# Rechtbank Amsterdam, 09-07-2026 (13/042842-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:7013
- Date: 2026-07-09
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A7013
- Canonical: https://overview.legal/posts/144094
- Topics: Public Authority, Personal Data, Supervision

## Summary

EAB Polen; uitspraak na eerdere tussenuitspraak; detentieomstandigheden; geen gevolg gegeven aan EAB.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-042842-26 Datum uitspraak: 9 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 11 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 december 2025 door the Regional Court in Szczecin , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1988 in [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in het [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 12 mei 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 12 mei 2026, in aanwezigheid van mr. J. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. S.J. Romer, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. Tussenuitspraak van 26 mei 2026 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst. De rechtbank heeft vastgesteld dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) bestaat vanwege de detentieomstandigheden in het Remand Centre in Szczecin . Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW is de beslissing over de overlevering aangehouden. De rechtbank zal, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, bij de volgende zitting nagaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn. De rechtbank heeft op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 60 dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen, onder gelijktijdige verlenging van de vrijheidsbeneming met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting 25 juni 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer en door een tolk in de Poolse taal. Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de overleveringsdetentie opgeheven met ingang van 26 juni 2026. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak 26 mei 2026 De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 26 mei 2026. Hierin heeft de rechtbank de grondslag van het EAB, de inhoud van het EAB, de weigeringsgrond van artikel 13 OLW, de weigeringsgrond van artikel 11 OLW voor wat betreft het algemeen reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces in Polen en de strafbaarheid van de feiten al beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. 4 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden De rechtbank verwijst eerst naar de overwegingen in de tussenuitspraak onder 6.2 over de detentieomstandigheden. Deze dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 3 juni 2026 onder meer de volgende aanvullende vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten, te weten: 1. Could you please explain how much time is spent on sports, educational and cultural activities. 2. If this information cannot be provided, could you please inform us about the weekly schedule concerning the non-religious activities? Bij brief van 16 juni 2026 van the National Public Prosecutor’s Office in Szczecin , waarin verwezen wordt naar een brief van 15 juni 2026 van the Department of the Enforcement of Judgements and Probation van het Ministerie van Justitie in Polen, is onder meer de volgende aanvullende informatie verstrekt: “In answer to the enquiry of the Dutch authorities for the provision of additional information regarding the conditions of the possible putting in prison of [de opgeëiste persoon] (…) the Ministry of Justice wants to point out that in the Detention Centre in Szczecin each educator of the prison's section is conducting cultural and educational activities of activities within the scope of physical education and sports. All the influences on the prisoners are voluntary and each one can participate in them. The activities are organized on the basis of a weekly plan of the cultural and educational activities or sports activities, their frequency depends on the number of the walking groups in a residential section and ranges from 4 to 7 hours in a week.(…) According to Art. 112 of the Executive Criminal Code the prisoners spend outside the cell minimally one hour, which results from the right to at least one hour’s walk. Among the remaining entitlements, the realization of which is connected with leaving the residential cell, are to be found among others: Visits of those near and dear and timely unlimited visits of the attorneys, Use of the telephone, bathroom, store room or canteen, Cultural and educational activities, common room activities and religious services. As can be seen from the above specification, only a walk constitutes an entitlement to which a prisoner is entitled every day. The remaining ones, such as cultural and educational activities, visits or the use of telephone calls, are realized a few times in a week. Taking the above into consideration one cannot guarantee an everyday activity, offered for the temporarily arrested persons, which exceeds 2 hours daily outside the residential cell.” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds de tussenuitspraak. Er wordt nog steeds slechts een garantie gegeven voor één uur verblijf buiten de cel per dag. Verdere activiteiten zijn niet dagelijks beschikbaar en afhankelijk van het schema binnen de detentie-instelling. Het individuele gevaar is daarmee niet weggenomen voor de opgeëiste persoon. Er moet daarom geen gevolg worden gegeven aan het EAB en de officier van justitie dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie blijkt dat er een wijziging is opgetreden in de omstandigheden. Gegarandeerd wordt dat hij een uur per dag kan wandelen en vier tot zeven uur aan andere activiteiten per week kan deelnemen, naast bezoek van familie of een advocaat. De opgeëiste persoon zal dus niet structureel 23 uur per dag op cel verblijven. Het individuele gevaar is daarom weggenomen voor de opgeëiste persoon. De officier van justitie heeft daarbij erop gewezen op dat uit een eerdere uitspraak van de rechtbank blijkt dat er niet langer een garantie nodig is dat iemand gemiddeld 2 uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak geoordeeld dat de verstrekte informatie onvoldoende was om het algemene reële gevaar van schending van de grondrechten door de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Szczecin voor de opgeëiste persoon weg te nemen en zij heeft daarom een individueel vastgesteld, indien de opgeëiste persoon zou worden overgeleverd. Daarbij is van belang dat als niet expliciet kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon twee uur per dag buiten de cel kan verblijven, concrete informatie dient te worden verstrekt over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Daarvoor heeft de rechtbank concrete informatie nodig over de frequentie en duur van de aangeboden activiteiten en of de mogelijkheid tot deelname of toegang al dan niet afhankelijk is van bijzondere voorwaarden of andere procedurele regels van de detentie-instelling en, zo ja, van welke voorwaarden of procedurele regels deze deelname afhankelijk is. Als de rechtbank op basis van de concrete informatie kan vaststellen dat de opgeëiste persoon gemiddeld genomen zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven, dan is het algemene gevaar weggenomen. De rechtbank is van oordeel dat ook met de aanvullende informatie van 16 juni 2026 niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden en als hij deelneemt aan alle geboden activiteiten hij gemiddeld genomen zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. De aanvullende informatie van 16 juni 2026 is op dit punt namelijk nagenoeg gelijkluidend aan de informatie die de rechtbank in haar tussenuitspraak heeft beoordeeld. Anders dan door de officier van justitie betoogd, neemt die informatie dus het algemene reële gevaar dat gedetineerden structureel 23 uur per dag op hun cel verblijven niet weg. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van wijziging van de omstandigheden waarmee het reeds vastgestelde reële individuele gevaar, zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW, voor de opgeëiste persoon alsnog is weggenomen. De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW. De rechtbank zal op grond van artikel 11, vierde lid, in verbinding met artikel 28, derde lid OLW, de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee wordt de overleveringsprocedure beëindigd. 5 Slotsom De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB. 6 Toepasselijke wetsartikelen Artikel 11 OLW. 7 Beslissing GEEFT geen gevolg aan het EAB. VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter, mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter, mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2026:5181. ECLI:RBAMS:2026:733. ECLI:RBAMS:2026:3301.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/144094 · 2026-07-23
