# Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 02-06-2026 (21-001621-25)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Identifier: ECLI:NL:GHARL:2026:3578
- Date: 2026-06-02
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2026%3A3578
- Canonical: https://overview.legal/posts/144070
- Topics: Public Authority, Law Enforcement, Criminal Data, Minors, Personal Data, Types of Special Categories of Personal Data

## Summary

Veroordeling voor het besturen van een personenauto onder invloed van alcohol en het besturen van een personenauto terwijl zijn rijbewijs kort daarvoor was ingevorderd. Artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof acht de verklaring van verdachte en de onder ede afgelegde verklaring van zijn neef volkomen ongeloofwaardig. Oplegging van een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, met een proeftijd van 3 jaren. Het hof ontzegt verdachte als bijkomende straf de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 239 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De periode waarin het rijbewijs van verdachte ingevorderd is geweest, te weten voor 60 dagen, wordt hierop in mindering gebracht. Het hof beoogt hiermee dat verdachte zijn rijbewijs voor deze strafzaak in beginsel niet opnieuw kwijtraakt.

## Full text

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001621-25 Uitspraakdatum: 2 juni 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 3 april 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 96-319302-24 en 96-327911-24, tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] . Hoger beroep Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot de veroordeling van verdachte voor hetgeen aan hem is ten laste gelegd tot een gevangenisstraf van één dag, alsmede een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal als bijkomende straf gevorderd dat aan verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen wordt ontzegd voor de duur van 239 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K. Cras, hebben aangevoerd. Het vonnis In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto onder invloed van alcohol en het besturen van een personenauto terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. De politierechter heeft verdachte hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van één dag, alsmede een taakstraf van 60 uren, te vervangen door 14 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de politierechter als bijkomende straf verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd voor de duur van 239 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De politierechter heeft de periode waarin het rijbewijs van verdachte ingevorderd is geweest, hierop in mindering gebracht. Het hof komt in dit arrest tot een deels andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Daarnaast legt het hof aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: Zaak met parketnummer 96-319302-24: hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te [plaats] , als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 635 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. Zaak met parketnummer 96-327911-24: hij op of omstreeks 15 oktober 2024 te [plaats] , [gemeente] als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en/of van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de A28, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsmiddelen Het hof gaat uit van de volgende bewijsmiddelen: Ten aanzien van procesdossier PL0900-2024316972 1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 december 2024, (pagina’s 2 en 3 van voornoemd dossier), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van [verbalisant 1] : Op 6 oktober 2024, omstreeks 12:30 uur, kregen wij een melding dat een zwarte Mercedes in de wijk reed met een bestuurder die diverse stoepranden raakte en wisselde in snelheid. Het voertuig betrof een zwarte Mercedes-Benz CLA voorzien van [kenteken] . 2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 oktober 2024, (pagina’s 6 tot en met 11 van voornoemd dossier), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] : Op 6 oktober 2024, omstreeks 12:30 uur, kregen wij de opdracht te gaan naar [straat] . Daar zou een zwarte Mercedes rijden met een bestuurder die diverse stoepranden raakt en wisselt in snelheid. De bestuurder zou volgens de melder een zwarte pet dragen. Toen wij onderweg waren gaf de centralist van het Operationeel Centrum door dat de auto stil stond bij [straat] er hoogte van huisnummer [nummer] . Toen wij ter plaatse kwamen zagen wij dat een zwarte Mercedes op het gras met ingeschakelde motor stilstond ter hoogte van huisnummer [nummer] . Wij zagen dat de auto voorzien was van [kenteken] . Ik, [verbalisant 2] , liep naar de linkerkant van het voertuig, dit is de kant waar de bestuurder zit. Ik zag op de bestuurdersstoel een man met zijn hoofd voorover gebogen zitten en er kwam kwijl uit zijn mond. Hij had een zwarte pet op. Ik riep de man aan en ik zag dat hij schrok. Ik, [verbalisant 1] , zei tegen de man achter het stuur dat hij zijn auto uit moest zetten en uit de auto moest komen. Ik zag dat er aan de bijrijderskant een lege literfles Bacardi Razz op de vloer lag. Ik, [verbalisant 2] , vroeg aan de man een rijbewijs. Ik zag dat hij niet reageerde. Ik zag in zijn jaszak iets zitten wat leek op een pasjeshouder. Ik pakte deze uit zijn jaszak en haalde daar het rijbewijs uit. Ik zag dat het rijbewijs op naam stond van [verdachte] . Ik zag dat de rijbewijsfoto overeenkwam met de persoon die voor mij stond. Ik, [verbalisant 1] , zei tegen hem dat hij niet hoefde te antwoorden op de vragen die wij stellen en dat hij op eigen kosten een advocaat mag opbellen. Ik hoorde [verdachte] zeggen: "Nee ik ben hier door jullie. Ik kom bij een vriend vandaan die daar woont en ik ga naar [straat] voor voetbal van mijn zoontje”. Ik, [verbalisant 2] , zag dat de auto twee lekke banden had, zowel rechts voor als rechts achter. Ik zag dat er een afdruk van de velgen op de stoep stond. Ik, [verbalisant 1] , pakte uit de auto de Dräger alcoholtester. Ik liet [verdachte] op de alcoholtester blazen. Ik zag dat deze indicatie G/F gaf. Ik vertelde aan [verdachte] dat hij mee moest naar het bureau voor een alcoholanalyse. [verdachte] is vrijwillig op bevel meegegaan naar het politiebureau aan de [straat] . Onderweg legde ik, [verbalisant 1] , aan [verdachte] de procedure en zijn rechten uit. [verdachte] riekte erg naar alcohol, was onvast ter been en sprak met dubbele tong. Volgens [verdachte] kon dat niet omdat hij die dag niet had gedronken. Op het politiebureau heb ik, [verbalisant 1] , [verdachte] onderworpen aan de ademanalyse. Ik zag dat de uitslag 635 µg/l was. Ik legde aan [verdachte] uit wat de consequenties en vervolgstappen zijn. Ik vertelde [verdachte] dat hij een rijverbod van 7 uur heeft en dat hij zijn rijbewijs kwijt is tot nader bericht van de Officier. Ik legde hem uit dat het een misdrijf is als hij toch gaat rijden. Ik, [verbalisant 2] , hoorde dat [verdachte] vroeg hoe lang hij het rijbewijs kwijt is. Ik vertelde hem dat de Officier dit beslist. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat wij hem niks konden maken omdat wij hem niet hadden zien rijden. 3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 6 oktober 2024, (pagina’s 4 en 5 van voornoemd dossier), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van [getuige 1] : Ik zag op 6 oktober 2024, omstreeks 12:30 uur, een man, met een zwart petje op, rijden in een zwarte Mercedes met [kenteken] . Hij slingerde over de weg en raakte bijna het andere verkeer. Ik zag hem een grasveld oprijden ter hoogte van [straat] in [plaats] . Hierna ben ik doorgereden. Ik heb de politie gebeld. 4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van rijden onder invloed d.d. 6 oktober 2024, inclusief afdruk van de ademanalyse, (pagina’s 26 tot en met 30 van voornoemd dossier), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] : Ik, [verbalisant 1] , heb op 6 oktober 2024 om 12:38 uur, de bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek), alsmede de aanwijzingen die ik in dat kader heb gegeven, op te volgen. Met medewerking van de bestuurder heb ik, [verbalisant 1] , hem dit voorlopig ademonderzoek afgenomen met behulp van een door de Minister aangewezen ademtestapparaat. Als resultaat van deze test zag ik, [verbalisant 1] , dat het ademtestapparaat een alcoholindicatie aangaf van: G/F. Het resultaat van de ademtest werd direct aan de verdachte meegedeeld. Dat resultaat leidde tot een verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Op 6 oktober 2024 om 12:41 uur, heb ik, [verbalisant 1] , de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Tevens heb ik hem meegedeeld, dat hij verplicht was tijdens dit onderzoek gevolg te geven aan alle, door de bedienaar van het ademanalyseapparaat, ten dienste van dit onderzoek gegeven aanwijzingen. Vervolgens is de verdachte meegedeeld, dat een weigering van dit onderzoek een misdrijf oplevert. Voor dit onderzoek is de verdachte overgebracht naar het bureau van politie, [adres] . Op 6 oktober 2024 om 13:02 uur, zijnde het eerste tijdstip vermeld op de bijgevoegde afdruk, heeft de verdachte zich onder leiding van mij, [verbalisant 1] , opsporingsambtenaar als bedoeld in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, onderworpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2, onder a, Wegenverkeerswet 1994. Er werd gebruik gemaakt van een ademanalyseapparaat dat is aangewezen door de Minister van Justitie en Veiligheid. Ik verklaar, dat is voldaan aan het bij dit apparaat behorende gebruikersvoorschrift. De verklaring van goedkeuring behorende bij dit apparaat, is geldig tot de datum die staat vermeld op de bij dit proces-verbaal bijgevoegde afdruk met het resultaat van het ademanalyseonderzoek. Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, waarvan de uitslag is vermeld op de bijgevoegde afdruk(ken). Aan de verdachte is direct meegedeeld, dat het onderzoeksresultaat van de ademanalyse van zijn adem 635 µg/l bedroeg. Tevens is meegedeeld dat hij recht heeft op een tegenonderzoek voor eigen kosten. De verdachte heeft hier geen gebruik van gemaakt. Het rijbewijs is met een proces-verbaal van invordering, gezonden naar de officier van justitie bij het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM), terwijl hiervan direct aantekening is gedaan in het Rijbewijzenregister. Aan de verdachte is een bewijs van ontvangst van het ingevorderde rijbewijs uitgereikt. De verdachte werd schriftelijk een rijverbod opgelegd voor de duur van 7 uren. 5. Een schriftelijk bescheid, inhoudende een kennisgeving van ontvangst van het ingevorderd rijbewijs d.d. 6 oktober 2024, (pagina’s 15 tot en met 17 van voornoemd dossier), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van [verbalisant 1] : Op 6 oktober 2024 om 13:28 uur heb ik ontvangen het ingevorderde rijbewijs van [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983. Rijbewijsnummer: [nummer] . Binnen een periode van tien dagen na de datum van invordering zal de officier beslissen over een eventuele teruggave of inhouding van het rijbewijs. Ten aanzien van procesdossier PL0600-2024484512 1. Een schriftelijk bescheid, inhoudende een beslissing op invordering rijbewijs d.d. 8 oktober 2024, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als beslissing van Officier van justitie mr. C.P. Hillebrand: Persoonsgegevens verdachte Naam: [verdachte] Adres: [woonplaats] Datum eerste afgifte: 29 april 2003 Feitgegevens Feitomschrijving: Rijden onder invloed, alcoholgehalte van de adem bedraagt: vanaf 575 Mg/L Hoeveelheid toegestaan: 220 Hoeveelheid geconstateerd: 635 Pleegdatum: 6 oktober 2024 Pleegplaats: [plaats] , [gemeente] Datum invordering rijbewijs: 6 oktober 2024 Beslissing officier van justitie Inhouden rijbewijs Periode inhouden: 6 maanden Inhouden uiterlijk tot: 4 april 2025 2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 oktober 2024, (pagina’s 2 tot en met 4 van voornoemd dossier), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] : Op 15 oktober 2024 zagen wij dat [verdachte] , geboren op 22 februari 1983, als bestuurder van een motorrijtuig (Mercedes-Benz met [kenteken] ) reed op de A28, [plaats] , binnen de [gemeente] . Voor het besturen van bovenstaand motorrijtuig is een rijbewijs vereist van categorie B. Na onderzoek bleek dat deze bestuurder ingevolge artikel 164 Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs is gevorderd dan wel van wie zodanig bewijs is ingevorderd en aan wie dat rijbewijs niet is teruggegeven. De verdachte is meegedeeld, dat de volgende rijbewijsmaatregel(en) van kracht is/zijn: rijbewijs ingevorderd sinds 6 oktober 2024 voor de duur van 6 maanden tot 4 april 2025. 3. Een schriftelijk bescheid, inhoudende een uitdraai BVI-IB d.d. 15 oktober 2024, (pagina’s 8 tot en met 10 van voornoemd dossier), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven: Identiteit [verdachte] ( [afkomst] ) Geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats] Geslacht: man Voertuigen op naam [kenteken] Rijbewijsnummer [nummer] Land uitgifte Nederland Maatregelen Registratie Gevorderde inleverdatum Autoriteit inleversoort 08-10-2024 08-10-2024 Vordering tot overgifte ex art. 164 Bewijsoverweging Ten aanzien van het besturen van een personenauto onder invloed van alcohol Standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat niet verdachte, maar zijn neef, [neef verdachte] , op 6 oktober 2024 de auto heeft bestuurd en dat zijn neef hem naar [straat] heeft gereden. Dit heeft [neef verdachte] bij de raadsheer-commissaris onder ede bevestigd. Op de zitting in hoger beroep heeft verdachte hierover verklaard dat hij zich niet lekker voelde en onder invloed van alcohol was. Hij heeft [neef verdachte] vervolgens gevraagd zijn auto te verplaatsen. Tijdens het verplaatsen klapte de band. Hierdoor slingerde de auto en kwam de auto tegen de stoeprand aan. [neef verdachte] is daarna gelijk weggegaan met zijn eigen auto. Verdachte is bij zijn auto gebleven. Kort daarna kwam de politie ter plaatse. Oordeel van het hof Het hof is op basis van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat niet [neef verdachte] , maar verdachte op 6 oktober 2024 de personenauto heeft bestuurd, en wel onder invloed van alcohol. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Het vrijspraakverweer wordt verworpen. Het hof overweegt daarbij als volgt. [getuige 2] ziet op 6 oktober, omstreeks 12:30 uur, een man met een zwart petje op rijden in een zwarte Mercedes met [kenteken] . De getuige belt de politie en meldt onder meer dat deze man slingerend over de weg reed en het grasveld opreed ter hoogte van [straat] in [plaats] . Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] krijgen deze melding door van het Operationeel Centrum en rijden ter plaatse. Daar aangekomen zien zij een zwarte Mercedes op het gras staan ter hoogte van huisnummer [nummer] aan [straat] in [plaats] . De auto is voorzien van [kenteken] . De motor van de auto is nog ingeschakeld. Zij zien een man voorover gebogen op de bestuurdersstoel zitten. De man heeft een zwarte pet op. Nadat de verbalisanten verdachte de cautie geven, verklaart verdachte dat hij bij een vriend vandaan komt en naar [straat] gaat. Uit het proces-verbaal van rijden onder invloed blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] verdachte vervolgens om 12:38 uur vordert om mee te werken aan een voorlopig ademonderzoek. Tussen de melding van de getuige en de vordering tot het meewerken aan een voorlopig ademonderzoek zitten ongeveer 8 minuten. Binnen die 8 minuten zijn de verbalisanten dus ter plaatse gekomen en treffen zij alleen verdachte aan, die vervolgens ook nog tegenover de verbalisanten verklaart dat hij onderweg was naar [straat] en dat ze hem niets konden maken omdat ze hem niet hadden zien rijden. Verdachte heeft tegenover de politie helemaal niets verklaard over dat hij zijn neef had gevraagd om samen met hem zijn auto te verplaatsen en dat hij zich niet zo lekker voelde. Verdachtes verklaring bij de politie dat ze hem niets konden maken, duidt er veelmeer op dat hij heel goed wist dat hij strafbaar handelde door met alcohol op te gaan rijden en dat hij vermoedde dat de politie hem niet had zien rijden. Verdachte heeft echter buiten de melding van de getuige om gerekend en om de snelle reactie van de politie op diens melding. Daarbij komt dat de getuige kennelijk slechts heeft gezien dat er één persoon in de auto zat en dat die persoon een pet droeg. Net als verdachte toen de politie hem aantrof. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof de verklaring van verdachte en de op 25 februari 2026 bij de raadsheer-commissaris onder ede afgelegde verklaring van [neef verdachte] volkomen ongeloofwaardig. Conclusie Het hof acht met de politierechter dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder de zaak met parketnummer 96-319302-24 ten laste gelegde, te weten het besturen van een personenauto onder invloed van alcohol, zoals hierna is opgenomen in de bewezenverklaring. Ten aanzien van het besturen van een personenauto met een ingevorderd rijbewijs Standpunt van de verdediging De verdediging heeft aangevoerd dat het verdachte niet duidelijk was dat hij niet mocht rijden. Hij dacht dat hij na het opgelegde rijverbod van 7 uren, wel weer mocht rijden. Oordeel van het hof Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich op 15 oktober 2024 schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. Op 6 oktober 2024 krijgt verdachte na de uitgevoerde ademanalyse een rijverbod van 7 uren opgelegd. Daarbij wordt hem meegedeeld dat hij zijn rijbewijs kwijt is tot nader bericht van de officier van justitie. Het rijbewijs van verdachte wordt vervolgens op diezelfde dag nog ingevorderd. Op 8 oktober 2024 heeft de officier van justitie besloten dat het rijbewijs van verdachte wordt ingehouden voor een periode van 6 maanden, te weten tot 4 april 2025. Verdachte is desondanks op 15 oktober 2024 de weg op gereden. Dat het verdachte niet duidelijk was dat hij niet mocht rijden, acht het hof in het licht van het voorgaande onaannemelijk. Conclusie Het hof acht met de politierechter dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder de zaak met parketnummer 96-327911-24 ten laste gelegde, te weten het besturen van een personenauto met een ingevorderd rijbewijs, zoals hierna is opgenomen in de bewezenverklaring. Bewezenverklaring Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 96-319302-24 en in de zaak met parketnummer 96-327911-24 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: Zaak met parketnummer 96-319302-24: hij op 6 oktober 2024 te [plaats] , als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 635 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn. Zaak met parketnummer 96-327911-24: hij op 15 oktober 2024 te [plaats] , [gemeente] als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs was gevorderd, van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de A28, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd. Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is strafbaar. Het in de zaak met parketnummer 96-319302-24 bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (635 microgram). Het in de zaak met parketnummer 96-327911-24 bewezenverklaarde levert op: overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Strafbaarheid van verdachte Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is. Oplegging van straffen Standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de bijzondere en klemmende persoonlijke omstandigheden van verdachte en aan verdachte, naast de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag, een lagere taakstraf op te leggen dan de politierechter heeft gedaan. Daarnaast heeft de verdediging verzocht het rijbewijs van verdachte niet langer in te vorderen dan het rijbewijs al ingevorderd is geweest. Oordeel van het hof Bij het bepalen van de straffen houdt het hof rekening met het volgende. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto onder invloed van alcohol en het besturen van een personenauto terwijl zijn rijbewijs kort daarvoor, voor de duur van 6 maanden, was ingevorderd. Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen de veiligheid van andere weggebruikers ernstig in gevaar gebracht, maar ook het gezag van de beslissing van de officier van justitie ondermijnd. Verdachte neemt hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid. Integendeel, zoals uit de hierboven weergegeven bewijsoverweging blijkt. Strafblad Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 15 april 2026, waaruit blijkt dat hij in het verleden eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder voor het besturen van een voertuig onder invloed van alcohol. Dit weegt het hof in strafverzwarende zin mee. Verder blijkt uit het strafblad dat verdachte na de bewezenverklaarde feiten onherroepelijk is veroordeeld voor het besturen van een motorrijtuig terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd. Gelet hierop is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Persoon van verdachte Verder neemt het hof in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting door verdachte en diens raadsvrouw naar voren zijn gebracht, en zoals die ook blijken uit het dossier. Op de zitting in hoger beroep is door verdachte naar voren gebracht dat hij als zzp’er zijn eigen beveiligingsonderneming heeft. Daarnaast is hij als bandenmonteur werkzaam bij [bedrijf] . Hij heeft twee banen om alles te kunnen bekostigen. Hij is de kostwinner van zijn gezin, maar komt financieel niet goed meer rond. Daarnaast is zijn gezin afhankelijk van zijn rijbewijs. Zijn vrouw heeft geen rijbewijs en zijn twee kinderen gaan naar school, naar zwemles en hebben hobby’s. De raadsvrouw heeft verder naar voren gebracht dat verdachte als zzp’er afhankelijk is van de grijze pas: de pas waarmee je beveiligingswerkzaamheden mag uitvoeren. Zonder deze pas raakt verdachte zijn werk en zijn eigen onderneming kwijt. Het beleid voor het toewijzen en intrekken van deze grijze passen is streng. Wanneer een gevangenisstraf wordt opgelegd, al is het maar voor één dag, wordt zijn grijze pas ingetrokken en geldt er een terugkijktermijn van 8 jaar waarin verdachte geen nieuwe pas kan krijgen. Als alleen een taakstraf of geldboete wordt opgelegd, geldt een terugkijktermijn van 4 jaar. Daarbij komt dat in de praktijk de grijze pas eerder wordt afgegeven als sprake is van een verkeersdelict of aan de veroordeelde een lage taakstraf van 20 tot 40 uren is opgelegd. Indien een hogere taakstraf aan verdachte wordt opgelegd, zoals de politierechter heeft gedaan, heeft dit niet alleen gevolgen voor zijn eigen onderneming, maar ook voor zijn werkzaamheden bij [bedrijf] . Verdachte moet binnenkort namelijk weer een uitgebreid veiligheidsonderzoek ondergaan om een verklaring van geen bezwaar (VGB) te ontvangen. Strafoplegging Anders dan door de advocaat-generaal is gevorderd, legt het hof vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van één dag. Het hof legt daarentegen wel een hogere taakstraf op dan door de advocaat-generaal is gevorderd en door de verdediging is bepleit. Dit vanwege de ernst van de bewezenverklaarde feiten, mede gelet op het recidive van verdachte en diens proceshouding. Het hof acht om voornoemde redenen eveneens de oplegging van een proeftijd van 3 jaren noodzakelijk. Rekening houdend met het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof voor beide bewezenverklaarde feiten de oplegging van een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis, met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden. Bijkomende straf Ten aanzien van de zaak met parketnummer 96-319302-24, het besturen van een personenauto onder invloed van alcohol, legt het hof daarnaast een bijkomende straf op. Het hof ontzegt verdachte, evenals de politierechter, de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 239 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De periode waarin het rijbewijs van verdachte ingevorderd is geweest, te weten voor 60 dagen, wordt hierop in mindering gebracht. Het hof beoogt hiermee dat verdachte zijn rijbewijs voor deze strafzaak in beginsel niet opnieuw kwijtraakt. Wetsartikelen De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 96-319302-24 en in de zaak met parketnummer 96-327911-24 tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak met parketnummer 96-319302-24 en in de zaak met parketnummer 96-327911-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren , indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis . Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-319302-24 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 239 (tweehonderdnegenendertig) dagen . Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 60 (zestig) dagen , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht. Dit arrest is gewezen door mr. L. Pieters, mr. J. Hielkema en mr. G. Souer, in aanwezigheid van de griffier mr. S.A. van der Zwaag en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 2 juni 2026.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/144070 · 2026-07-23
