# Rechtbank Den Haag, 17-07-2026 (NL26.37491)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:20222
- Date: 2026-07-17
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A20222
- Canonical: https://overview.legal/posts/144089
- Topics: Health Data, Healthcare, Personal Data, Consent

## Summary

Vreemdelingenbewaring, binnentreden, grondslag ophouding, effectieve rechtsbijstand, gronden maatregel, lichter middel, voortvarend handelen en zicht op uitzetting, ongegrond.

## Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.37491 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. D. Matadien), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.J. de Vries). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 6 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Was het binnentreden van de woning onrechtmatig? 3. Eiser voert aan dat het binnentreden van zijn woning, een kamer in het asielzoekerscentrum (AZC), onrechtmatig was, omdat de verbalisanten zich pas na het binnentreden hebben gelegitimeerd. Daarnaast is eiser onterecht aangemerkt als vuurwapengevaarlijk. In het dossier zit geen informatie waaruit dit zou blijken. 3.1. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de verbalisanten zich pas na het binnentreden hebben gelegitimeerd, het doel van hun komst bekend hebben gemaakt en de machtiging tot binnentreden hebben getoond. Het voorafgaand legitimeren en mededeling doen van het doel van het binnentreden, is vereist volgens artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden, maar het tweede lid van dit artikel biedt ruimte om, indien de naleving van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen naar redelijke verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van personen (of goederen), alsnog de woning binnen te treden. Uit het proces-verbaal van binnentreden woning ter inbewaringstelling uitzetting (HV02) blijkt dat sprake was van zo’n situatie. De verbalisanten hebben namelijk eerst aangeklopt, waarna eiser open heeft gedaan. Omdat eiser in de politiesystemen bekend stond als vuurwapengevaarlijk (en er eerder een vuurwapen bij eiser is aangetroffen), is eiser direct staandegehouden. Vervolgens hebben de verbalisanten zich gelegitimeerd, de machtiging getoond aan eiser en het doel van binnentreden aan hem kenbaar gemaakt. De binnentreding was dan ook niet onrechtmatig. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de ophouding plaatsgevonden op de juiste grondslag? 4. Eiser voert aan dat de ophouding heeft plaatsgevonden op basis van een onjuiste wettelijke grondslag. In de motivering van de gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag is gelegd, heeft de minister eiser tegengeworpen dat eisers nationaliteit en identiteit niet bekend zijn. Dit staat haaks op het feit dat eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw 2000, omdat zijn identiteit direct kon worden vastgesteld. 4.1. Uit het proces-vervaal van staandehouding en ophouding (M105) volgt dat, toen de verbalisanten eisers kamer in het AZC binnentraden, zij eiser herkenden aan de hand van een aan de verbalisanten verstrekte foto uit de info-set van de Dienst Terugkeer en Vertrek. Vervolgens heeft eiser desgevraagd zijn persoonsgegevens verstrekt. Om deze reden kon eisers identiteit onmiddellijk worden vastgesteld. Voor zover de minister in de maatregel van bewaring stelt dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet met documenten heeft onderbouwd, betekent dit dat de minister vooralsnog moet uitgaan van de gegevens die eiser zelf heeft opgegeven. Aan de hand van die gegevens kon zijn identiteit bij de ophouding worden vastgesteld. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat de ophouding heeft plaatsgevonden op basis van de juiste wettelijke grondslag. De beroepsgrond slaagt niet. Is sprake geweest van effectieve rechtsbijstand? 5. Eiser voert aan dat geen sprake is geweest van effectieve rechtsbijstand. Eiser is om 07.20 uur staandegehouden maar zijn gemachtigde heeft pas om 11:03 uur de piketmelding ontvangen vanwege een storing. Het gehoor (voorafgaande aan de inbewaringstelling) heeft daarom zonder zijn gemachtigde plaatsgevonden. 5.1. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat door het handelen van de minister aan eiser de mogelijkheid van tijdige rechtsbijstand is onthouden. Uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling (M110) volgt dat op 6 juli 2026 om 7:31 uur een piketmelding is verzonden naar de piketcentrale. De piketmelding is diezelfde dag om 11:04 uur geaccepteerd door de gemachtigde van eiser. Dat sprake was van een storing, waardoor de piketmelding pas om 11:03 zou zijn ontvangen, heeft de gemachtigde van eiser niet aannemelijk gemaakt. De minister heeft ter zitting gesteld dat op geen storing is geregistreerd. Verder geldt dat in paragraaf A5/6.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is opgenomen dat met het gehoor mag worden gestart zonder bijzijn van een advocaat indien er binnen twee uur na de verzending van het bericht over de voorgenomen inbewaringstelling nog geen advocaat aanwezig is. Die situatie deed zich in dit geval voor. Overigens volgt uit het proces-verbaal van gehoor dat eiser akkoord is gegaan met het starten van het gehoor zonder een advocaat. De beroepsgrond slaagt niet. Kunnen de gronden de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen? 6. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. 6.1. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 6.2. Eiser heeft gronden a, b, h, r en s betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister grond a terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister terecht stelt, is eiser Nederland ingereisd zonder geldig grensoverschrijdingsdocument. Daarnaast is uit Eurodac gebleken dat eiser op 28 augustus 2023 in Zwitserland, en op 2 april 2024 in Duitsland, een verzoek om internationale rechtsbescherming heeft ingediend, en vervolgens daar met onbekende bestemming is vertrokken. Ook is grond b feitelijk juist, omdat aan eiser op 5 juni 2026 een terugkeerbesluit is opgelegd, waarbij hem geen vertrektermijn is gegeven. Eisers betoog – dat dit terugkeerbesluit hem niet bekend was en deze grond hem niet kan worden tegengeworpen – leidt niet tot een ander oordeel. Op het terugkeerbesluit van 5 juni 2026 staat dat deze is verstuurd naar eisers gemachtigde in die procedure. Ook heeft het besluit ter inzage gelegen op het aanmeldcentrum in Budel. Gelet hierop is het terugkeerbesluit op juiste wijze aan eiser bekendgemaakt. 6.3. Gronden a en b zijn – samen met de onbetwiste gronden d en p – voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 te kunnen dragen. Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking. Had de minister moeten volstaan met een lichter middel? 7. Eiser voert aan dat had moeten worden volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Er is onvoldoende rekening gehouden met zijn medische omstandigheden. 7.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd dat niet met een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring kon worden volstaan. De minister verwijst daarbij terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Ten aanzien van eisers medische problematiek is de rechtbank van oordeel dat de minister deze heeft meegewogen. In de maatregel van bewaring is opgenomen dat aan eiser is medegedeeld dat hij te allen tijde een beroep kan doen op het medische team dat aanwezig is binnen het detentiecentrum. Ten aanzien van de medische zorgverlening binnen het detentiecentrum kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De minister heeft mogen betrekken dat eiser niet heeft aangegeven dat de zorg binnen het detentiecentrum ontoereikend is. Evenmin zijn voor een dergelijk oordeel concrete aanknopingspunten in het dossier aanwezig. Daarmee heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij in dit geval niet gehouden was om een lichter middel op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet. Ontbreekt het zicht op uitzetting en handelt de minister voldoende voortvarend? 8. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting naar Algerije en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. 8.1. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt. Er zijn door eiser geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die erop wijzen dat het zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. Daarnaast volgt uit het dossier dat de Algerijnse autoriteiten op 29 juni 2026 zijn verzocht om medewerking bij de vaststelling van eisers identiteit en nationaliteit. Ook heeft een vertrekgesprek plaatsgevonden op 8 juli 2026. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend. De beroepsgrond slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000. Zie ook ABRvS 2 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:439. ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829. ABRvS 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/144089 · 2026-07-23
