# Rechtbank Amsterdam, 09-07-2026 (1300516526)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:7008
- Date: 2026-07-09
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A7008
- Canonical: https://overview.legal/posts/109096
- Topics: Notified Body Competence Challenges and Dispute Resolution, Representatives, Personal Data

## Summary

EAB Polen; verweer m.b.t. artikel 12 OLW en het gelijkstellingsverweer zijn verworpen; overlevering toegestaan.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-005165-26 Datum uitspraak: 9 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 28 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 25 juli 2025 door the District Court in Krakow, Third Criminal Division , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] (Polen), feitelijk verblijfsadres: [verblijfadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 juni 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van Krakow-Krowodrza Regional Court in Krakow van 24 oktober 2017 met kenmerk II K 1247/16/K. Dit vonnis is aangepast en definitief geworden bij arrest van the District Court in Krakow van 4 december 2018 met kenmerk IV Ka 156/18. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog elf maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB aangegeven dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid. Ook hebben de Poolse autoriteiten de volgende aanvullende informatie verstrekt op 16 juni 2026: “1. [de opgeëiste persoon] 's legal representative was expressly authorized by the defendant to file an appeal in the case. 2. [de opgeëiste persoon] 's legal representative was expressly authorised by the defendant to represent him in the appellate proceedings. During the appeal hearing, the convicted person was represented by a substitute counsel . 3.Yes, the requested person was personally notified of the hearing date in the appellate proceedings. However, he failed to claim the correspondence within the prescribed time limit. 4. No, during the appellate proceedings the requested person did not provide the Polish authorities with his current address of residence. Accordingly, notice of the appeal hearing was sent to the addresses preciously known to the authorities. (…) ” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich – mede in het licht van de recente jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) – op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon is niet in kennis gesteld van tijd en plaats van de zitting in hoger beroep en er is ook geen informatie waaruit kan worden afgeleid dat dat aan hem te wijten is. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Zij heeft er daarbij op gewezen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep en dat hij een gemachtigd advocaat had, die hem daadwerkelijk op zitting vertegenwoordigd heeft. Voor zover hij niet officieel op de hoogte was gesteld van tijd en plaats van de zitting, blijkt uit de recente jurisprudentie dat bij de beoordeling ook gekeken moet worden naar het gedrag van de opgeëiste persoon. In dit geval heeft hij zelf ervoor gekozen geen contact te onderhouden met zijn advocaat. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Gelet op de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 1 juni 2026, waarin onder meer staat vermeld dat “ the judgement issued by the District Court in Kraków, Forth (de rechtbank begrijpt: Fourth) Criminal Appeals Division, cannot be ordinarily appealed” , zal de rechtbank deze beslissing, dus het arrest van 4 december 2018, toetsten aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub b, OLW hier niet aan de orde is. Hoewel in het EAB is aangekruist dat de situatie als bedoeld in artikel 12 onder b OLW zich voordoet en in de aanvullende informatie van 16 juni 2026 is vermeld (hetgeen de opgeëiste persoon ook nog op zitting bevestigd heeft) dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om hem bij te staan in de procedure en een “ subsitute counsel ” hem daadwerkelijk vertegenwoordigd heeft op de zitting in hoger beroep, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon rechtstreeks officieel in kennis is gesteld van de datum en plaats van de zitting in hoger beroep. Daarvoor is de enkele mededeling dat de opgeëiste persoon ‘personally notified’ was, maar heeft nagelaten de correspondentie binnen de voorgeschreven termijn op te halen onvoldoende. Het feit dat de opgeëiste persoon op de zitting heeft verklaard dat hij op de hoogte was van tijd en plaats van de zitting doet daar niet aan af nu onduidelijk is hoe hij hiervan op de hoogte is geraakt. Evenmin is gebleken dat de opgeëiste persoon opzettelijk heeft vermeden officieel in kennis te worden gesteld van tijdstip en plaats van de zitting. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon voor de zitting in eerste aanleg in persoon is opgeroepen op 14 september 2017. Hij wist dus van die zitting. Uit de voornoemde aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon vervolgens een advocaat heeft gemachtigd om hoger beroep in stellen tegen het vonnis in eerste aanleg. Ook was deze advocaat door de opgeëiste persoon gemachtigd om hem tijdens dat proces te verdedigen. Op de zitting is hij daadwerkelijk vertegenwoordigd door een plaatsvervanger van zijn advocaat (“ substitute counsel ”). Daarbij heeft de opgeëiste persoon ter zitting verklaard dat dit klopt en dat hij zelfs op de hoogte was van datum en plaats van het proces in hoger beroep, maar ervoor had gekozen zijn advocaat te machtigen en niet zelf naar de zitting te gaan. De opgeëiste persoon was dus op de hoogte van de appelprocedure maar heeft er voor gekozen afstand te doen van zijn aanwezigheid tijdens dit proces en zijn verdediging over te laten aan zijn advocaat. Gelet op deze omstandigheden is geen sprake van schending van de verdedigingsrechten van opgeëiste persoon. 5 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander op basis van de aan de rechtbank (op 18 en 19 juni 2026) opgestuurde stukken en dat zijn straf daarom door Nederland kan worden overgenomen. De opgeëiste persoon heeft weliswaar thans weer een ander adres dan ten tijde van de voorgeleiding, maar dat heeft te maken met zijn nieuwe baan. Hij heeft de raadsman steeds op de hoogte gehouden van zijn adreswijzigingen. Het adres waar hij nu woont (in [plaats] ) staat ook duidelijk in de stukken. Hij heeft sinds 2020 continu in Nederland gewoond en gewerkt. Hij had steeds woonruimte van de verschillende uitzendbureaus, maar hij kon zich op die adressen niet inschrijven in de Basisregistratie Personen. Uit de gegevens omtrent het inkomen van de opgeëiste persoon blijkt dat hij hier steeds heeft gewerkt en genoeg inkomen heeft genoten: soms wel meer dan 24.000 EUR per jaar. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de stukken niet tijdig en geordend aan de rechtbank zijn verstrekt, waardoor deze buiten beschouwing moeten worden gelaten. Daarbij benadrukt de officier van justitie dat de opgeëiste persoon bij de voorgeleiding – in april 2026 – al geschorst is en dus in de gelegenheid is geweest de stukken tijdig bij elkaar te zoeken en in te dienen. Subsidiair is gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijkgesteld kan worden met een Nederlander, omdat het ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaren niet is aangetoond. Oordeel van de rechtbank Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Artikel 6, derde lid, OLW bepaalt dat bewijstukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank moeten worden overgelegd. De rechtbank heeft de noodzaak van een tijdige (en geordende) aanlevering van stukken ook in meerdere uitspraken benadrukt, mede gelet op de termijn waarbinnen de rechtbank geacht wordt een beslissing te nemen op het overleveringsverzoek. Daarbij geldt dat een geordend en gemotiveerd gelijkstellingsverweer dat tien dagen voor de zitting is ingediend, in ieder geval tijdig is ingediend. Een gelijkstellingsverweer dat binnen tien dagen voor de zitting is ingediend, kán tijdig zijn afhankelijk van de omvang, overzichtelijkheid en onderbouwing. De rechtbank heeft niet tijdig, voor de zitting bewijsstukken ontvangen. Desalniettemin zal de rechtbank acht slaan op de stukken nu deze wel één week tevoren zijn ingediend, de omvang niet buitensporig is (een achttal bijlagen) en deze tamelijk overzichtelijk zijn aangeleverd: zo zijn over de jaren 2020-2025 van de Belastingdienst afkomstige “Verklaringen geregistreerd inkomen” als ook belastingaanslagen (van de Belastingdienst) over 2020-2023 ingebracht. De rechtbank constateert echter in de eerste plaats dat nergens uit blijkt dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren in Nederland heeft verbleven. Uit de informatiestaat van de Strafrechtketendatabank (SKDB) blijkt dat de opgeëiste persoon in totaal ongeveer elf maanden in Nederland ingeschreven heeft gestaan, één maand in 2021 en een periode in 2022. Er is geen enkel stuk overgelegd waaruit blijkt waar hij de rest van de tijd heeft gewoond en/of gewerkt. Er is slechts aangegeven wat hij heeft verdiend per jaar: niet duidelijk is hoeveel uren hij heeft gewerkt om dat inkomen te genereren. Het is dan ook niet zo dat de rechtbank op grond van het aantal uren niet anders kan dan concluderen dat hij al die jaren steeds in Nederland moet hebben gewoond. De stukken van de Belastingdienst geven geen enkel beeld hiervan. De overige ingebrachte stukken betreffen slechts het werk en de woonruimte van de opgeëiste persoon in mei en juni 2026 en zijn hiervoor dan ook niet voldoende. Het beroep op gelijkstelling wordt verworpen. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the District Court in Krakow, Third Criminal Divison, (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter, mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 47 en C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) ), punt 32. Zie HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 ( Khuzdar) . Zie Rechtbank Amsterdam, 26 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5116.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/109096 · 2026-07-16
