroordeeld voor valsheid in geschrift. Vervolgens is [eiser] jarenlang voor het OM onvindbaar geweest. [eiser] betwist dat sprake is van eigen schuld aan zijn zijde. Een strafrechtelijke veroordeling gaat altijd vooraf aan de vraag of een veroordeelde als voortvluchtige of zelfmelder moet worden aangemerkt. Indien het OM in het kader van die afweging een fout maakt, kan hij volgens [eiser] de strafrechtelijke veroordeling niet meer aan [eiser] tegenwerpen. 5.29. Op grond van artikel 6:101 BW kan een schadevergoedingsplicht worden verminderd als de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan een benadeelde kan worden toegerekend. 5.30. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 december 1997 wegens het medeplegen van valsheid in geschrifte tot een gevangenisstraf is veroordeeld. Evenmin is tussen partijen in geschil dat, nadat zowel het OM als [eiser] tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam in beroep zijn gegaan, [eiser] zich op 15 april 1998 heeft laten uitschrijven uit de gemeentelijke basisadministratie van de [gemeente]. Volgens deze uitschrijving is [eiser] vertrokken naar [land 1] zonder opgave van een adres aldaar. [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit volgt dat het OM, vóór de brief van 24 februari 2012 waarin door [eiser] domicilie werd gekozen ten kantore van zijn advocaat, op de hoogte van de verblijfplaats van [eiser] had kunnen zijn. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de gegevens van [eiser] zijn opgenomen in het opsporingsregister van de Dienst Nationale Recherche Informatie. Dat aan [eiser] op enig moment de status van zelfmelder had moeten worden verleend, laat onverlet dat [eiser] een verwijt kan worden gemaakt dat hij als gesignaleerd persoon geregistreerd heeft gestaan. In die zin heeft [eiser] mede schuld aan het feit dat hij als voortvluchtige is aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen beide partijen daarom aan het ontstaan van de schade een verwijt worden gemaakt. De rechtbank zal alles afwegende de mate van eigen schuld aan de zijde van [eiser] vaststellen op 50%. 5.31. Voor zover de Staat heeft gesteld dat de eigen schuld van [eiser] op een hoger percentage moet worden vastgesteld omdat [eiser] valsheid in geschrifte heeft gepleegd, en [eiser] de strafrechtelijke veroordeling en aanhouding aan zichzelf te wijten heeft, geldt dat deze omstandigheid al verdisconteerd is in het schadebedrag, omdat de rechtbank heeft vastgesteld dat mede vanwege het strafrechtelijke verleden van [eiser] de kans klein is dat hij na het uitzitten van zijn straf een functie vergelijkbaar met directeur van het Kadaster had kunnen bekleden. De billijkheid verzet zich ertegen dat deze omstandigheid in het kader van de eigen schuld nogmaals ten nadele van [eiser] werkt. Conclusie 5.32. De rechtbank houdt gelet op hetgeen is overwogen in r.o. 5.18 en 5.19 iedere verdere beslissing aan. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 22 juli 2026 voor het nemen van een akte door partijen over wat is vermeld onder 5.18, 6.2. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026. 3669 Artikel 6:98 BW. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2138. R.o. 4.39 van het vonnis in de hoofdprocedure. HR

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/109079 · 2026-07-16
