# Rechtbank Gelderland, 12-06-2026 (456319)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Gelderland
- Identifier: ECLI:NL:RBGEL:2026:5964
- Date: 2026-06-12
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBGEL%3A2026%3A5964
- Canonical: https://overview.legal/posts/144074
- Topics: Professional Secrecy, Health Data, Confidentiality Obligations and Requirements, Healthcare, Healthcare, Monitoring, Public Authority, Meaningful Human Review and Decision-Making, Right of Access, Consent

## Summary

Toewijzing van het verzoek van een nabestaande om inzage in het medisch dossier op grond van artikel 7:458a BW, doorbreking van het medisch beroepsgeheim. zwaarwegend belang artikel 7:458a lid 1 sub c BW. Toewijzing van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor op grond van artikel 196 Rv.

## Full text

RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer / rekestnummer: C/05/456319 / HA RK 25-119 Beschikking van 12 juni 2026 in de zaak van [naam verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna: [de verzoeker] , advocaten: mrs. L.A.P. Arends en M. Swelsen, tegen 1 [naam verwerend maatschap] , gevestigd te [woonplaats] , 2. [naam verwerende sub. 2] , werkzaam te [woonplaats] , 3. [naam verwerende sub. 3] , werkzaam te [woonplaats] , 4. [naam verwerende sub. 4] , werkzaam te [woonplaats] , verwerende partijen, hierna samen: de huisartsenpraktijk, advocaat: mr. M. Santema. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van 20 mei 2025 met 9 producties, - het verweerschrift van 2 december 2025, - de mondelinge behandeling van 27 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [de verzoeker] is de vader van de in 2005 geboren [naam dochter] (hierna: [de dochter] ). [de dochter] kampte in haar jonge tienerjaren met faalangst, terugkerende depressieve klachten, gedachten aan zelfbeschadiging en gedachten aan zelfdoding. In 2014 zijn haar ouders uit elkaar gegaan. [de dochter] had veel moeite met de scheiding. De huisartsenpraktijk heeft [de dochter] in verband met haar klachten doorverwezen voor ondersteuning. 2.2. In 2018 maakte [de dochter] kennis met de jongerenwerkers van de Stichting Caleidoz (hierna: Caleidoz), die werkten op de school van [de dochter] . Caleidoz is een welzijnsorganisatie in de gemeenten Zevenaar en Doesburg, die een laagdrempelige vorm van contact biedt aan jongeren. [de dochter] kwam vanaf dat moment regelmatig langs bij de twee jongerenwerkers met wie ze een klik had (hierna: de jongerenwerkers), en er ontstond een hechte band. [de dochter] heeft in die periode aan de jongerenwerkers van Caleidoz kenbaar gemaakt dat zij het leven zwaar vond. Vanaf 2019 tot haar overlijden in [overlijdensdatum] 2022 had [de dochter] naast telefonische contacten en contacten in persoon, ook veelvuldig WhatsApp-contact met de jongerenwerkers. 2.3. In maart 2019 heeft [de dochter] de huisartsenpraktijk bezocht, samen met haar moeder, in verband met verergerde psychische klachten. Samen is besloten dat [de dochter] zou doorgaan met het lopende ondersteuningstraject. Er heeft beperkt diagnostiek plaatsgevonden. 2.4. In de huisartsenpraktijk zijn verschillende huisartsen werkzaam geweest, namelijk mevrouw [verwerende sub. 2] , mevrouw [verwerende sub. 3] en de (inmiddels gepensioneerde) heer [verwerende sub. 4] . Vanaf 2018 maakt de huisartsenpraktijk gebruik van een praktijkondersteuner jeugd. De praktijkondersteuner jeugd is in dienst van de gemeente ( [gemeentenaam] ) en wordt gedetacheerd bij huisartsenpraktijken. 2.5. Begin 2020 heeft [de dochter] samen met haar moeder opnieuw de huisartsenpraktijk bezocht. Haar psychische klachten waren verergerd en haar middelengebruik was toegenomen. De huisartsenpraktijk heeft [de dochter] toen op haar verzoek verwezen naar Yes We Can Clinics (hierna: YWCC). YWCC behandelt jongeren van 13 tot en met 17 jaar met psychische problemen, verslavingen en gedragsproblemen. 2.6. Vanaf de zomer van 2020 heeft [de dochter] een intensieve behandeling gevolgd in een kliniek van YWCC. Daarna, begin 2021, is [de dochter] door de huisartsenpraktijk, op advies van YWCC, doorverwezen naar een praktijk voor orthopedagogiek, namelijk Prakijk Denktank B.V. (hierna: Praktijk Denktank) voor een EMDR-behandeling. Na afronding van de EMDR-behandeling, heeft Praktijk Denktank [de dochter] geadviseerd om Acceptance and Commitment Therapy te volgen, maar deze behandeling is niet van de grond gekomen. 2.7. In het najaar van 2021 zijn de omvang van het middelengebruik van [de dochter] en de ernst van haar psychische (somberheids)klachten toegenomen. In november 2021 heeft [de dochter] de huisarts bezocht, samen met een jongerenwerker. De huisartsenpraktijk heeft [de dochter] verwezen naar de praktijkondersteuner jeugd, voor een verdere oriëntatie op de klachten. De verwijzing van de huisarts was beknopt en vermeldde niet welke verwachting de huisartsenpraktijk had van de praktijkondersteuner. [de dochter] zou binnen twee weken worden benaderd door de praktijkondersteuner jeugd. 2.8. Vier weken na het consult, het is dan december 2021, heeft de praktijkondersteuner jeugd nog geen contact opgenomen met [de dochter] . De jongerenwerker heeft hierover navraag gedaan bij de huisartsenpraktijk, die de praktijkondersteuner jeugd vervolgens een herinnering heeft gestuurd per e-mail. De praktijkondersteuner jeugd heeft een afspraak gemaakt met [de dochter] voor een week later. [de dochter] is niet op deze afspraak verschenen. De praktijkondersteuner heeft [de dochter] diezelfde dag gebeld. [de dochter] heeft aan de telefoon gezegd dat zij nazorg van YWCC volgt en dat begeleiding door de praktijkondersteuner niet meer nodig is. De praktijkondersteuner jeugd heeft deze informatie niet bij de huisarts of het YWCC geverifieerd. Ze heeft de huisarts per e-mail gemeld dat begeleiding van [de dochter] niet nodig is en het dossier gesloten. 2.9. In januari 2022 hebben de jongerenwerkers van Caleidoz ontdekt dat [de dochter] niet naar de afspraak met de praktijkondersteuner jeugd is gegaan. Opnieuw heeft [de dochter] hen verteld dat het slecht met haar gaat, dat ze zichzelf beschadigde en dat ze suïcidale gedachtes had. 2.10. In februari 2022 heeft [de dochter] de huisartsenpraktijk opnieuw bezocht samen met één van de jongerenwerkers. De huisartsenpraktijk heeft [de dochter] vervolgens opnieuw doorverwezen naar de praktijkondersteuner jeugd en aangedrongen om dit keer echt te gaan. Ook deze tweede verwijzing van de huisarts aan de praktijkondersteuner was beknopt en vermeldde niet welke verwachting de huisartsenpraktijk had van de praktijkondersteuner. Toen de praktijkondersteuner vroeg om de reden van aanmelding, heeft de huisarts informatie over het consult nagestuurd. 2.11. Twee weken na het consult had [de dochter] nog geen bericht ontvangen van de praktijkondersteuner jeugd. [de dochter] heeft navraag gedaan bij de huisartsenpraktijk, die haar heeft verteld dat de wachttijd bij de praktijkondersteuner is opgelopen tot vier weken. De huisarts heeft de praktijkondersteuner jeugd gemaild met het verzoek om contact op te nemen met [de dochter] . De praktijkondersteuner jeugd bleek langdurig afwezig wegens ziekte, en haar vervanger kon niet in de dossiers van de collega die ze verving. 2.12. Half april 2022 heeft [de dochter] de (vervangend) praktijkondersteuner jeugd bezocht voor een intake, samen met een jongerenwerker. De (vervangend) praktijkondersteuner jeugd kon niet in het dossier van [de dochter] . Zij heeft vervolgens overlegd met de senior-medewerker van het wijkteam, vanwege de complexe problematiek van [de dochter] en de veelheid aan hulp die in het verleden is ingezet. 2.13. Op [overlijdensdatum] 2022 heeft [de dochter] zelfmoord gepleegd. [de dochter] is dan 17 jaar. Kort voor haar suïcide heeft [de dochter] nog contact gehad met de jongerenwerkers van Caleidoz. 2.14. De gemeente [gemeentenaam] heeft het overlijden van [de dochter] op 16 augustus 2022 als calamiteit gemeld bij de inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de inspectie). De huisartsenpraktijk heeft het overlijden van [de dochter] , ondanks verzoeken van [de verzoeker] , niet bij de inspectie gemeld. 2.15. De inspectie heeft haar bevindingen neergelegd in een onderzoeksrapport van januari 2024 (hierna: het inspectierapport). Dit rapport houdt onder meer het volgende in. 3 Beantwoording onderzoeksvragen (…) 3.1. In hoeverre was de geboden hulp aan de jongere passend? Conclusie De zorg en ondersteuning voor de jongere was gedeeltelijk passend. Onderbouwing De jongere kampt met terugkerende psychische en psychosociale klachten, die mede beïnvloed worden door de thuissituatie. De geboden hulp sluit in het begin aan bij de hulpvraag van de jongere en de ouders. Gaandeweg wordt duidelijker wat er aan de hand is en welke problematiek een rol speelt bij de mentale klachten van de jongeren. Ouders vertellen dat hun dochter zeker wat gehad heeft aan de opeenvolgende hulp, maar dat het toch steeds niet genoeg was. De problematiek zit diep, de kwetsbaarheid leidt tot terugkerende klachten en iedere keer blijkt meer hulp nodig. De problematiek van de jongere blijkt uiteindelijk langdurig, complex en veelomvattend. Er lijken resultaten te worden geboekt. Toch ziet de inspectie dat de hulp aan de jongere onvoldoende voortbouwt op wat inmiddels bekend is. Deze kennis wordt onvoldoende betrokken bij het bepalen van het vervolg. (…) Als de jongere zich in het najaar van 2021 opnieuw meldt bij de huisarts, wordt ze doorverwezen naar de praktijkondersteuner jeugd voor een verdere oriëntatie op de klachten. Gezien de hulpverleningsgeschiedenis van de jongere is een nauwe samenwerking tussen huisarts en praktijkondersteuner noodzakelijk. Echter, binnen de gemeente [gemeentenaam] is onvoldoende vastgelegd hoe de samenwerking tussen praktijkondersteuner jeugd en huisarts eruit moet zien. Wie is waarvoor verantwoordelijk, wie heeft de regie? Verder duurt het vanaf november 2021 door diverse omstandigheden uiteindelijk vijf maanden tot de afspraak tussen de praktijkondersteuner jeugd en de jongere plaatsvindt. (…) 3.2. Welke factoren waren belemmerend voor het bieden van passende hulp aan de jongere? Conclusie Meerdere factoren hebben het bieden van passende hulp aan de jongere belemmerd. Dit betreft zowel factoren binnen organisaties, als factoren in de samenwerking tussen organisaties. Onderbouwing Uit het onderzoek komen diverse factoren naar voren die belemmerend hebben gewerkt. Deze factoren hebben elkaar beïnvloed en versterkt. Hieronder zetten we ze op een rij: Samenwerking en regie in het netwerk 1. Niet alle organisaties hebben een goed beeld van de voorgeschiedenis van de jongere. Dat maakt het moeilijk om een juiste inschatting te maken van de ernst van de problematiek. 2. Er zijn verschillende beelden en verwachtingen over samenwerking en regievoering, terwijl in de praktijk regie, monitoring en evaluatie van de effectiviteit van de hulp voor de jongere grotendeels ontbreekt. 3. Het plan van aanpak voor de inzet van jeugdprofessionals in de huisartsenpraktijken in [gemeentenaam] dateert uit 2017. Dit plan gaat uit van een POH-GGZ Jeugd, die werkt in de huisartsenpraktijk onder regie en verantwoordelijkheid van de huisarts. De uitvoeringspraktijk laat een veel lossere relatie zien tussen de huisarts en jeugdprofessional. Tijdens het inspectie-onderzoek is de samenwerkingsrelatie tussen gemeente en huisarts nog niet of onvoldonde geëvalueerd en geactualiseerd. 4. Afspraken voor de samenwerking tussen de huisarts en de praktijkondersteuner jeugd in [gemeentenaam] zijn onvoldoende duidelijk en niet vastgelegd. (…) Interne organisatie 1. Het huisartsdossier van de jongere is slechts gedeeltelijk ondersteunend aan het handelen van de huisarts. De episodelijst kan de huisarts ondersteunen door in één oogopslag de klachtgeschiedenis te ordenen op ernst (prioriteit) en actualiteit. Vanaf 2015 worden mentale klachten van de jongere genoteerd in het dossier. Echter, in de episodelijst van de jongere verschijnen deze pas in november 2021. Ook wordt de functie ‘prioriteit’ nog niet gebruikt in deze huisartsenpraktijk, met als gevolg dat alle episoden hetzelfde gewicht krijgen. 2. De waarnemend huisarts is onvoldoende op de hoogte van de positie van de praktijkondersteuner. De huisarts veronderstelt – ten onrechte – dat de praktijkondersteuner jeugd toegang heeft tot het HIS en het dossier van de jongere. (…) 3. Afspraken voor de afstemming en vervanging tussen de twee praktijkondersteuners jeugd ontbreken. Zo hebben zij geen toegang tot elkaars dossiers. (…) 4Conclusie en vervolg (…) Uit het onderzoek blijkt onder meer, dat de zorg en ondersteuning voor de jongere deels passend was. Meerdere factoren op het gebied van interne organisatie, samenwerking en regievoering waren belemmerend voor het bieden van passende hulp. Deze factoren hebben elkaar beïnvloed en versterkt. De inspectie concludeert op basis van het onderzoek, dat de geconstateerde tekortkomingen deels structureel van aard zijn. Daarnaast ziet de inspectie, dat de betrokken organisaties al tijdens het onderzoek zijn gestart met initiatieven om de hulp te verbeteren. (…) 2.16. De advocaat van [de verzoeker] heeft de huisartsenpraktijk bij brief van 28 mei 2024 onder meer verzocht om inzage te verlenen in het medisch dossier van [de dochter] . 2.17. De advocaat van de huisartsenpraktijk heeft bij brief van 28 juni 2024 aan de advocaat van [de verzoeker] bericht dat dit verzoek niet wordt ingewilligd. Aan die weigering legt de huisartsenpraktijk ten grondslag dat [de dochter] bij leven expliciet kenbaar heeft gemaakt dat zij niet wilde dat haar ouders werden geïnformeerd over haar medische bezoeken en gezondheidstoestand en dat niet is gebleken dat [de verzoeker] een zwaarwegend belang bij zijn verzoek heeft. 3 De verzoeken 3.1. [de verzoeker] verzoekt de rechtbank om bij beschikking: verweerders te bevelen een kopie van het medisch dossier van [de dochter] af te geven, voor zover dat in verband staat met de zelfdoding en/of psychische gesteldheid van [de dochter] , een voorlopig getuigenverhoor te gelasten en een datum te bepalen waarop het getuigenverhoor zal plaatsvinden, met oproeping van mevrouw [verwerende sub. 2] , mevrouw [verwerende sub. 3] , de heer [verwerende sub. 4] en mevrouw [praktijkondersteuner] , verweerders hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten. 3.2. [de verzoeker] baseert het verzoek tot afgifte op artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder b of c, BW dan wel, zo begrijpt de rechtbank, artikelen 194 en 195 Rv. Meer in het bijzonder stelt [de verzoeker] dat hij een mededeling over een incident in de zin van artikel 10 lid 3 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (hierna: Wkkgz) heeft ontvangen. Daarnaast stelt [de verzoeker] dat hij een zwaarwegend belang heeft bij het verzochte afschrift, omdat hij vermoedt dat er door verweerders fouten zijn gemaakt in het kader van de medische behandeling van [de dochter] . [de verzoeker] stelt dat hij, als het medisch dossier daartoe aanleiding geeft, een civiele aansprakelijkheidsprocedure zal starten. Inzage (afgifte) is noodzakelijk om te kunnen beoordelen of verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld, dan wel civielrechtelijk aansprakelijk zijn. 3.3. Verweerders verzetten zich tegen toewijzing van het inzageverzoek en voeren daartoe aan dat zij zijn gebonden aan het medisch beroepsgeheim (artikel 7:457 BW). Volgens verweerders moet inzage worden geweigerd op grond van artikel 7:458a lid 4 BW, omdat [de dochter] bij leven expliciet kenbaar heeft gemaakt dat zij niet wilde dat haar ouders werden geïnformeerd over haar medische bezoeken en gezondheidstoestand. Verder stellen verweerders zich op het standpunt dat onvoldoende is gebleken dat het verzoek van [de verzoeker] voldoet aan de vereisten van de artikelen 7:458a lid 1, aanhef en onder b of c BW. Subsidiair wijzen verweerders op artikel 7:458b lid 1 BW. Op grond van die bepaling kan, indien inzage in het medisch dossier vanwege een vermoeden van een medische fout wordt geweigerd aan degene die daarom verzoekt, inzage in het medisch dossier worden verstrekt aan een onafhankelijk arts. 3.4. [de verzoeker] baseert zijn verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor op artikel 196 lid 1 Rv. Verweerders voeren ook ten aanzien van dit verzoek verweer, dat hierna zal worden besproken. 4 De beoordeling van het inzageverzoek 4.1. De rechtbank zal eerst beoordelen of verweerders aan [de verzoeker] een afschrift moeten verstrekken van het opgestelde medisch dossier van [de dochter] . 4.2. De rechtbank stelt voorop dat het overlijden van [de dochter] een uiterst verdrietige gebeurtenis is, die vanzelfsprekend een grote weerslag heeft op [de verzoeker] en de andere nabestaanden. Vanuit menselijk oogpunt valt alleszins te begrijpen dat de nabestaanden van [de dochter] op zoek zijn naar antwoorden. Ook anderen die bij [de dochter] betrokken waren, zijn door haar zelfdoding geraakt. Dit laat echter onverlet dat het verzoek van [de verzoeker] tot afgifte van de gegevens van [de dochter] langs een juridische lat moet worden gelegd. De rechtbank beoordeelt hierna of aan een aantal specifiek door de wetgever beschreven voorwaarden voor inzage van de gegevens is voldaan. 4.3. Tussen [de dochter] en de huisartsenpraktijk was sprake van een geneeskundige behandelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:446 BW. Het inzageverzoek van [de verzoeker] moet daarom worden beoordeeld aan de hand van het volgende toetsingskader. Op 1 januari 2020 zijn de artikelen 7:458a en 7:458b BW in werking getreden. Met deze artikelen heeft de wetgever voorzien in een nieuwe eenduidige regeling op grond waarvan nabestaanden en een ieder met een zwaarwegend belang – bij wijze van uitzondering op de krachtens artikel 7:457 BW op de hulpverlener rustende geheimhoudingsplicht – in een aantal specifiek beschreven situaties aanspraak kunnen/kan maken op inzage in of afschrift van het medisch dossier van een overledene. Ook na deze wetswijziging is de hoofdregel dat gegevens uit een medisch dossier van een overledene onder het medisch beroepsgeheim van de hulpverlener vallen. Hiermee worden niet alleen de gezondheids- en privacybelangen van individuele patiënten gewaarborgd maar dit is ook van belang voor de vrije toegang tot gezondheidszorg voor een ieder. Iedere patiënt moet er immers op kunnen vertrouwen dat de informatie die hij met een hulpverlener deelt ook na zijn dood vertrouwelijk blijft. Hieraan zou afbreuk worden gedaan indien een medisch dossier van een overledene zonder meer toegankelijk zou zijn voor zijn nabestaanden of derden. Het eerste lid van artikel 7:458a BW bepaalt dat een hulpverlener in een drietal gevallen gehouden is inzage in of afschrift te verstrekken van gegevens uit het dossier van een overleden patiënt. Het eerste geval betreft de in artikel 7:458a lid 1 sub a BW geregelde situatie, waarin de overledene bij leven toestemming heeft gegeven voor het delen van de gegevens met een specifieke nabestaande. Deze toestemming van de overledene dient schriftelijk of elektronisch te zijn vastgelegd. Gegevens kunnen op grond van artikel 7:458a lid 1 sub b BW – voor zover hier van belang – ook worden verstrekt aan een nabestaande als bedoeld in artikel 1 van de Wkkgz, indien die nabestaande een mededeling over een incident op grond van artikel 10 lid 3 Wkkgz heeft gekregen. De derde groep aan wie desgevraagd inzage of afschrift verstrekt kan worden omvat een ieder die een zwaarwegend belang heeft en aannemelijk maakt dat dit belang mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift van gegevens uit het medisch dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang. 4.4. Niet ter discussie staat dat [de dochter] bij leven niet op de door artikel 7:458a lid 1 sub a BW voorgeschreven wijze toestemming heeft gegeven om gegevens uit haar medisch dossier met [de verzoeker] te delen. Dit betekent dat het medisch beroepsgeheim van verweerders dus niet op die grond kan worden doorbroken. Doorbreking van het medisch beroepsgeheim (artikel 7:458a lid 1 sub c BW) 4.5. Vervolgens is de vraag of [de verzoeker] een zwaarwegend belang heeft en dientengevolge op de voet van artikel 7:458a lid 1 sub c BW aanspraak kan maken op een afschrift van het medisch dossier van [de dochter] . Van een zwaarwegend belang kan blijkens de wetsgeschiedenis sprake zijn in het geval van een vermoeden van een medische fout. [de verzoeker] stelt dat sprake is van een vermoeden van een tekortschieten aan de zijde van verweerders. In deze procedure is niet relevant of daadwerkelijk sprake is van een tekortschieten; het gaat om de vraag of er aanknopingspunten zijn voor een mogelijk tekortschieten. De rechtbank moet dus beoordelen of [de verzoeker] zijn gestelde vermoeden van een tekortschieten voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De vraag wanneer een gesteld vermoeden voldoende aannemelijk is gemaakt, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het specifieke geval. 4.6. Volgens [de verzoeker] zijn er concrete aanknopingspunten voor een mogelijk tekorschieten van de huisartsenpraktijk. Samengevat komt het erop neer dat de huisartsenpraktijk volgens [de verzoeker] haar zorgplicht heeft geschonden door de ernst van de situatie van [de dochter] niet te onderkennen (respectievelijk de suïcidaliteit van [de dochter] niet goed in te schatten) en niet te besluiten tot tijdige doorverwijzing naar een daartoe aangewezen zorgprofessional. 4.7. [de verzoeker] stelt op de eerste plaats dat de huisartsenpraktijk onvoldoende oog heeft gehad voor de veiligheid van [de dochter] door haar niet (tijdig) te verwijzen naar de juiste zorgprofessionals en onvoldoende te monitoren dat vervolgzorg tijdig op gang kwam na de verwijzing. [de verzoeker] vermoedt dat de huisartsenpraktijk op de hoogte was van de suïcidegedachtes van [de dochter] . Los daarvan moet voor de huisartsenpraktijk in ieder geval voldoende duidelijk zijn geweest dat [de dochter] dringend behoefte had aan psychische hulp. In de eerste plaats door de ondersteuning van de jongerenwerkers bij diverse huisartsenbezoeken, in de tweede plaats door wat tijdens die gesprekken in ieder geval wél besproken moet zijn geweest en in de derde plaats doordat de jongerenwerkers nadien tot twee keer toe contact met de huisartsenpraktijk opnamen toen een (snelle) oproep door de praktijkondersteuner jeugd uitbleef. Desondanks duurde het vervolgens vijf maanden tot de eerste afspraak tussen [de dochter] en de praktijkondersteuner jeugd plaatsvond. Los van het feit dat de praktijkondersteuner jeugd hoogstwaarschijnlijk niet de aangewezen hulpverlener was voor [de dochter] , had de huisartsenpraktijk in ieder geval doortastender moeten optreden richting de praktijkondersteuner jeugd en minder afwachtend moeten zijn. De huisartsenpraktijk had moeten aandringen op een snellere beoordeling. De huisartsenpraktijk had bovendien gelet op de hulpbehoevende situatie waarin [de dochter] zich bevond niet zonder meer genoegen moeten nemen met het afblazen van de ondersteuning door de praktijkondersteuner jeugd na het eerste telefonische contact met [de dochter] . Niet voor niets was [de dochter] immers samen met een jongerenwerker op gesprek geweest, aldus [de verzoeker] . 4.8. [de verzoeker] stelt op de tweede plaats dat tijdens de behandeling onvoldoende lijkt te zijn ingezet op het voorkomen van suïcide. Bovendien heeft de huisartsenpraktijk de verslechterde mentale gezondheidstoestand van [de dochter] niet besproken met haar ouders, terwijl dit onder de gegeven omstandigheden wel op haar weg had gelegen. Daarbij moet mede in aanmerking worden genomen dat [de dochter] pas zeventien jaar oud was, er sprake was van complexe, langdurige en veelomvattende problematiek, de gezondheidstoestand van [de dochter] in de maanden vóór haar overlijden verslechterde, [de dochter] zichzelf beschadigde en [de dochter] bekend was met middelengebruik (waardoor zij zelf hoogstwaarschijnlijk niet in staat was om weloverwogen beslissingen te maken). De huisartsenpraktijk heeft in de periode voorafgaand aan de suïcide ten minste twee keer signalen gekregen van een verhoogd suïciderisico, althans in ieder geval van een (ernstig) noodlijdende psychische gesteldheid van [de dochter] , maar op die signalen kennelijk niet of onvoldoende gereageerd. De huisartsenpraktijk lijkt de ernst van de situatie en de psychische nood van [de dochter] niet zorgvuldig te hebben ingeschat, hoewel [de dochter] de praktijk in de periode waarin haar toestand verslechterde verschillende keren heeft bezocht, aldus [de verzoeker] . 4.9. Ten aanzien van de hiervoor genoemde verwijten stelt de huisartsenpraktijk dat zij geen aanwijzingen had voor suïcidaliteit. [de dochter] heeft haar suïcidale gedachten niet met de huisarts gedeeld. Tijdens de consulten heeft [de dochter] ook geen signalen afgegeven die aanleiding gaven tot nader onderzoek of acute zorg. Dit wordt ondersteund door de overgelegde WhatsApp-correspondentie. Daaruit blijkt dat [de dochter] actief probeerde te voorkomen dat de huisarts over haar suïcidale gedachten zou worden geïnformeerd, omdat [de dochter] bang was dat haar ouders daarvan alsnog op de hoogte zouden raken. [de dochter] had contact met verschillende hulpverleners, maar betrokken ketenpartners hebben deze informatie niet doorgegeven aan de huisartsenpraktijk. De inspectie heeft grondig onderzoek verricht en de conclusies van het onderzoek zijn met [de verzoeker] gedeeld. Uit het inspectierapport blijkt dat de huisartsenpraktijk niet op de hoogte was van de suïcidale gedachtes van [de dochter] . De conclusie van de inspectie was dat de zorgverlening binnen de huisartsenpraktijk deels passend was. De inspectie heeft aanbevelingen gedaan op het gebied van de samenwerking tussen de huisartsenpraktijk en de praktijkondersteuner jeugd en deze aanbevelingen zijn inmiddels volledig geïmplementeerd, aldus de huisartsenpraktijk. 4.10. De rechtbank overweegt als volgt. De informatie die [de verzoeker] heeft gekregen, laat reële vragen open. Die vragen betreffen samengevat of de huisartsenpraktijk voldoende oog heeft gehad voor de veiligheid van [de dochter] , of haar klachten (voldoende) serieus zijn genomen, of het suïciderisico in de periode vóór de suïcide naar behoren is ingeschat, of daarop passend beleid is ingezet en of de behandeling niet onnodig is vertraagd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [de dochter] in de maanden vóór de suïcide herhaaldelijk bij de huisarts is gekomen samen met jongerenwerkers, hetgeen op zichzelf ongebruikelijk is en aanleiding kan zijn tot zorg. Van belang is verder dat de jongerenwerkers tweemaal naar de huisartsenpraktijk hebben gebeld over [de dochter] , toen een (snelle) oproep van de praktijkondersteuner jeugd uitbleef. De rechtbank neemt ook mee dat, anders dan de huisartsenpraktijk stelt, uit het inspectierapport niet volgt dat de huisartsenpraktijk niet op de hoogte was van de suïcidale gedachten. Uit dat rapport volgt dat de jongerenwerkers aan de inspectie hebben verteld dat de huisarts wist van somberheidsklachten van [de dochter] . Volgens de jongerenwerker(s) vroeg de assistente van de huisartsenpraktijk bij het maken van een afspraak immers of de afspraak te maken had met somberheidsklachten. Mede gelet op het voorgaande is mogelijk niet juist gehandeld doordat de huisarts [de dochter] in de periode voorafgaand aan haar overlijden “volgens de werkwijze” en op zeer beknopte wijze tweemaal naar de praktijkondersteuner jeugd heeft verwezen en het dossier heeft gesloten toen zij daar niet verscheen. Het ging immers niet om een gemiddelde patiënt, maar een 17-jarige met complexe psychische en verslavingsproblematiek en een verleden met zelfbeschadiging en suïcidale gedachten. 4.11. Dat het handelen van de huisartsenpraktijk vragen oproept, wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd in het rapport van de inspectie, waarin staat dat het bieden van passende hulp aan [de dochter] door meerdere factoren is belemmerd. De inspectie concludeert dat er onvoldoende is voortgebouwd op wat inmiddels bekend was. Bij het bepalen van vervolgbeleid is de kennis over de gezondheidstoestand van [de dochter] onvoldoende meegenomen. Het huisartsdossier van [de dochter] was slechts gedeeltelijk ondersteunend aan het handelen van de huisarts en de huisartsenpraktijk gebruikte de functie ‘prioriteit’ nog niet. Er was - gelet op de hulpverleningsgeschiedenis van [de dochter] - een nauwe samenwerking tussen de huisartsenpraktijk en de praktijkondersteuner jeugd noodzakelijk. Deze samenwerking schoot tekort. De waarnemend huisarts was onvoldoende op de hoogte van de positie van de praktijkondersteuner jeugd en de huisarts veronderstelde (ten onrechte) dat de praktijkondersteuner jeugd toegang had tot het HIS en het dossier van [de dochter] , aldus nog steeds de inspectie. 4.12. Nu deze vragen niet afdoende zijn beantwoord, is er twijfel of de huisartsenpraktijk de zorg aan [de dochter] naar behoren heeft verleend. Omdat het suïciderisico van [de dochter] niet (voldoende) lijkt te zijn onderkend, ligt het naar het oordeel van de rechtbank voor de hand dat [de verzoeker] worstelt met de vraag of en waar het is misgegaan en of [de dochter] wel de juiste behandeling heeft gekregen. Dit geldt juist en temeer nu de jongerenwerkers en huisartsen elkaar tegenspreken over welke signalen wanneer zijn gedeeld en wat de huisartsenpraktijk wist of had moeten weten. Gelet op de twijfel of de huisartsenpraktijk in de periode vóór de zelfdoding de zorg aan [de dochter] naar behoren heeft verleend, is de rechtbank van oordeel dat [de verzoeker] in het kader van deze procedure het vermoeden van tekortschieten aan de zijde van de huisartsenpraktijk in de gegeven omstandigheden voldoende aannemelijk heeft gemaakt. 4.13. [de verzoeker] heeft, gelet op het voorgaande, bovendien aannemelijk gemaakt dat zijn belang bij inzage in het medisch dossier van [de dochter] door geheimhouding van het dossier mogelijk wordt geschaad. Aan de hand van het dossier kan immers inzichtelijk worden welke signalen wanneer en met wie zijn gedeeld en op welke wijze de huisartsenpraktijk daarmee vervolgens is omgegaan. 4.14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de verzoeker] ook aannemelijk gemaakt dat inzage in het medisch dossier van [de dochter] noodzakelijk is voor de behartiging van zijn belang en kan aan dit belang niet op een minder belastende wijze worden tegemoetgekomen. Alle vragen die [de verzoeker] beantwoord wil zien over de beoordeling van de psychische gesteldheid van [de dochter] houden immers verband met welke signalen wanneer met de huisartsenpraktijk zijn gedeeld en de wijze waarop de huisartsenpraktijk vervolgens met die informatie is omgegaan. Die informatie volgt, anders dan de huisartsenpraktijk stelt, niet, althans onvoldoende uit het inspectierapport. Het medisch dossier van [de dochter] is een belangrijke informatiebron die daarover duidelijkheid kan verschaffen. 4.15. Wat partijen in het kader van het zwaarwegend belang over en weer verder nog hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en blijft daarom verder buiten bespreking. 4.16. De slotsom is dat [de verzoeker] aannemelijk heeft gemaakt dat hij een zwaarwegend belang heeft bij inzage in het medisch dossier van [de dochter] , dat dit belang door de weigering van de huisartsenpraktijk om inzage te geven mogelijk wordt geschaad en dat inzage in het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang. Het inzageverzoek is dan ook op grond van artikel 7:458a lid 1 sub c BW, met onderstaande beperking, toewijsbaar. De andere mogelijkheid voor doorbreking van het medisch beroepsgeheim, te weten artikel 7:458a lid 1 sub b BW, behoeft dan ook niet meer te worden besproken. Dit betekent dat in het midden kan blijven of [de verzoeker] , een nabestaande in de zin van artikel 1 Wkkgz, een mededeling over een incident op grond van artikel 10 lid 3 Wkkgz heeft gekregen. Onafhankelijke arts 4.17. De huisartsenpraktijk heeft nog gewezen op het bepaalde in artikel 7:458b BW. Op grond van die bepaling kan, indien inzage in het medisch dossier vanwege een vermoeden van een medische fout wordt geweigerd aan degene die daarom verzoekt, inzage in het medisch dossier worden verstrekt aan een onafhankelijke arts. Volgens de huisartsenpraktijk biedt artikel 7:458b BW, in de onderhavige situatie, de enige wettelijke toegestane route. 4.18. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Uit de Kamerstukken blijkt dat artikel 7:458b BW ‘een laagdrempelige, onafhankelijke en tijdige beoordeling van een verzoek tot inzage van het medisch dossier van een overleden patiënt door de verzoeker’ beoogt en dat het oordeel van de onafhankelijke arts ‘de mogelijkheid voor de verzoeker om een juridische procedure te starten onverlet’ laat. Hieruit kan worden opgemaakt dat de regeling van artikel 7:458b BW aan een verzoeker een extra voorziening biedt bij een weigering om inzage of afschrift te verlenen, maar niet dat een verzoeker verplicht is van deze voorziening gebruik te maken, voordat een beslissing van de rechter kan worden gevraagd. Dat [de verzoeker] de weg van artikel 7:458b BW niet heeft bewandeld, staat met andere woorden niet in de weg aan toewijzing van het inzageverzoek op grond van artikel 7:458a BW zoals dat nu voorligt. Dat blijkt ook niet uit de door de huisartsenpraktijk genoemde rechtspraak. De rechtbank zal daarom het subsidiaire tegenverzoek van de huisartsenpraktijk afwijzen. Wens [de dochter] 4.19. De laatste vraag die voorligt is of artikel 7:458a lid 4 BW in de weg staat aan toewijzing van het inzageverzoek. 4.20. De huisartsenpraktijk voert als verweer aan dat [de dochter] niet wilde dat haar ouders werden geïnformeerd over haar medische situatie en dat dit is vastgelegd in het dossier. Volgens de huisartsenpraktijk prevaleert die wilsuiting van [de dochter] boven alle mogelijke gronden voor inzage en afgifte, inclusief een zwaarwegend belang, zodat het inzageverzoek moet worden afgewezen. 4.21. Dit verweer slaagt niet. 4.22. De rechtbank stelt voorop dat in de wetsgeschiedenis over artikel 7:458a lid 4 BW het volgende is vermeld: “ Bij de vormgeving van het inzagerecht staat de wilsuiting van de patiënt voorop. Het kabinet wenst te benadrukken dat het van belang is dat het inzagerecht zoveel als mogelijk bij leven van de patiënt bespreekbaar wordt gemaakt en desgewenst in het dossier wordt vastgelegd. Inzage wordt niet verleend als een patiënt heeft vastgelegd dat hij deze inzage niet wenst. Ook als de nabestaande inzage kan krijgen op basis van de twee hierna te bespreken gronden (melding van een incident of een zwaarwegend belang) wordt geen inzage gegeven als de patiënt bij leven heeft vastgelegd dit niet te willen. Aan deze wilsbeschikking van de patiënt wordt door het kabinet grote waarde gehecht. (…) Ten eerste wordt geen inzage in het dossier gegeven als schriftelijk of elektronisch is vastgelegd dat de patiënt dit niet wenst. (…) In overige gevallen waarin de patiënt schriftelijk of elektronisch heeft aangegeven geen inzage te wensen zal geen inzage worden verleend, ook niet als sprake is van een incident of mogelijk sprake is van een zwaarwegend belang. In het wetsvoorstel wordt daarom voorgesteld op te nemen dat bij leven alleen geldige toestemming kan worden gegeven voor inzage aan nabestaanden, als deze toestemming schriftelijk of elektronisch is vastgelegd. De patiënt kan hiervoor zelf een document opstellen of laten opstellen. Ook kan de patiënt mondeling aan de hulpverlener aangeven aan wie welke gegevens uit zijn medisch dossier na zijn overlijden wel of niet verstrekt mogen worden; hiervan moet de hulpverlener dan een aantekening maken in het dossier. Ook dan is sprake van een schriftelijk of elektronisch vastgelegde toestemming. Enkel mondelinge toestemming is onvoldoende. Ik meen dat vastgelegde toestemming vanuit bewijsrechtelijk perspectief meer zekerheid biedt bij de beantwoording van de vraag of de patiënt de inzage heeft willen toestaan (…) Als een patiënt echter schriftelijk heeft vastgelegd niet te willen dat inzage wordt verleend, gaat die verklaring voor. De geheimhoudingsplicht dient het algemeen belang van vrije toegang tot de gezondheidszorg: patiënten moeten erop kunnen vertrouwen dat alles wat zij delen met hun hulpverlener, tussen de patiënt en de hulpverlener blijft. In het verlengde hiervan dient de geheimhoudingsplicht de privacy van de patiënt. Ik ben met het oog op het grote belang van de privacy van de overleden patiënt en het beroepsgeheim van de hulpverlener van oordeel dat deze verworvenheden niet te makkelijk moeten kunnen worden doorbroken. Daarom gaat een expliciet schriftelijke ontzegging tot inzage voor (…). De patiënt kan natuurlijk bij leven in zijn medisch dossier specificeren dat alleen inzage kan worden verleend aan nabestaanden bij het vermoeden van een incident. (…) Een patiënt kan bij leven toestemming aan een persoon verlenen om na het overlijden van de patiënt desgevraagd inzage in het medisch dossier te krijgen. De enige eis die voor die toestemming geldt, is dat de toestemming schriftelijk of elektronisch moet zijn vastgelegd. De patiënt kan hiervoor zelf een document (laten) opstellen. Daarnaast kan de patiënt mondeling aan de hulpverlener aangeven aan wie welke gegevens uit zijn medisch dossier na zijn overlijden wel of niet verstrekt mogen worden. Hiervan moet de hulpverlener aantekening maken in het dossier. Ook dan is voldaan aan de eis van een schriftelijk of elektronisch vastgelegde toestemming. Enkel mondelinge toestemming is onvoldoende. De toestemming wordt bewaard in het medisch dossier ”. 4.23. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de wet en de wetsgeschiedenis dat voor de toepassing van artikel 7:458a lid 4 BW het volgende van belang is. Het is de patiënt zelf die schriftelijk of elektronisch zijn wil heeft vastgelegd of laten vastleggen, en het is niet van betekenis hoe de hulpverlener de wil (achteraf) inschat. De wil moet uitdrukkelijk kenbaar zijn gemaakt. Het vastleggen mag hebben plaatsgevonden doordat een hulpverlener van de uitgesproken wil een aantekening heeft gemaakt in het medisch dossier. Het gaat specifiek om een wilsuiting met betrekking tot gegevens uit het medisch dossier. Tot slot volgt naar het oordeel van de rechtbank, anders dan de huisartsenpraktijk stelt, uit de wet en de wetsgeschiedenis ook dat de wilsuiting moet zijn gericht, of mede zijn gericht, op de situatie na het overlijden. Dat is de situatie waarop artikel 7:458a BW, het inzagerecht voor nabestaanden, betrekking heeft. In de hiervoor geciteerde kamerstukken wordt dit herhaaldelijk benoemd (“ welke gegevens (…) na zijn overlijden wel of niet verstrekt mogen worden ”). 4.24. Vaststaat dat [de dochter] bij leven niet wilde dat haar ouders op de hoogte waren van haar actuele medische situatie en haar bezoeken aan de huisarts. Uit hetgeen de huisartsenpraktijk bij verweerschrift stelt, blijkt echter niet dat [de dochter] uitdrukkelijk heeft uitgesproken dat zij niet wenste dat haar ouders te allen tijde, en specifiek na haar overlijden, inzage in of afschrift van gegevens uit haar medisch dossier zouden krijgen en dat deze wens elektronisch of schriftelijk is vastgelegd. Ter zitting heeft de advocaat van de huisartsenpraktijk desgevraagd bevestigd dat [de dochter] díe wens niet heeft uitgesproken. Dit brengt mee dat het bepaalde in artikel 7:458a lid 4 BW niet aan toewijzing van het inzageverzoek in de weg staat. Slotsom 4.25. De slotsom is dat het inzageverzoek op grond van artikel 7:458a BW, met onderstaande beperking, toewijsbaar is. De andere grondslag voor inzage of afschrift, te weten artikelen 194 en 195 Rv, behoeft dan ook niet meer te worden besproken. Beperking van inzage en afschrift (in tijd) 4.26. [de verzoeker] verzoekt afgifte van een kopie van het (volledige) medisch dossier van [de dochter] , voor zover dat in verband staat met de zelfdoding en/of de psychische gesteldheid van [de dochter] . 4.27. Artikel 7:458a lid 3 BW schrijft voor dat op grond van dat artikel “ uitsluitend gegevens (worden) verstrekt voor zover deze betrekking hebben op de grond waarvoor inzage wordt verleend ”. In de wetsgeschiedenis is hierover onder meer opgemerkt: “ Inzage aan de nabestaande wordt alleen verstrekt voor zover dit nodig is om het doel van inzage te verwezenlijken. In geval van een incident zal alleen inzage worden gegeven in het deel van het dossier dat betrekking heeft op het incident. Hiermee wordt recht gedaan aan het evenwicht tussen enerzijds de gerechtvaardigde belangen van nabestaanden om een dossier van een overleden patiënt in te kunnen zien, en anderzijds aan de belangen van de patiënt die met het beroepsgeheim van de hulpverlener worden beschermd. ” 4.28. De rechtbank wijst erop dat de huisartsenpraktijk deze beperking ten aanzien van het geven van inzage of afschrift in acht behoort te nemen. Ook de rechtbank moet er ambtshalve voor waken, nu [de dochter] dat zelf niet meer kan, dat haar belang bij geheimhouding niet verder wordt geschonden dan de wet toelaat. De beperking die artikel 7:458a lid 3 BW voorschrijft, brengt mee dat het verzoek van [de verzoeker] tot het verstrekken van een afschrift niet onverkort toewijsbaar is, omdat het in tijd niet nader bepaald is. De huisartsenpraktijk mag alleen afschrift verstrekken van gegevens uit het medische dossier van [de dochter] die in verband staan met haar psychische gesteldheid en/of zelfdoding in de periode maart 2019 tot en met [overlijdensdatum] 2022. De rechtbank zal dat de gevraagde voorziening dus beperken tot die periode. 4.29. De termijn waarbinnen de huisartsenpraktijk de afschriften moet verstrekken, bepaalt de rechtbank op vier weken na betekening van deze beschikking. 5 De beoordeling van het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor 5.1. [de verzoeker] verzoekt de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, ex artikel 196 lid 1 Rv. 5.2.Volgens [de verzoeker] heeft hij een concreet belang bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor, omdat het vermoeden bestaat dat verweerders hun zorgplicht hebben geschonden door de ernst van de situatie van [de dochter] niet te onderkennen en na te laten haar tijdig door te verwijzen naar passende zorg. [de verzoeker] heeft aanvullende informatie nodig om zijn rechtspositie in te schatten en zijn standpunt te onderbouwen in een eventuele procedure. [de verzoeker] wenst (onder meer) duidelijkheid te krijgen over 1) de bezoeken van (de jongerenwerker(s) en) [de dochter] aan de huisartsenpraktijk, 2) het overleg tussen de huisarts en de praktijkondersteuner jeugd en 3) de aard van de ondersteuning aan en de gesprekken met [de dochter] in de periode voorafgaand aan haar overlijden. [de verzoeker] wenst daartoe de drie huisartsen van de huisartsenpraktijk te horen. Het is volgens [de verzoeker] van belang om alledrie de huisartsen te horen, omdat [de verzoeker] niet weet welke huisarts op welk moment [de dochter] heeft gezien, en in hoeverre deze huisartsen op de hoogte waren van (de ernst van) de psychische klachten van [de dochter] . Ook wenst [de verzoeker] mevrouw [praktijkondersteuner] te horen. Zij was de betrokken praktijkondersteuner jeugd bij de huisartsenpraktijk in de periode voorafgaand aan de zelfdoding van [de dochter] . 5.3. De huisartsenpraktijk verzet zicht tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe – verkort weergegeven – aan dat sprake is van een zogenoemde ‘fishing expedition’, dan wel dat sprake is misbruik van bevoegdheid. [de verzoeker] wil het verhoor immers benutten om te onderzoeken of een procedure raadzaam is, maar heeft onvoldoende concrete feiten en stellingen aangevoerd die een vordering kunnen dragen. Bovendien hebben de huisartsen een geheimhoudingsplicht en heeft [de dochter] expliciet kenbaar gemaakt dat zij niet wilde dat haar ouders werden geïnformeerd over haar medische situatie. Het toelaten van een getuigenverhoor zou een ongeoorloofde doorkruising van het medisch beroepsgeheim betekenen. Toetsingskader 5.4. Een voorlopig getuigenverhoor heeft als doel om de verzoeker ervan in staat te stellen opheldering te verkrijgen over de – wellicht nog niet precies bekende – feiten en omstandigheden waarvan hij in een eventuele procedure de bewijslast zal hebben om zo zijn positie beter te kunnen beoordelen. Niet vereist is dat de verzoeker al in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen. Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt namelijk niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor. 5.5. In het verzoekschrift moet de verzoeker duidelijk vermelden waar de zaak globaal om gaat, wat hij vordert of wil vorderen, welke feiten hij wil bewijzen en wie de getuigen zijn. Vooral wat hij wil bewijzen, moet voldoende duidelijk zijn voor de betrokken rechter en de wederpartij. Ook moet duidelijk genoeg zijn wat de getuigen daarover kunnen verklaren. Heel gedetailleerd hoeft de verzoeker niet te zijn, omdat een voorlopig getuigenverhoor nu juist dient om onduidelijkheden op te helderen en om degene die om zo’n verhoor verzoekt in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek mag niet vooruit worden gelopen op de uitkomst van de getuigenverhoren en op het verloop en de uitkomst van een eventuele bodemprocedure. 5.6. Indien het verzoek voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt, heeft de verzoeker in beginsel recht op een voorlopig getuigenverhoor. Dat is slechts anders indien de rechter van oordeel is dat de verlangde informatie niet voldoende bepaald is, de verzoeker onvoldoende belang heeft bij zijn verzoek, het verzoek in strijd is met de goede procesorde, er sprake is van misbruik van bevoegdheid of andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting (artikel 196 lid 2 Rv). Als geen van deze situaties zich voordoet en het verzoek verder aan alle eisen voldoet, dan wordt het verzoek toegewezen. Inhoudelijke beoordeling 5.7. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor moet worden toegewezen. Hiertoe overweegt zij het volgende. 5.8. [de verzoeker] heeft genoegzaam toegelicht dat het gevraagde voorlopige getuigenverhoor als doel heeft om hem in staat te stellen opheldering te verkrijgen over de periode voorafgaand aan de zelfdoding van [de dochter] , meer specifiek over de bezoeken van [de dochter] aan de huisartsenpraktijk, het overleg tussen de huisarts en de praktijkondersteuner jeugd en de aard van de ondersteuning aan en de gesprekken met [de dochter] in die periode, zodat hij kan beoordelen of en in hoeverre de huisartsenpraktijk haar zorgplicht heeft geschonden, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld. Verweerders worden niet gevolgd in hun standpunt dat sprake is van een ‘fishing expedition’ en misbruik van bevoegdheid. Verweerders hebben geen concrete aanknopingspunten gegeven om te kunnen aannemen dat daarvan sprake is. Het feitelijk gebeuren waarover [de verzoeker] de getuigen wil horen, is voldoende duidelijk door hem omschreven. Voldoende duidelijk is ook dat en waarom de getuigen over de door [de verzoeker] genoemde feiten en omstandigheden zouden kunnen verklaren. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat [de verzoeker] een rechtsvordering heeft. [de verzoeker] heeft daarmee voldoende concrete aanknopingspunten voor de beoogde bewijsvergaring gegeven. Daarbij komt dat kan worden uitgegaan van de door [de verzoeker] gestelde en door verweerders niet weersproken bewijspositie van [de verzoeker] in een eventuele bodemprocedure. De omstandigheid dat het inzageverzoek zal worden toegewezen en verweerders aan [de verzoeker] afschrift moeten verstrekken van het medisch dossier van [de dochter] zoals hierna onder de beslissing vermeld, betekent bovendien niet dat [de verzoeker] geen belang (meer) heeft bij een voorlopig getuigenverhoor. [de verzoeker] heeft immers onweersproken gesteld dat het in deze zaak juist ook gaat om wat er niet is vastgelegd in het medisch dossier en welke signalen niet werden opgevolgd (en waarom niet). Het bestaan van mondelinge gesprekken geeft [de verzoeker] op zich al voldoende belang om daarover getuigen te horen. 5.9. De omstandigheid dat verweerders een medisch beroepsgeheim hebben, is niet dusdanig zwaarwegend dat het verzoek daarop moet afstuiten. De rechtbank kan en mag in het kader van dit verzoek immers niet vooruitlopen op wat getuigen, mede gelet op het beroepsgeheim, wel of niet kunnen of zullen verklaren. De vraag naar de verschijningsplicht en het verschoningsrecht van de getuigen zal pas in aanloop naar of tijdens het voorlopig getuigenverhoor aan de orde kunnen komen. 5.10. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden sprake van een situatie waarvoor een voorlopig getuigenverhoor geëigend is. Het verzoek voldoet aan de daarvoor geldende vereisten. [de verzoeker] heeft bij zijn verzoek een in rechte te respecteren belang en de verweren van verweerders bieden op zichzelf en in onderlinge samenhang onvoldoende grond om het verzoek af te wijzen. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor zal toewijzen. Het verdere verloop van de procedure 5.11. Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld ten minste 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen moeten ten minste tien dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven. 5.12. Omdat de wederpartij bekend is, zal de rechtbank onder de beslissing de dag bepalen waarop [de verzoeker] uiterlijk een afschrift van deze beschikking per aangetekende brief of exploot aan de huisartsenpraktijk moeten laten toekomen. 5.13. Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechtbank na afloop van een of meer voorlopige bewijsverrichtingen op verzoek van partijen of een van hen of ambtshalve een (nieuwe) mondelinge behandeling kan bevelen om een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de rechtbank. Tijdens deze mondelinge behandeling

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/144074 · 2026-07-23
