# Raad van State, 22-07-2026 (202406048/1/A3)

- Type: Case Law
- Source: Raad van State
- Identifier: ECLI:NL:RVS:2026:4287
- Date: 2026-07-22
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARVS%3A2026%3A4287
- Canonical: https://overview.legal/posts/144082
- Topics: Data Controller, Controllers, Personal Data, Processing, Public Authority, Right of Access, Right of Access Procedures

## Summary

Bij besluit van 23 oktober 2023 heeft het college van procureurs-generaal een verzoek van [appellant] om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) toegewezen. [appellant] heeft op 20 september 2021 een verzoek bij de rijksrecherche ingediend om inzage in zijn persoon betreffende politiegegevens als bedoeld in artikel 25 van de Wpg. Op grond van artikel 1, aanhef en onder f, sub 2, van de Wpg is de verwerkingsverantwoordelijke bij de rijksrecherche het college. Het college heeft aanvankelijk bij besluit van 11 oktober 2021 medegedeeld dat er geen persoonsgegevens van [appellant] zijn verwerkt. Bij besluit van 18 februari 2022 heeft het college het verzoek alsnog toegewezen en [appellant] inzage gegeven in registraties uit het onderzoeksdossier van de strafzaak ‘[strafzaak].

## Full text

202406048/1/A3. Datum uitspraak: 22 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 augustus 2024 in zaak nr. 23/6827 in het geding tussen: [appellant] en het college van procureurs-generaal. Procesverloop Bij besluit van 23 oktober 2023 heeft het college een verzoek van [appellant] om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) toegewezen. Bij uitspraak van 16 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 23 oktober 2023 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 14 oktober 2024 heeft het college opnieuw op het verzoek van [appellant] besloten. [appellant] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 14 oktober 2024. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. Beaufort, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. J. Menken, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft op 20 september 2021 een verzoek bij de rijksrecherche ingediend om inzage in zijn persoon betreffende politiegegevens als bedoeld in artikel 25 van de Wpg. Op grond van artikel 1, aanhef en onder f, sub 2, van de Wpg is de verwerkingsverantwoordelijke bij de rijksrecherche het college. Het college heeft aanvankelijk bij besluit van 11 oktober 2021 medegedeeld dat er geen persoonsgegevens van [appellant] zijn verwerkt. Bij besluit van 18 februari 2022 heeft het college het verzoek alsnog toegewezen en [appellant] inzage gegeven in registraties uit het onderzoeksdossier van de strafzaak [naam strafzaak]. De rechtbank heeft bij uitspraak van 1 augustus 2023 in zaak nr. 22/1825 het besluit van 18 februari 2022 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het college heeft het inzageverzoek vervolgens bij het besluit van 23 oktober 2023 opnieuw toegewezen. Hieraan ligt een aanvullende zoekslag ten grondslag. Volgens het college is het onderzoek ‘[naam strafzaak]’ jegens [appellant] afgerond en vallen in dit onderzoek 53 verwerkingen onder artikel 25 van de Wpg. Een overzicht van deze verwerkingen is weergegeven in een bij het besluit behorende inventarislijst. De uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het geloofwaardig is dat met de zoekslag door het college eventuele e-mails die nog bij medewerkers resteerden naar boven zijn gekomen. De rechtbank vindt wel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de mailboxen van oud-medewerkers niet zijn doorzocht. Het college heeft verder voldoende gemotiveerd waarom niet op de term ‘[locatie]’ is gezocht, maar heeft dat onvoldoende gedaan wat betreft de term ‘[naam bedrijf]’. Dit is de nieuwe naam van een bedrijf van [appellant], al ten tijde van het onderzoek en dit zou nadere gegevens naar boven kunnen brengen. Verder acht de rechtbank het niet aannemelijk dat een zoekslag op de telefoonnummers van [appellant] nog meer documenten zal opleveren. 2.1. Het komt de rechtbank ook geloofwaardig voor dat er niet meer e-mails zijn met gegevens van [appellant] in het kader van de Commissie Operatie Schoon Schip. De zaak van [appellant] vormt een klein onderdeel in het hele onderzoek. Voor zover er al e-mails zouden zijn, is het aannemelijk dat deze zijn verwijderd. De e-mails zouden dan met de nadere zoekslag door het college zijn aangetroffen. Overige gronden die [appellant] heeft aangevoerd over de wijze en de omvang van de zoekslag vallen volgens de rechtbank buiten de omvang van het geding. [appellant] had dit in de eerdere procedure al aangevoerd of kunnen aanvoeren. 2.2. De rechtbank heeft gelet op het motiveringsgebrek over de mailboxen van oud-medewerkers en de term ‘[naam bedrijf]’ het besluit van 23 oktober 2023 daarom vernietigd en opgedragen een nieuw besluit te nemen. Wettelijk kader 3. De voor deze zaak van belang zijnde bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Hoger beroep 4. [appellant] betoogt dat in de eerdere procedure door de rechtbank is geoordeeld dat het college een zoekslag moest doen op andere persoonsgegevens van [appellant], waaronder zijn adres. Volgens [appellant] was het college op basis van die uitspraak dan ook ertoe gehouden zijn adres bij de zoekslag te betrekken. Hij woonde ten tijde van de strafrechtelijke vervolging immers aan de [locatie]. Voor zover kan worden gesteld dat een zoekslag op de term ‘[locatie]’ niet zou leiden tot nieuwe stukken, bevreemdt het [appellant] dat het college in de aanvullende zoekslag wel heeft gezocht op drie andere adressen. Volgens [appellant] heeft de rechtbank dan ook ten onrechte geoordeeld dat niet op de term ‘[locatie]’ hoefde te worden gezocht. 4.1. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen aanvullende zoekslag hoefde te worden gedaan op telefoonnummers van [appellant]. Hoewel de telefoongesprekken van [appellant] zelf niet zijn getapt, zijn de gesprekken van de hoofdverdachte in het strafrechtelijk onderzoek wel getapt. [appellant] heeft veel contact met deze persoon gehad. Er is in ieder geval één tapverslag gevonden waarin de gegevens van [appellant] verwerkt worden, dus kan volgens hem niet worden uitgesloten dat er meer tapverslagen zijn. Er had dan ook op zijn telefoonnummers gezocht moeten worden. Beoordeling hoger beroep 5. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een document toch onder het bestuursorgaan berust (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4945). Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan de Afdeling niet ongeloofwaardig voorkomt, zal worden betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht. 5.1. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat het college niet verder op de term ‘[locatie]’ heeft hoeven zoeken. Het komt de Afdeling niet ongeloofwaardig voor dat het zoeken op deze term geen meerwaarde heeft. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er meer stukken naar boven komen waarin alleen deze term voorkomt. Het is aannemelijk dat de stukken al zijn gevonden door gebruik van een van de andere zoektermen. De rechtbank heeft opgedragen wel te zoeken op de term ‘[naam bedrijf]’ omdat het college ook heeft gezocht op drie andere adressen van vennootschappen van [appellant]. [naam bedrijf] was een nieuwe naam van een van de bedrijven van [appellant] ten tijde van het onderzoek. Het adres [locatie] is het woonadres geweest van [appellant] en gaat dus niet over zijn bedrijven. 5.2. De Afdeling is evenwel van oordeel dat het college de telefoonnummers van [appellant] bij de zoekslag had moeten betrekken. Het college heeft documenten gevonden die gaan over getapte gesprekken van de hoofdverdachte van het strafrechtelijke onderzoek waarin de naam van [appellant] voorkomt. Het is niet uit te sluiten dat er niet nog meer documenten worden aangetroffen als de telefoonnummers van [appellant] worden betrokken in de zoekslag. Het gaat om drie door [appellant] genoemde telefoonnummers. [appellant] heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat er mogelijk meer documenten bij het college berusten die betrekking hebben op het Wpg-verzoek. De rechtbank heeft ten onrechte anders geoordeeld. 5.3. Wat betreft het niet meer door de rechtbank betrekken van twee punten van [appellant], omdat de rechtbank het onderzoek al had gesloten, overweegt de Afdeling dat [appellant] de argumenten die hij in beroep nog verder aan de orde willen stellen ook in hoger beroep heeft aangevoerd. Het gaat [appellant] erom dat de zoekslag niet voldoende is geweest, omdat volgens hem aannemelijk is dat de ter inzage gelegde documenten niet compleet zijn. Het gaat daarbij in ieder geval om een proces-verbaal van een verhoor in het kader van het strafrechtelijk onderzoek. In dat verhoor zou [appellant] bij naam genoemd zijn. Ook gaat het volgens [appellant] om de mailwisseling tussen het Openbaar Ministerie en de Rijksrecherche over de strafvervolging van [appellant] tussen 19 en 26 september 2017. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat er over deze kwesties nog meer documenten zouden zijn die niet al zouden zijn gevonden met de door het college gebruikte zoektermen. Het betoog slaagt niet. 5.4. Gelet op wat de Afdeling onder 5.2 heeft overwogen, is het hoger beroep gegrond. De Afdeling zal de verdere gevolgen daarvan onder 7 bespreken. Het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2024 6. Het college heeft ter uitvoering van de opdracht van de rechtbank bij het besluit van 14 oktober 2024 opnieuw op het verzoek van [appellant] beslist. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. 6.1. Volgens het college worden mailboxen van oud-medewerkers een half jaar na uitdiensttreding opgeheven en zijn deze niet meer toegankelijk. Dezelfde werkwijze heeft plaatsgevonden voor oud-medewerkers die betrokken zijn geweest bij het onderzoek ‘[naam strafzaak]’. Deze mailboxen kunnen dus niet worden meegenomen bij de aanvullende zoekslag. Het college heeft wel gezocht op de term ‘[naam bedrijf]’ maar dit heeft geen documenten opgeleverd. 6.2. [appellant] kan zich niet vinden in het nieuwe besluit. Volgens hem strookt de mededeling dat de mailboxen van oud-medewerkers worden opgeheven niet met wat het college op de zitting bij de rechtbank heeft verklaard. De mailboxen zouden namelijk niet zijn doorzocht wegens privacyredenen, wat zou impliceren dat de mailboxen wel toegankelijk zijn maar ervoor is gekozen de mailboxen niet te doorzoeken. Ook is het volgens [appellant] niet ongebruikelijk dat bij het verwijderen van een mailbox de inhoud wel wordt gearchiveerd. 6.3. De Afdeling is van oordeel dat het besluit van 14 oktober 2024 voldoet aan de opdracht van de rechtbank. Het college heeft gemotiveerd toegelicht dat het doorzoeken van de mailboxen van oud-medewerkers niet mogelijk is omdat de mailboxen opgeheven zijn. Dat betekent volgens het college dat de mailboxen niet meer toegankelijk zijn en daaruit geen documenten kunnen worden gehaald die betrekking hebben op het Wpg-verzoek. Wat [appellant] hier tegenover heeft gesteld geeft de Afdeling in dit geval geen aanleiding hierover anders te oordelen. 6.4. Het betoog slaagt niet. Conclusie 7. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten het college op te dragen ook een nieuw besluit te nemen over de hierboven genoemde drie telefoonnummers van [appellant]. De uitspraak van de rechtbank wordt, voor zover aangevallen, voor het overige bevestigd. De Afdeling zal doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het college opdragen dat besluit alsnog te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld. 8. Het beroep tegen het besluit van 14 oktober 2024 is ongegrond. 9. Het college moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 augustus 2024 in zaak nr. 23/6827, voor zover de rechtbank geen opdracht heeft gegeven een nieuw besluit te nemen met betrekking tot de drie door [appellant] genoemde telefoonnummers; III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevallen voor het overige; IV. draagt het college van procureurs-generaal op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; V. bepaalt dat tegen het te nemen besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld; VI. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van procureurs-generaal van 14 oktober 2024 ongegrond; VII. veroordeelt het college van procureurs-generaal tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat het college van procureurs-generaal aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 279,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier. w.g. Minderhoud lid van de enkelvoudige kamer w.g. Bindels griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026 85-1104 BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 6:19 1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. […] Artikel 6:24 Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld. Wet politiegegevens Artikel 25. (recht op inzage) 1. De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over: a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking; b. de betrokken categorieën van politiegegevens; […] […]

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/144082 · 2026-07-23
