# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24-06-2026 (25/4410 WOO)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:6345
- Date: 2026-06-24
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A6345
- Canonical: https://overview.legal/posts/109080
- Topics: Public Authority, Public Sector, Human Resources, Right of Access Procedures, Right of Access, Personal Data, Controllers

## Summary

Eisers verzoek is door het college ten onrechte niet als Woo-verzoek behandeld. Ook is niet dan wel onvoldoende gebleken of alle bij die zoekslag gevonden documenten zijn beoordeeld en/of aan eiser zijn verstrekt. Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen en is onvoldoende gemotiveerd. Beroep gegrond. Geen bestuurlijke lus en geen dwangsom. Wel vergoeding griffierecht en proceskosten in beroep.

## Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummer: BRE 25/4410 WOO uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: [gemachtigde 1] ), en Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, het college (gemachtigden: mr. M. Roels en [gemachtigde 2] ). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) van 19 juli 2024. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of eisers beroep slaagt of niet. 1.1. De rechtbank concludeert in deze uitspraak dat eisers beroep slaagt. Het beroep is dus gegrond en het college moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 tot en met 4 staat het procesverloop in deze zaak. De standpunten van partijen staan – samengevat – onder 5. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. 1.3. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop Primaire fase 2. Eiser heeft op 19 juli 2024 een webformulier op de website van de gemeente Dongen ingevuld voor een Woo-verzoek. Eiser heeft daarin verzocht om documenten die betrekking hebben op: “a) alle (onderlinge) communicatie(middelen) tussen ondergenoemde betrokkenen; b) gedurende mijn aanstelling tot […] [functie] van de gemeente Dongen, vanaf de aanloop vanaf begin september 2018 tot en met de beëindiging en de nasleep tot eind maart 2020. Mijn Woo-verzoek omvat, maar is niet beperkt tot, de betrokkenen: [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] , [persoon 8] .’’ Hierbij heeft eiser verwezen naar communicatiemiddelen (e-mail, WhatsApp, andere onderlinge communicatiemiddelen zoals intranet en Teams), verslagen/notulen van de collegevergadering, besluitenlijsten van het college en verslagen/notulen van het raadspresidium. Eiser heeft bij zijn verzoek ook een bijlage met het kenmerk “Woo-verzoek_ [eiser] ’’ gevoegd, waarin hij aanvullende informatie heeft gegeven over zijn verzoek. 2.1. Met een besluit van 5 augustus 2024 (primair besluit) heeft het college eisers verzoek afgewezen, omdat documenten die betrekking hebben op interne bedrijfsvoering, waaronder personeelszaken, en persoonsgegevens niet onder de Woo vallen. Het college heeft eiser erop gewezen dat hij een inzageverzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) kan doen. Bezwaarfase 3. Eiser was het niet eens met het dit besluit en heeft daartegen bezwaar gemaakt. 3.1. Met een uitspraak van 13 mei 2025 heeft deze rechtbank het beroep niet tijdig beslissen dat eiser had ingesteld kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. 3.2. Naar aanleiding van eisers AVG-inzageverzoek van 23 mei 2025 heeft het college met een besluit van 19 juni 2025 (AVG-besluit) een aantal documenten aan eiser verstrekt. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend. 3.3. Met een besluit van 14 juli 2025 (bestreden besluit) heeft het college eisers bezwaar ongegrond verklaard. In het bestreden besluit heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie, overwogen dat eiser heeft verzocht om informatie over een privaatrechtelijke aangelegenheid en dat eiser niet kenbaar heeft gemaakt dat hij openbaarmaking voor eenieder beoogt. Het verzoek ziet op gegevens die hemzelf betreffen, waardoor een ander regime van belangenafweging geldt. Het verzoek dient te worden aangemerkt als een verzoek om inzage als bedoeld in de AVG. Het college is bij het primaire besluit gebleven. Beroepsfase 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarom beroep ingesteld. 4.1. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 4.2. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, [gemachtigde 1] als eisers gemachtigde en namens het college mr. M. Roels en [gemachtigde 2] . 4.3. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van een uitspraak verlengd. Standpunten van partijen 5.1. Eiser heeft een groot aantal beroepsgronden ingediend. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat het hem er vooral om gaat dat het college zijn verzoek van 19 juli 2024 ten onrechte niet als een Woo-verzoek heeft behandeld en dat de ‘zoekslag’ die het college in de bezwaarfase nog heeft uitgevoerd niet voldoet aan de eisen die de Woo daaraan stelt. Eiser wil dat dit alsnog gebeurt. Bij gegrondverklaring van het beroep verzoekt eiser de rechtbank een bestuurlijke lus toe te passen of een dwangsom aan het college op te leggen. 5.2. Het college stelt zich in beroep primair op het standpunt dat de Woo niet van toepassing is op het verzoek van 19 juli 2024, omdat eiser in feite zijn personeelsdossier in ruime zin heeft opgevraagd en deze informatie geheel in de privésfeer valt. Ook heeft eiser in zijn oorspronkelijke verzoek verzocht om “inzage te geven” of “aan te leveren” en de AVG is de regeling voor recht op inzage in deze en daarom voorziet niet de Woo, maar de AVG in die situaties. Het college heeft verwezen naar vaste rechtspraak van de Afdeling en een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 januari 2025 . Subsidiair heeft het college zich op het standpunt gesteld dat, als het verzoek van 19 juli 2024 wél onder de Woo valt, artikel 5.5 van de Woo eraan in de weg staat dat de gevraagde stukken op grond van de Woo openbaar worden gemaakt. Verder heeft het college aangevoerd dat er in bezwaar alsnog een brede, algemene Woo-zoekslag is uitgevoerd om te kijken of de Woo toch van toepassing was, waarbij geen nadere stukken zijn aangetroffen, behalve de documenten die bij het AVG-besluit aan eiser zijn verstrekt. Ter zitting heeft het college nog aangevuld dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat wat hij zoekt aan stukken bestaat. Beoordeling door de rechtbank 6. De rechtbank stelt vast dat eiser op 19 juli 2024 gebruik heeft gemaakt van het webformulier ‘Woo-verzoek’ op de website van de gemeente Dongen om het college te vragen om de in overweging 2 genoemde stukken. 6.1. In vaste rechtspraak heeft de Afdeling ten aanzien van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), de voorganger van de Woo, overwogen dat als hoofdregel geldt dat, wanneer iemand met een beroep op de Wob een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid zich tot een bestuursorgaan richt, zo’n verzoek een Wob-verzoek is. Het enkele feit dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijk belang bij kennisneming van de informatie en/of met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, betekent niet dat geen sprake is van een Wob-verzoek. Dat geldt ook indien de verzoeker de informatie (mogelijk) ook kan krijgen op grond van regels over de toegang tot stukken in een procesrechtelijke regeling, zoals artikel 7:4 van de Awb of de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit is alleen anders indien i) uit de aard van het verzoek, ii) uit de inhoud van het verzoek of iii) uit uitlatingen van de verzoeker, blijkt dat de verzoeker geen Woo-verzoek heeft beoogd in te dienen. Bij uitzondering i) kan worden gedacht aan het geval dat iemand inzage in zijn dossier of in zijn persoonsgegevens vraagt. In dat geval is het verzoek aan te merken als een verzoek om inzage als bedoeld in de AVG of een andere wettelijke regeling waarin een recht op inzage is opgenomen. Het is aan het bestuursorgaan om als de indiener een beroep op de Wob heeft gedaan, met een beroep op een van deze uitzonderingen deugdelijk te motiveren dat zich een uitzondering op de hoofdregel voordoet. Daarbij kan het op de weg van het bestuursorgaan liggen zich daarover eerst met de indiener te verstaan. De hoofdregel en de daarop geformuleerde uitzonderingen gelden ook als het verzoek alleen betrekking heeft op (persoons)gegevens van de verzoeker zelf. Wel kan het feit dat het verzoek alleen ziet op gegevens van de verzoeker zelf, een aanwijzing zijn dat de verzoeker geen Wob-verzoek heeft beoogd in te dienen. Dit geldt in het bijzonder als inwilliging van het verzoek zou betekenen dat (gevoelige) persoonsgegevens van de verzoeker openbaar worden gemaakt. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat de bovenstaande hoofdregel met uitzonderingen niet zou gelden onder de Woo. 6.2. De rechtbank volgt het college niet in het primaire standpunt dat eisers verzoek niet als Woo-verzoek kon worden aangemerkt, omdat hij alleen zijn personeelsdossier in ruime zin heeft opgevraagd. Eiser heeft het daarvoor bestemde Woo-webformulier op de website van de gemeente Dongen gebruikt en ook uit de informatie in het verzoek volgt duidelijk dat het verzoek was bedoeld als Woo-verzoek. Voor zover eisers verzoek betrekking heeft op zijn personeelsdossier, heeft het college terecht geoordeeld dat daarop de AVG van toepassing is en niet de Woo. Eiser heeft in zijn verzoek echter niet zozeer om inzage in zijn (personeels)dossier of zijn persoonsgegevens gevraagd, maar ook om daarbij aanvullende (bestuurlijke) documenten en/of communicatie die (ook) hem betreffen. Die stukken kunnen bestuurlijke documenten zijn. Uit rechtspraak volgt dat het begrip "bestuurlijk", gelet op het doel van de Wob (hier: Woo), ziet op het openbaar bestuur in al zijn facetten. Het betreft niet alleen het externe optreden van het bestuur, maar ook de interne organisatie en de beslissingen met betrekking tot de rechtspositie van en de toekenningen uit de openbare middelen aan ambtenaren en gewezen ambtenaren. Hoewel eiser in zijn verzoek vraagt om stukken omtrent (de beëindiging van) zijn eigen [functie] -aanstelling, maakt dit gegeven niet dat geen sprake kan zijn van een Woo-verzoek. Bovendien heeft eiser zijn verzoek onderbouwd door te stellen dat de daarin genoemde stukken van betekenis zijn voor het algemeen belang, omdat dit toetsing van de bestuurlijke integriteit mogelijk maakt en in dat kader ook duidelijk kan maken of eisers journalistieke activiteiten niet de reden zijn geweest voor het niet verlengen van zijn [functie] -aanstelling. Dit algemene belang maakt dat het college het verzoek van eiser in zoverre had moeten aanmerken als Woo-verzoek en deze ook als zodanig had moeten beoordelen. De rechtbank concludeert op basis van het bovenstaande dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eisers grond dat zijn verzoek door het college ten onrechte niet als Woo-verzoek is behandeld, slaagt dus reeds hierom. 6.3. Over het subsidiaire standpunt van het college, dat artikel 5.5 van de Woo in de weg staat aan openbaarmaking van de gevraagde gegevens op grond van de Woo én dat de AVG hierin voorziet boven de vangnetregeling van de Woo, overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 5.5 van de Woo kent een breder toepassingsbereik dan het inzagerecht van artikel 15 van de AVG, omdat het Woo-verzoek betrekking kan hebben op andere gegevens dan persoonsgegevens. Eiser heeft in zijn Woo-verzoek ook om meer verzocht dan alleen stukken waar zijn persoonsgegevens in zijn verwerkt. Eiser verzoekt namelijk om openbaarmaking van stukken die toetsing van de bestuurlijke integriteit mogelijk maken en duidelijkheid geven over de overwegingen die hebben geleid tot het niet verlengen van zijn [functie] -aanstelling. 6.4. Met betrekking tot de zoekslag die het college in de bezwaarfase alsnog heeft uitgevoerd, overweegt de rechtbank dat op zichzelf voldoende inzichtelijk is geworden in welke gegevensdragers is gezocht, over welke periode en welke zoektermen daarbij zijn gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet dan wel onvoldoende gebleken of alle bij die zoekslag gevonden documenten zijn beoordeeld en/of aan eiser zijn verstrekt. Het college geeft namelijk in het verweerschrift aan dat aan medewerkers bij de zoekslag is meegegeven dat zij berichten die evident niet over een publiekrechtelijke taak van de gemeente gaan buiten beschouwing mogen laten. Ook heeft het college zich meermaals op het standpunt gesteld dat de gevraagde stukken geen publiekrechtelijke aangelegenheid betreffen. Verder acht de rechtbank van belang dat het college enerzijds stelt dat bij de zoekslag conform de Woo geen nadere stukken zijn aangetroffen, behalve de documenten die via het AVG-besluit aan eiser zijn verstrekt, maar zich anderzijds op het standpunt stelt dat de informatie is verstrekt die onder de AVG kon worden verstrekt. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden of er documenten niet zijn verstrekt om deze redenen. Dit acht de rechtbank onvoldoende eenduidig. Daarover zal het college in het nieuwe besluit meer duidelijkheid dienen te verschaffen. Als er bij de gemaakte zoekslagen bepaalde documenten zijn gevonden die publiekrechtelijke dan wel bestuurlijke aangelegenheden betreffen die volgens het college (al dan niet gedeeltelijk) niet openbaar kunnen worden gemaakt, dan moet naar het oordeel van de rechtbank het college motiveren, met inachtneming van de artikelen 5.1 en 5.2 van de Woo, waarom deze documenten al dan niet gedeeltelijk niet openbaar kunnen worden gemaakt. 6.5. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geconcludeerd, slaagt eisers beroep. Wat dat betekent voor de beslissing van de rechtbank volgt vanaf overweging 7. Conclusie en gevolgen 7. Nu aan het bestreden besluit een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek kleeft, is eisers beroep gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding een bestuurlijke lus toe te passen, omdat de rechtbank niet verwacht dat het in dit beroep efficiënt is. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van zes weken. 7.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om de door eiser bij gegrondverklaring gevraagde dwangsom op te leggen. 7.2. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden. De rechtbank zal het college ook veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de rechtbank niet gebleken. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op eisers bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het college aan eiser het betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van mr.A.M. Pasmans, griffier, op 24 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:46 Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Artikel 3:49 Ter motivering van een besluit of een onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Artikel 8:72, vierde lid De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij: a. bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven; b. het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling. Wet open overheid Artikel 4.1 Verzoek 1. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek. 2. Een verzoek kan mondeling of schriftelijk worden ingediend en kan elektronisch worden verzonden op de door het bestuursorgaan aangegeven wijze. 3. De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen. 4. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen. 5. Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam. 6. Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. 7. Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 5. Artikel 5.5 Verstrekking van informatie die de verzoeker betreft Onverminderd het elders bij wet bepaalde, verstrekt een bestuursorgaan iedere natuurlijke of rechtspersoon op diens verzoek de op de verzoeker betrekking hebbende in documenten neergelegde informatie, tenzij een in artikel 5.1, eerste lid, onderdelen a, b en c, alsmede d en e, voor zover betrekking hebbend op derden, genoemd belang aan de orde is of een in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 genoemd belang zwaarder weegt dan het belang van de verzoeker bij toegang tot op hem betrekking hebbende informatie. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de aangelegenheid of het daarop betrekking hebbende document, waarover hij informatie wenst te ontvangen. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoek met betrekking tot gegevens ten aanzien van een overleden echtgenoot, geregistreerd partner, kind of ouder van de verzoeker, tenzij een schriftelijke wilsverklaring van de overledene aan de verstrekking in de weg staat. 3. Het bestuursorgaan draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker. 4. Het bestuursorgaan kan aan de verstrekking voorwaarden verbinden ter bescherming van een van de belangen, genoemd in de artikelen 5.1 en 5.2, tenzij de gevraagde informatie met toepassing van de artikelen 5.1 en 5.2 openbaar voor eenieder zou zijn. Zie de uitspraak van deze rechtbank van 13 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2870. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268, overweging 5.6. Zie de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:187. Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268, overweging 5.6. Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7618, overweging 2.6.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/109080 · 2026-07-16
