# Rechtbank Amsterdam, 07-07-2026 (13-039340-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:7453
- Date: 2026-07-07
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A7453
- Canonical: https://overview.legal/posts/144091
- Topics: Personal Data, Consent

## Summary

Executie-EAB Polen; einduitspraak na tussenuitspraak; artikel 6a OLW: strafovername; overlevering geweigerd.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-039340-26 Datum uitspraak: 7 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 10 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 13 februari 2024 door the District Court in Rzeszów , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, feitelijk verblijfadres: [verblijfadres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 14 april 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 14 april 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. N. Hannaart, advocaat te Almere en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. Tussenuitspraak van 28 april 2026 Bij tussenuitspraak van 28 april 2026 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten, de eerste voorwaarde voor de gelijkstelling en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een advies bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) op te vragen en, als de opgeëiste persoon volgens het IND-advies zijn recht op verblijf in Nederland niet verliest, ook een certificaat en het veroordelende vonnis bij de uitvaardigende justitiële autoriteit op te vragen. De rechtbank heeft verder de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 60 dagen verlengd, met gelijktijdige verlenging van de (geschorste) vrijheidsbeneming met dezelfde termijn. Zitting van 23 juni 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. N. Hannaart, en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 De tussenuitspraak Bij tussenuitspraak is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW, de dubbele strafbaarheid en artikel 11 OLW in combinatie met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Oordeel van de rechtbank In de tussenuitspraak is geoordeeld dat de opgeëiste persoon heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven en dat daarmee aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. Tweede voorwaarde De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 11 mei 2026 volgt dat de opgeëiste persoon door de strafrechtelijke feiten niet zijn verblijfsrecht verliest. Ook aan deze voorwaarde is voldaan. De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. Uit de in de tussenuitspraak onder punt 5 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt. De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie. Conform het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 in de zaak C.J. heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit toestemming gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland door het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd, toe te sturen. De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de overlevering kan worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en de straf door Nederland kan worden overgenomen. De rechtbank ziet geen reden om de straf niet over te nemen. Daarom wordt de overlevering geweigerd op grond van artikel 6a OLW, onder gelijktijdige overname van de straf door Nederland. 6 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 57, 266, 285 en 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a, 7 en 12 OLW. 7 Beslissing WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Rzeszów , Polen, voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB. BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3. van de tussenuitspraak van 28 april 2026 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland. HEFT OP de geschorste overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon]. BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. E. van den Brink en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2026:4190. Zie artikel 22, vierde en vijfde lid, OLW. Zie artikel 27, derde lid, OLW Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 ( C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB) ).

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/144091 · 2026-07-23
