# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25-02-2026 (25/567, 25/568 en 25/569)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:1232
- Date: 2026-02-25
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A1232
- Canonical: https://overview.legal/posts/144085
- Topics: Minors, Liability, Public Authority, Personal Data, Recipient, Types of Special Categories of Personal Data, Consent

## Summary

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van misbruik van bevoegdheden of van schending van artikel 8:42 van de Awb. Van schending van het verschoningsrecht is evenmin sprake. De rechtbank is verder van oordeel dat tussen belanghebbende en Nederland in het jaar 2018 een duurzame band van persoonlijke aard heeft bestaan. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van winstuitdelingen aan belanghebbende die niet in de aangifte zijn vermeld. De vereiste aangifte is daarom niet gedaan zodat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard. De aanslag IB/PVV 2018 is daarom terecht en tot een juist bedrag opgelegd. De conserverende aanslagen over de jaren 2017 en 2018 zijn ten onrechte aan belanghebbende opgelegd en dienen daarom te worden vernietigd.

## Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummers: BRE 25/567, 25/568, 25/569 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 februari 2026 in de zaken tussen [belanghebbende] , uit [plaats 1] (België), belanghebbende, (gemachtigden: mr. M. Hendriks en mr. N. ten Donkelaar), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 20 december 2024. 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2018 opgelegd en bij gelijktijdige beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 58.645 (zaaknummer 25/569). De aanslag IB/PVV 2018 is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 79.362, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 4.484.351 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 64.369. 1.2. Verder heeft de inspecteur aan belanghebbende conserverende aanslagen IB/PVV voor de jaren 2017 en 2018 opgelegd en bij gelijktijdige beschikkingen revisierente in rekening gebracht van € 315.130 (2017) respectievelijk € 304.977 (2018) (zaaknummers 25/567 en 25/568). Voor het jaar 2017 heeft de inspecteur het te conserveren inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 1.575.652 en het te conserveren inkomen uit aanmerkelijk belang op € 120.000.000. Voor het jaar 2018 heeft de inspecteur het te conserveren inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 1.524.888 en het te conserveren inkomen uit aanmerkelijk belang op € 120.000.000. 1.3. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.4. De inspecteur heeft een verzoek om geheimhouding van (delen van) stukken gedaan. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft op het verzoek van de inspecteur beslist. 1.5. De rechtbank heeft de beroepen op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende: de gemachtigden, vergezeld van [persoon 1] en namens de inspecteur: mr. drs. [inspecteur 1] , drs. [inspecteur 2] , drs. [inspecteur 3] , mr. [inspecteur 4] en drs. [inspecteur 5] . Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2018, de belastingrentebeschikking, de conserverende aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 en de revisierentebeschikkingen terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende zijn opgelegd. De rechtbank doet dit aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. 2.1. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aanslag IB/PVV 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende opgelegd. De conserverende aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 en de bijbehorende revisierentebeschikkingen zijn naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Feiten 3. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit. 3.1. Belanghebbende was in 2017 gehuwd met [persoon 2] ( [persoon 2] ). Het huwelijk is op [datum] 2017 ontbonden. Belanghebbende en [persoon 2] hebben drie kinderen: [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] . 3.2. Belanghebbende stond van 25 juli 2006 tot en met 27 maart 2017 ingeschreven op het adres van de woning aan de [adres] . Belanghebbende was tot 30 november 2018 eigenaar van de woning. De woning stond sinds 12 juli 2017 te koop. 3.3. Belanghebbende houdt alle aandelen in [b.v. 1] . Belanghebbende is ook de enige bestuurder van [b.v. 1] . 3.4. [b.v. 1] hield in de onderhavige jaren alle aandelen in een aantal besloten vennootschappen (tezamen de [bedrijf] ). De [bedrijf] exploiteerde een aantal vakantieparken, waaronder [vakantiepark 1] , [vakantiepark 2] , [vakantiepark 3] , [vakantiepark 4] , [vakantiepark 5] , [vakantiepark 6] , [vakantiepark 7] en [vakantiepark 8] . Zij baatte ook de horeca in die parken uit. Vanaf 2015 zijn asielzoekers opgevangen op de vakantieparken. Verder handelden twee dochtervennootschappen van [b.v. 1] in caravans en verhuurde één dochtervennootschap, [b.v. 2] , gemeubileerde stacaravans aan arbeidsmigranten. 3.5. De administratie van de [bedrijf] vond voornamelijk plaats op het hoofdkantoor in [plaats 2] . Voor de reserveringen op de vakantieparken maakt de [bedrijf] sinds 2014 gebruik van het [systeem] van [leverancier] . 3.6. In oktober 2016 heeft de inspecteur bij de [bedrijf] een boekenonderzoek aangekondigd over het jaar 2014. Tijdens het boekenonderzoek ontstond het vermoeden van strafbare feiten. Hierop heeft de Belastingdienst de zaak aangemeld bij de FIOD en het Openbaar Ministerie. Op 18 oktober 2018 is besloten tot strafrechtelijke behandeling van de zaak. Op 21 mei 2019 heeft de FIOD een inval gedaan bij de [b.v. 1] waarbij administratie in beslag is genomen. In 2019 heeft de inspecteur de officier van justitie tweemaal, op grond van artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), verzocht om gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek. De FIOD heeft op verschillende momenten stukken aan de inspecteur ter beschikking gesteld. In oktober 2020 heeft de inspecteur aan de [bedrijf] meegedeeld dat het boekenonderzoek werd uitgebreid naar de jaren 2015 tot en met 2018. 3.7. Tot de dossiers behoren onder meer het eindproces-verbaal van de FIOD en processen-verbaal van getuigenverhoren. 3.8. De inspecteur heeft twee navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2017 aan belanghebbende opgelegd. De rechtbank heeft daarover op 7 mei 2025 uitspraak gedaan. 3.9. Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV voor het jaar 2018 ingediend als buitenlands belastingplichtige naar een verzamelinkomen van € 126.042, bestaande uit een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.085 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 52.957. 3.10. Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2018 (zie 1.1) heeft de inspecteur een bedrag aan door hem berekende door [b.v. 1] verzwegen omzet als inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) in aanmerking genomen. Dit bedrag is volgens de inspecteur in het jaar waarin die omzet is behaald aan te merken als een onttrekking en betreft volgens de inspecteur een uitdeling van winst door [b.v. 1] aan belanghebbende als directeur/enig aandeelhouder. Het bedrag bestaat uit een netto uitdeling van € 3.811.698 verhoogd met dividendbelasting van € 672.653. Het bedrag van € 3.811.698 is als volgt opgebouwd: [tabel] 3.11. Belanghebbende is door de rechtbank Oost-Brabant bij uitspraak van 15 april 2025 strafrechtelijk veroordeeld. In die uitspraak staat onder meer het volgende: “Inleiding [b.v. 1] . heeft onder leiding van de verdachte in Nederland en België een groot aantal vakantieparken geëxploiteerd, waaronder de vakantieparken die verdachten zijn in onderhavig onderzoek. Tijdens een in 2016 door de Belastingdienst gestart boekenonderzoek is naar voren gekomen, dat binnen de [bedrijf] een geldstroom moest zijn, die niet in de administratie zichtbaar was, niet bekend was bij de eigen accountant en die ook niet was opgegeven bij de Belastingdienst. Uit het vervolgens opgestarte strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat het binnen de vakantieparken van de [bedrijf] gedurende jaren staande praktijk was om een specifieke soort verhuur buiten het reserverings- en boekingssysteem te houden en contant te laten afrekenen. Bij deze vorm van verhuur werden huurders binnen de organisatie aangeduid met de term “ranger”. Het betrof verhuur van langere duur, voor permanente bewoning, niet als recreatief verblijf. Ook werd deze vorm van verhuur aangeduid als “sociale verhuur”. Uit een e-mailbericht van 17 april 2014 blijkt dat deze werkwijze werd aangestuurd vanuit het hoofdkantoor. Verhuur aan “rangers” was enkel toegestaan met toestemming van de verdachte, waarna (…) , zijn dochter, de blokkering vanuit de verschillende parken vastlegde in het reserveringssysteem en deze ook weer verwijderde. De contante betalingen van de rangers werden door de parkbeheerders in een envelop gedaan en afgegeven op het hoofdkantoor of opgehaald door de verdachte of zijn zoon. Dit soort huurders werd ook niet geregistreerd in het nachtregister op de parken, of als dat wel gebeurde, werd de registratie ook wel nadien vernietigd. Daarnaast is gebleken dat de urenregistratie en urenbriefjes van een bepaald soort medewerkers, namelijk de ‘buitenlandse Europese medewerkers’, in opdracht van het hoofdkantoor van de [bedrijf] moesten worden vernietigd. Gebleken is dat het voeren van deze gebrekkige administratie in ieder geval in de hele ten laste gelegde periode, van 1 januari 2014 tot en met 21 mei 2019, heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat ten minste vijf jaar lang bewust een geldstroom buiten de administratie is gehouden, die niet in de belastingheffing is betrokken en waardoor te weinig belasting is geheven. Dit komt neer op fiscale fraude. Daarnaast heeft de verdachte als feitelijk leidinggever van de moedermaatschappij over het jaar 2017 niet tijdig aangifte vennootschapsbelasting gedaan en over het jaar 2018 deed hij dat in het geheel niet.” Motivering Vooraf Het oproepen van getuigen? 4. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht om getuigen op te roepen en te horen. Hij stelt dat hij de gelegenheid moet hebben om alle getuigen te horen die eerder een belastende verklaring hebben afgelegd en verder alle ambtenaren van de FIOD en de Belastingdienst die het onderzoek naar hem hebben gedaan. Belanghebbende stelt verder dat een veroordeling niet uitsluitend of in beslissende mate mag zijn gebaseerd op verklaringen van personen aan wie hij geen vragen heeft kunnen (doen) stellen. 4.1. De rechtbank stelt voorop dat het belanghebbende vrijstond om zelf getuigen mee te brengen naar de zitting of getuigen op te roepen voor de zitting. Belanghebbende is van die mogelijkheid ook op de hoogte gesteld bij de uitnodiging voor de zitting. Belanghebbende heeft, zo is ter zitting ook verklaard, geen pogingen ondernomen om ervoor te zorgen dat de getuigen ter zitting aanwezig waren. Feiten of omstandigheden waaraan de conclusie is te verbinden dat belanghebbende niet in redelijkheid kan worden tegengeworpen dat hij van de geboden mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de getuigen zelf op te roepen en te horen. Het oproepen van een of meer getuigen komt de rechtbank – alles afwegende – in het kader van de op haar rustende taak niet zinvol voor. Is er sprake van schending van artikel 8:42 van de Awb en/of misbruik van bevoegdheden? 4.2. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Het gaat belanghebbende dan in het bijzonder om de RIEC-stukken en de tripartite-stukken. In het tiendagenstuk heeft belanghebbende ter onderbouwing enkele citaten opgenomen uit de RIEC-documenten die hem wel ter beschikking staan. Volgens belanghebbende kan uit de aard en inhoud van deze passages worden afgeleid dat het om bijdragen van de inspecteur gaat. Dat brengt belanghebbende tot de conclusie dat de inspecteur actief betrokken is geweest bij de RIEC-overleggen en dus in ieder geval over alle RIEC-stukken heeft kunnen beschikken. 4.3. Tussen partijen is kennelijk niet (langer) in geschil dat een medewerker van de Belastingdienst aanwezig is geweest bij een RIEC-overleg. De enkele omstandigheid dat een medewerker van de Belastingdienst aanwezig is geweest bij een RIEC-overleg, betekent echter nog niet zonder meer dat de inspecteur ook over alle stukken van het RIEC heeft kunnen beschikken. De inspecteur heeft steeds verklaard dat hij niet beschikt over de RIEC-stukken en de tripartite-stukken. De rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Het dossier bevat daarvoor geen concrete aanwijzingen. Het dossier bevat juist wel aanwijzingen die de verklaring van de inspecteur ondersteunen, zoals de beslissing van 17 juli 2025 van de gemeente [plaats 2] op het verzoek van belanghebbende om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens binnen RIEC Oost-Brabant. In bijlage 2 bij die beslissing is de Belastingdienst niet genoemd als ontvanger van persoonsgegevens van belanghebbende. De rechtbank heeft dus geen reden om te oordelen dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. 4.4. Verder komt het betoog van belanghebbende er in wezen op neer dat door de Belastingdienst ongeoorloofd invloed is uitgeoefend op de gang van zaken binnen het RIEC. De rechtbank vat dat op in het kader van de stelling van belanghebbende dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende, op wie in dit opzicht de bewijslast rust, met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur zijn bevoegdheden heeft misbruikt. Belanghebbende had ook de mogelijkheid om de betreffende medewerker van de Belastingdienst als getuige op te roepen en te doen horen in dit kader. Dat heeft belanghebbende nagelaten (zie ook 4.1). Heeft de inspecteur inzage gehad in verschoningsgerechtigde stukken? 4.5. Belanghebbende stelt dat de inspecteur ten onrechte inzage heeft gehad in correspondentie met verschoningsgerechtigden. Deze correspondentie is bij de actiedag van de FIOD in beslag genomen en maakt onderdeel uit van het onderzoeksdossier van de FIOD. Belanghebbende wijst erop dat in het proces-verbaal inzake het filteren van stukken staat beschreven dat er vier stukken zijn uitgegrijsd, terwijl de in beslag genomen administratie duizenden verschoningsgerechtigde stukken bevatte. Hieruit leidt belanghebbende af dat er vertrouwelijke correspondentie is achtergebleven in het onderzoeksdossier van de FIOD. Belanghebbende wijst erop dat de inspecteur inzage heeft gehad in dit onderzoeksdossier, zodat de inspecteur dus toegang heeft gehad tot verschoningsgerechtigde stukken. Dit levert volgens belanghebbende een ernstige schending van zijn rechten op, zodat de aanslagen om die reden niet in stand kunnen blijven. 4.6. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat de FIOD de in beslag genomen stukken volledig heeft geschoond en dat de FIOD dit mondeling aan de inspecteur heeft bevestigd. De inspecteur heeft verder verklaard dat hij in het onderzoeksdossier waarin hij inzage heeft gehad geen verschoningsgerechtigd materiaal heeft aangetroffen. 4.7. De rechtbank begrijpt dat de omgang met verschoningsgerechtigd materiaal in de strafrechtelijke procedure een onderwerp van geschil is. In deze procedure beschikt de rechtbank echter niet over concrete aanwijzingen om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de inspecteur. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de inspecteur geen kennis heeft genomen van verschoningsgerechtigd materiaal. Dit betekent dat er naar het oordeel van de rechtbank op dit punt geen sprake is van een schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur door de inspecteur. Overigens ziet de rechtbank, ook indien wel van een schending zou worden uitgegaan, onvoldoende aanknopingspunten om daaraan de door belanghebbende voorgestane gevolgen te verbinden. Aanslag IB/PVV 2018 Binnenlands belastingplichtige? 5. Een binnenlands belastingplichtige wordt in Nederland in de belastingheffing betrokken naar zijn wereldinkomen. Op basis van het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt als binnenlands belastingplichtige aangemerkt een natuurlijk persoon die in Nederland woont. 5.1. Belanghebbende stelt dat hij voor het jaar 2018 ten onrechte als binnenlands belastingplichtige is aangemerkt. Belanghebbende stelt dat hij sinds medio 2015 inwoner van België is. 5.2. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) naar de omstandigheden beoordeeld. Daarbij moet acht worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er volgens vaste rechtspraak op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt. 5.3. De bewijslast van het fiscale inwonerschap in Nederland rust in dit geval op de inspecteur. De inspecteur heeft over het fiscaal inwonerschap onder meer – kort en zakelijk weergegeven – de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd: de kinderen van belanghebbende wonen in Nederland; belanghebbende is in 2018 een relatie gestart met [persoon 3] . [persoon 3] en haar kinderen wonen in Nederland; belanghebbende was tot 30 november 2018 eigenaar van de woning aan de [adres] ; belanghebbende was in 2018 eigenaar van twee woningen in [plaats 3] en drie chalets op vakantiepark [vakantiepark 6] in [plaats 3] ; belanghebbende is directeur/enig aandeelhouder van [bedrijf] . Het hoofdkantoor is gevestigd in [plaats 2] en de hoofdactiviteit van de onderneming bestaat uit (onder meer) de exploitatie van 12 vakantieparken waarvan 8 in Nederland zijn gelegen. 5.4. De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de inspecteur heeft aangevoerd, en welke door belanghebbende als zodanig niet zijn betwist, in onderlinge samenhang bezien van voldoende gewicht om het oordeel te rechtvaardigen dat tussen belanghebbende en Nederland in het jaar 2018 een duurzame band van persoonlijke aard heeft bestaan in de in 5.2 bedoelde zin. Dit oordeel sluit overigens niet uit, zoals hiervoor ook overwogen, dat eveneens een band van persoonlijke aard met België kan bestaan. De conclusie luidt dan ook dat belanghebbende in het onderhavige jaar in Nederland woonde in de zin van artikel 4 van de AWR. 5.5. Voor dat geval heeft belanghebbende een beroep op het Belastingverdrag met België (het Verdrag) gedaan. Op basis van artikel 4, eerste lid, van het Verdrag, betekent de uitdrukking “inwoner van een Verdragsluitende Staat”, voor zover hier van belang, iedere persoon die, ingevolge de wetgeving van die staat, aldaar aan belasting is onderworpen op grond van zijn woonplaats, verblijf of enige andere soortgelijke omstandigheid. Wanneer ingevolge de nationale wetgeving van beide staten een natuurlijk persoon inwoner van beide staten is, wordt zijn woonplaats voor de toepassing van het Verdrag bepaald volgens de regels van artikel 4, tweede lid, van het Verdrag: “a. hij wordt geacht uitsluitend inwoner te zijn van de Staat waarin hij een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft; indien hij in beide Staten een duurzaam tehuis tot zijn beschikking heeft, wordt hij geacht slechts inwoner te zijn van de Staat waarmede zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen); b. indien op grond van de bepalingen van onderdeel a niet kan worden bepaald waar het enige tehuis zich bevindt, wordt de natuurlijke persoon geacht uitsluitend inwoner te zijn van de Staat waarin hij gewoonlijk verblijft; c. indien hij in beide Staten of in geen van beide gewoonlijk verblijft, wordt hij geacht uitsluitend inwoner te zijn van de Staat waarvan hij onderdaan is: (…)” 5.6. Niet in geschil is dat belanghebbende in beide staten onderworpen is aan de heffing van de inkomstenbelasting op grond van zijn woonplaats. De rechtbank is van oordeel dat hij in beide staten beschikt over een duurzaam tehuis. Belanghebbende had in 2018 tot aan de levering van die woning op 30 november 2018 in ieder geval de beschikking over de woning aan de [adres] , naast de woning in België. De stelling van belanghebbende dat de woning toen zou hebben leeg gestaan, biedt grond voor dat oordeel aangezien dat meebrengt dat belanghebbende daar gebruik van kon maken. Voor zover daarmee is bedoeld te stellen dat belanghebbende die woning nooit gebruikte, ziet de rechtbank daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Uit de foto’s in het dossier van de woning blijkt dat deze is ingericht met een televisie, meubilair, gordijnen, kunstobjecten en een ingerichte bar. Dat wijst naar het oordeel van de rechtbank niet op een woning die niet wordt gebruikt. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat slechts een beperkt aantal foto’s van deze omvangrijke woning zijn overgelegd. Verder acht de rechtbank relevant dat de toenmalige vriendin van belanghebbende in Nederland over woonruimte beschikte. Voor dat geval bepaalt het tweede lid, onderdeel a, van het Verdrag dat hij geacht wordt inwoner te zijn van de staat waarmee zijn persoonlijke en economische betrekkingen het nauwst zijn. 5.7. Weging van alle feiten en omstandigheden leidt de rechtbank tot het oordeel dat het middelpunt van de levensbelangen van belanghebbende in 2018 in Nederland ligt. In het bijzonder heeft meegewogen dat de gezins- en familiebetrekkingen – die zwaar meewegen – duidelijk naar Nederland wijzen. De kinderen van belanghebbende wonen in Nederland en ook zijn nieuwe partner woonde met haar kinderen in Nederland. Verder wijzen de economische betrekkingen ook duidelijk naar Nederland, nu het hoofdkantoor van [bedrijf] in Nederland is gevestigd en belanghebbende ook een groot deel van zijn werkzaamheden in Nederland verricht. Verder was belanghebbende nog eigenaar van diverse onroerende zaken in Nederland. 5.8. Gelet op het voorgaande wordt belanghebbende voor de toepassing van het Verdrag inwoner te zijn van Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank kan en mag Nederland belanghebbende in 2018 dus belasten naar zijn wereldinkomen. De rechtbank beoordeelt hierna of de aanslag IB/PVV 2018 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Omkering en verzwaring van de bewijslast 5.9. De inspecteur stelt dat voor bepaling van de hoogte van de aanslag IB/PVV 2018 de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Belanghebbende heeft volgens de inspecteur de vereiste aangiften niet gedaan omdat hij de winstuitdelingen vanuit de [bedrijf] niet heeft aangegeven waardoor aanzienlijke bedragen aan verschuldigde belasting niet zijn betaald. 5.10. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast, waardoor de bewijslast hiervoor rust op de inspecteur. 5.11. De inspecteur stelt dat sprake is van winstuitdelingen vanuit [b.v. 1] aan belanghebbende, doordat zwarte omzet van [bedrijf] aan belanghebbende ten goede is gekomen. Belanghebbende zou in zijn hoedanigheid van aandeelhouder door [b.v. 1] ten laste van haar vermogen zijn bevoordeeld en belanghebbende en [b.v. 1] zouden zich van deze bevoordeling bewust zijn geweest. De aldus gedane uitdelingen ter hoogte van de gestelde zwarte omzet heeft de inspecteur aangemerkt als inkomen uit aanmerkelijk belang. Belanghebbende bestrijdt dat indien en voor zover er al sprake zou zijn van niet-verantwoorde omzet, deze door de aandeelhouder aan [b.v. 1] zijn onttrokken. 5.12. De rechtbank stelt voorop dat voor een uitdeling van winst is vereist dat een vermogensverschuiving van [b.v. 1] naar belanghebbende als aandeelhouder heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan aan het vermogen van [b.v. 1] enig geldbedrag of andere waarde, ten gunste van de aandeelhouder is onttrokken. Naast dat sprake dient te zijn van een vermogensverschuiving (het objectieve vereiste) geldt dat zowel [b.v. 1] als belanghebbende als aandeelhouder zich van de bevoordeling (redelijkerwijs) bewust dienen te zijn geweest (het subjectieve vereiste). 5.13. De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van winstuitdelingen door [b.v. 1] aan belanghebbende in het jaar 2018. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat binnen [bedrijf] in het jaar 2018 het reserveringssysteem Newyse op verschillende manieren werd gemanipuleerd zodat personen, binnen de [bedrijf] ‘Rangers’ genoemd, gedurende langere tijd op de vakantieparken konden verblijven, zonder dat dit verblijf in de administratie van [bedrijf] tot uitdrukking kwam. De rechtbank verwijst in dat verband naar haar uitspraak inzake [b.v. 1] van 7 mei 2025 alsmede de in het geding gebrachte processen-verbaal van de FIOD Ook heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de hiervoor bedoelde rangeromzet in het jaar 2018 een relatief en absoluut groot bedrag beliep en dat deze omzet niet door enige vennootschap van [b.v. 1] is aangegeven. Dit volgt uit het eindproces-verbaal van de FIOD. 5.14. Zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank aannemelijk dat de [bedrijf] omzet buiten de boeken heeft gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende aanwijzingen dat de betreffende gelden aan belanghebbende ten goede zijn gekomen. Die geldbedragen zijn immers niet afgestort op bankrekeningen van [bedrijf] , noch op andere wijze in de administratie van [bedrijf] verantwoord. Verder volgt uit diverse getuigenverklaringen, (met name de verklaringen van [persoon 4] en [persoon 5] ) en de strafrechtelijke uitspraak dat belanghebbende of één van zijn zoons enveloppen met de contante zwarte omzet ophaalden bij de vakantieparken of dat de contante zwarte omzet door medewerkers van de vakantieparken op het hoofdkantoor werd afgegeven alwaar de enveloppen ook aan belanghebbende werden overhandigd. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [b.v. 1] als houdstermaatschappij van [bedrijf] contante bedragen aan haar directeur/enig aandeelhouder ten goede heeft doen komen zodat sprake is van een bevoordeling van die directeur/enig aandeelhouder ten laste van [b.v. 1] . Dientengevolge is sprake van een vermogensverschuiving en is aan het objectieve vereiste voldaan. 5.15. De rechtbank acht voorts aannemelijk dat belanghebbende zich van de voornoemde vermogensverschuiving bewust is geweest. Belanghebbende is directeur/enig aandeelhouder van [b.v. 1] . Belanghebbende kan daarom voor wat betreft de wetenschap van de bevoordeling met [b.v. 1] worden vereenzelvigd. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende een werkwijze heeft geïnitieerd en gebruikt waarbij de binnen [bedrijf] ontvangen rangeropbrengsten niet in de administratie werden verantwoord en rechtstreeks naar hem zijn gevloeid. Belanghebbende moet zich met het initiëren en het gebruik van een dergelijke werkwijze redelijkerwijs bewust zijn geweest dat daardoor een vermogensverschuiving ontstond. 5.16. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is geweest van winstuitdelingen vanuit [b.v. 1] aan belanghebbende die niet in de aangifte zijn vermeld. Het gaat om aanzienlijke bedragen en de rechtbank acht daarom aannemelijk dat hierdoor de volgens de aangifte verschuldigde IB absoluut en relatief aanzienlijk lager was dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tot slot acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende te kwader trouw was ter zake van (en zich dus bewust was van) deze gang van zaken. [bedrijf] – waarin belanghebbende een dubbelrol als directeur/enig eigenaar van [b.v. 1] vervulde – heeft, zoals hiervoor overwogen, het reserveringssysteem gemanipuleerd en heeft dit gedaan om geen belasting over een groot deel van haar omzet te betalen en deze omzet aan haar directeur/enig aandeelhouder ten goede te laten komen. Belanghebbende heeft op zijn beurt deze omzet niet als winstuitdeling in zijn aangifte verantwoord, terwijl het algemeen bekend is dat genoten inkomsten aangegeven moeten worden. 5.17. Het vorenstaande leidt tot het oordeel van de rechtbank dat belanghebbende voor het jaar 2018 niet de vereiste aangifte heeft gedaan, wat tot gevolg heeft dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Redelijke schatting 5.18. Omdat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke – niet willekeurige – schatting door de inspecteur en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. 5.19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur, met de uitleg in het verweerschrift en de informatie uit het eindproces-verbaal van de FIOD, een redelijke schatting gemaakt van de winstuitdelingen. Die winstuitdelingen zijn gebaseerd op de door [bedrijf] niet aangegeven omzet (de zwarte omzet). Hij heeft dus voldaan aan de adstructie- en stelplicht. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. De bijtelling van de contante omzet die is behaald met de verhuur aan Rangers en die niet door belanghebbende is aangegeven is geschat aan de hand van het eindproces-verbaal van de FIOD. Daarbij heeft de inspecteur een minimumpositie ingenomen, zowel voor wat betreft het aantal Rangers als voor wat betreft de van hen ontvangen huurbedragen. De inspecteur heeft in zijn schatting ook overige omzet begrepen, te weten omzet behaald met de verkoop van caravans, met bingo-evenementen, met verlening van toegang tot zwembaden en met het toegang bieden tot de vakantieparken aan daggasten. Deze omzet is volgens de inspecteur ook niet in de administratie van [bedrijf] opgenomen en aan belanghebbende toegekomen. Deze omzet is geschat aan de hand van het eindproces-verbaal van de FIOD. De rechtbank acht deze schatting niet onredelijk. 5.20. Aan de redelijkheid van de schatting doet niet af dat de inspecteur bij zijn schatting gegevens heeft geëxtrapoleerd en dat hij op punten geen rekening heeft gehouden met kosten bij [bedrijf] en met de ook opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonheffingen aan [bedrijf]. Zoals hiervoor overwogen, heeft de inspecteur minimumposities ingenomen bij het schatten van de verzwegen omzet. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet onredelijk dat de inspecteur geen rekening heeft gehouden met aftrek in verband met de daarmee verschuldigde omzetbelasting en loonheffingen, omdat telkens op balansdatum niet een redelijke mate van zekerheid bestond dat daarvoor naheffingsaanslagen zouden worden opgelegd. Immers was het handelen van [bedrijf] gericht op het verhullen van omzetten. Bij het ontbreken van die redelijke mate van zekerheid bestaat nog geen recht op aftrek en bestaat evenmin recht op het vormen van een voorziening voor die naheffingsaanslagen. 5.21. Aan het vorenstaande doet ook niet af dat het Openbaar Ministerie in de strafzaken is uitgegaan van een veel lagere verzwegen omzet. De belastingkamer van de rechtbank moet de zaken zelfstandig beoordelen en hanteert daarbij een ander beoordelings- en bewijskader dan de strafrechter. 5.22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de schatting van de verzwegen omzet voor 2018 redelijk. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2018 niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De aanslag IB/PVV 2018 blijft daarom in stand. Omdat de aanslag IB/PVV 2018 in stand blijft en tegen de bijbehorende belastingrentebeschikking geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd, blijft ook de belastingrentebeschikking bij de aanslag IB/PVV 2018 in stand. Conserverende aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 6. Voor het geval komt vast te staan dat belanghebbende in 2017 of 2018 moet worden aangemerkt als buitenlands belastingplichtige heeft de inspecteur voor die jaren conserverende aanslagen aan belanghebbende opgelegd (zie 1.2). Primair is de inspecteur echter van mening dat deze aanslagen vernietigd moeten worden, omdat belanghebbende in de jaren 2017 en 2018 is aan te merken als binnenlands belastingplichtige. 6.1. De rechtbank heeft eerder voor het jaar 2017 geoordeeld (zie 3.8) en hiervoor voor het jaar 2018 geoordeeld (zie 5.8) dat belanghebbende op basis van artikel 4 van de AWR en voor toepassingseinden van het Verdrag kan worden aangemerkt als inwoner van Nederland. Dat betekent dat er in die jaren geen inkomen is waarvoor een conserverende aanslag IB/PVV kan worden opgelegd. Bijgevolg kan er ook geen revisierente aan belanghebbende in rekening worden gebracht. De rechtbank zal de conserverende aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 en de bijbehorende revisierentebeschikkingen daarom vernietigen. Immateriëleschadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn 7. Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade in verband met de duur van de bezwaar- en de beroepsprocedures. 7.1. Mede gelet op de beroepsgronden, hebben de zaken van belanghebbende (zaaknummers 25/567, 25/568 en 25/569) in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp. Nu de zaken bovendien in de beroepsfase (nagenoeg) gezamenlijk zijn behandeld, bestaat voor de zaken gezamenlijk recht op een vergoeding van eenmaal € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. De omstandigheid dat in de bezwaarfase de behandeling niet gelijktijdig is geweest doet daar niet aan af. 7.2. Op grond van vaste jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is begonnen, uitspraak doet. De termijn begint in beginsel op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet. Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen. 7.3. De inspecteur heeft het oudste bezwaarschrift op 29 juni 2021 ontvangen. De uitspraak van de rechtbank wordt gedaan op 25 februari 2026, en dus afgerond 56 maanden na de indiening van het bezwaarschrift. Daarmee heeft de behandeling tot aan de uitspraak van de rechtbank 32 maanden langer geduurd dan de 24 maanden die, in beginsel, als een redelijke termijn kunnen worden beschouwd voor behandeling in bezwaar en beroep. Dit leidt tot toekenning van een immateriëleschadevergoeding van € 3.000. Deze komt volledig voor de rekening van de inspecteur. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de laatste uitspraak op bezwaar is gedaan op 20 december 2024. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep met zaaknummer 25/569 is ongegrond. Dit betekent dat de aanslag IB/PVV en de bijbehorende belastingrentebeschikking, zoals deze luiden na uitspraak op bezwaar, in stand blijven. 8.1. De beroepen met zaaknummers 25/567 en 25/567 zijn gegrond. Dit betekent dat de conserverende aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 en de bijbehorende revisierentebeschikkingen moeten worden vernietigd. 8.2. Verder heeft belanghebbende recht op een immateriëleschadevergoeding van in totaal € 3.000 vanwege de lange duur van de procedure. 8.3. Omdat de beroepen met zaaknummers 25/567 en 25/568 gegrond zijn, moet de inspecteur het door belanghebbende in die zaken betaalde griffierecht aan hem vergoeden. Het totaal door de inspecteur te vergoeden griffierecht bedraagt € 106. Belanghebbende krijgt het griffierecht dat hij heeft betaald ter zake van het beroep met zaaknummer 25/569 niet vergoed omdat het beroep ongegrond is en het verzoek om immateriëleschadevergoeding is gedaan na het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024. 8.4. Verder heeft belanghebbende recht op een proceskostenvergoeding. Bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding gaat de rechtbank ervan uit dat de zaken van belanghebbende, waarvoor recht bestaat op een proceskostenvergoeding, samenhangen – in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit. Deze zaken zijn immers nagenoeg gelijktijdig door de inspecteur en door de rechtbank behandeld, waarbij de werkzaamheden van de gemachtigden in elk van deze zaken betrekking hadden op dezelfde materie en casuïstiek. De rechtbank stelt de vergoeding van de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de aanwezigheid bij de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666; 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de aanwezigheid ter zitting, met een waarde per punt van € 934; en een factor 1 voor samenhang en een wegingsfactor 1). Andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen zijn niet gesteld of gebleken. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep met zaaknummer 25/569 ongegrond; verklaart de beroepen met zaaknummers 25/567 en 25/568 gegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de conserverende aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 en de bijbehorende revisierentebeschikkingen; vernietigt de conserverende aanslag IB/PVV 2017 en de bijbehorende revisierentebeschikking; vernietigt de conserverende aanslag IB/PVV 2018 en de bijbehorende revisierentebeschikking; veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 3.000; veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 3.200; bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van in totaal € 106 aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, mr. V.A. Burgers en mr. J.A. den Braber-Riemens, leden, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 25 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzitter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 december 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8920. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2725. Rechtbank Oost-Brabant 15 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2214. Artikel 8:60, vierde lid, van de Awb. Belastingverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen van 5 juni 2001. Vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, r.o. 3.3.1 en 3.3.2. ECLI:NL:RBZWB:2025:2724. Vgl. Hoge Raad 26 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2555, r.o. 3.6. Vgl. Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:140, r.o. 3.3. Zie artikel 3.83, eerste lid, van de Wet IB en artikel 4.16, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Wet IB. Zie artikel 30i, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de AWR. Hoge Raad 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:154. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, rov. 7.1.1 en 7.1.2. Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/144085 · 2026-07-23
