# Rechtbank Amsterdam, 23-04-2026 (C/13/786117 / KG ZA 26-280 LV/EV)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:7356
- Date: 2026-04-23
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A7356
- Canonical: https://overview.legal/posts/144103
- Topics: Retention Period, Minors, Storage Limitation, Personal Data, Supervision

## Summary

Kort Geding. Vordering tot het verwijderen van BKR-registratie afgewezen. Er kan niet gesproken worden van een financieel stabiele situatie.

## Full text

RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/786117 / KG ZA 26-280 LV/EV Vonnis in kort geding van 23 april 2026 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats], eisende partij bij dagvaarding van 13 april 2026, hierna te noemen: [eiser], advocaat: mr. R.H.U. Keizer, tegen ING BANK N.V. , te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: ING, advocaat: mr. D.J. Posthuma. 1 De procedure Op de mondelinge behandeling van 17 april 2026 is [eiser] verschenen met mr. Keizer. Namens ING is verschenen [naam] ([functie]) met mr. Posthuma. [eiser] heeft de vordering zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. ING heeft verweer gevoerd, mede aan de hand van een vooraf ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties ingediend.Vonnis is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [eiser] woont samen met haar partner en drie kinderen in een huurwoning van 88 m2. De middelste dochter en partner van [eiser] zijn gediagnostiseerd met een autismespectrumstoornis. 2.2. [eiser] had bij ING een betaalrekening met creditcard, met een debetstand van ongeveer € 6.500,00 in de periode van 2018 tot en met 2019. Van die schuld resteerde in 2023 ongeveer € 300,00. In 2024 heeft Vesting Finance, de incassogemachtigde van ING, meerdere betalingsregelingen met [eiser] getroffen die door haar niet (volledig) zijn nagekomen. Op 27 februari 2025 heeft zij het restant van € 250,00 afgelost. 2.3. De schuld van [eiser] is bij het BKR met (negatieve) bijzonderheidscode geregistreerd. Op de aflossingsdatum van 27 februari 2025 kreeg zij een einddatum in het CKI (Centraal Krediet Informatiesysteem), waarbij een bewaartermijn van vijf jaar wordt gehanteerd. 2.4. Op 5 maart 2026 heeft [eiser] een afwijzing van een hypotheekbank ontvangen nadat zij informeerde naar de mogelijkheid tot het verkrijgen van een hypotheek met een BKR-registratie. 2.5. Op 6 maart 2026 verzocht [eiser] via Vesting Finance bij ING verwijdering van de BKR-registratie. Het verzoek werd op 7 april 2026 door Vesting Finance afgewezen. 2.6. Op 17 maart 2026 heeft [eiser], samen met haar partner, een koopovereenkomst voor een nieuwe woning gesloten. De koopovereenkomst bevat een financieringsvoorbehoud, dat (na uitstel) tot 5 mei 2026 als ontbindende voorwaarde kan worden ingeroepen. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert samengevat: ING te veroordelen om alle door haar in het CKI van Stichting BKR ingeschreven en zichtbare coderingen en meldingen uiterlijk op 20 april 2026 te (laten) verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 44.150,00 indien niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan en ING in de proceskosten te veroordelen. 3.2. [eiser] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. De achterstanden die in het verleden op haar rekening zijn ontstaan zijn het gevolg van haar persoonlijke omstandigheden, waaronder haar psychische toestand (gediagnostiseerde PTSS), haar relatiebreuk en de opvoeding van jonge kinderen. [eiser] is daardoor het overzicht over haar financiën verloren. Zij heeft in 2024 echter een intensief behandeltraject doorlopen en heeft orde op zaken kunnen stellen. Zij heeft in die periode veel schulden afbetaald en haar restschuld aan ING, van toen nog € 250,00, heeft zij begin 2025 afbetaald. De achterstand die tot de BKR-registratie heeft geleid was dus ook zeer laag. Daarbij is haar inkomen uit haar vaste baan in de zorg al jaren stabiel. De huidige woning van [eiser] biedt vooral haar middelste dochter onvoldoende rust. Vanwege haar autisme moet zij zich kunnen terugtrekken, maar zij deelt een slaapkamer met haar jongere zusje. De partner van [eiser] moet vanwege zijn wisseldiensten geregeld overdag slapen, hetgeen zorgt voor nog meer krapte in de woning. In dat verband is het voor [eiser] van belang om groter te gaan wonen. Zij heeft een hypotheekverstrekker gevraagd of zij een hypotheek kan krijgen met haar BKR-registratie, maar ontving daarop een afwijzing. [eiser] heeft de koopovereenkomst voor de nieuwe woning inmiddels ondertekend, maar dan moet aan haar wel een hypotheek worden verstrekt, hetgeen vrijwel onmogelijk is met de negatieve BKR-registratie. 3.3. ING voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Op grond van artikel 4:32 Wet financieel toezicht (Wft) zijn kredietaanbieders, zoals ING, verplicht om deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie, dat wordt uitgevoerd door het BKR. Het doel van de kredietregistratie is tweeledig: enerzijds het beschermen van consumenten tegen overkreditering, anderzijds het beschermen van aanbieders van leningen tegen kredietnemers van wie is gebleken dat zij hun lening niet (kunnen) aflossen. In het kader van het deelnemen aan dat stelsel van kredietregistratie verwerken de kredietaanbieders persoonsgegevens. 4.2. Aan [eiser], van wie de persoonsgegevens zijn geregistreerd bij het BKR, komt het recht toe tot verwijdering van haar gegevens te vorderen als bedoeld in artikel 17 Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en het recht van bezwaar als bedoeld in artikel 21 AVG. ING heeft het verzoek van [eiser] afgewezen. 4.3. De door [eiser] gesloten koopovereenkomst bevat een financieringsvoorbehoud, dat na uitstel uiterlijk tot en met 5 mei 2026 kan worden ingeroepen. Daarmee heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat een bij de rechtbank in te dienen verzoekschriftprocedure tegen de afwijzende reactie van ING niet kan worden afgewacht. Zij heeft dan ook een voldoende spoedeisend belang bij haar vordering, waarin moet worden bezien of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter een dergelijk verzoek tot verwijdering van de registratie zou toewijzen. Dat zij dit spoedeisend belang zelf heeft “gecreëerd” door een koopovereenkomst te tekenen terwijl zij wist van het bestaan van de BKR-registratie, doet hier niet aan af. 4.4. Het gaat hier om de vraag of ING aannemelijk heeft gemaakt dat haar dwingende gerechtvaardigde belangen (het tweeledig doel van de kredietregistratie) in dit geval zwaarder wegen dan de belangen van [eiser]. Deze belangenafweging moet worden gemaakt aan de hand van de nu bekende feiten en omstandigheden, dus ook die van na de registratie. 4.5. Geoordeeld wordt dat het belang van ING bij handhaving van de BKR-registratie zwaarder weegt dan het belang van [eiser] bij het verwijderen daarvan. Dit betekent dat haar vordering om ING te veroordelen de BKR-registratie te verwijderen wordt afgewezen. Dit wordt als volgt toegelicht. 4.6. Na het ontstaan van het tekort op de rekening van [eiser] heeft ING, na meerdere sommaties, een betalingsregeling met haar getroffen, die niet is nagekomen. ING heeft het dossier vervolgens overgedragen aan Vesting Finance, die in 2022 en 2023 een tal van regelingen heeft getroffen die wederom niet werden nagekomen. Op 27 februari 2025 voldeed zij de vordering en per die datum kreeg zij een einddatum in het CKI van de BKR-registratie en ving de vijfjaarstermijn van artikel 14 Algemeen Reglement BKR aan. Voor (vroegtijdige) verwijdering van de registratie is een financieel stabiele situatie vereist. Daarvan is op dit moment onvoldoende sprake. [eiser] heeft de schuld een jaar geleden afgelost, wat relatief recent is. Over de periode daarvoor heeft zij zelf aangegeven dat zij haar financiën niet onder controle had. In hoeverre dat nu wel het geval is valt slecht te beoordelen. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat [eiser] in februari 2026 nog een drietal andere schulden heeft afgelost aan gerechtsdeurwaarders. Uit het financieringsopzet dat in februari 2026 door de hypotheekadviseur is opgemaakt blijkt dat [eiser] ten behoeve van de financiering van de woning een bedrag van € 17.577,50 aan eigen vermogen moet inbrengen. [eiser] heeft enig spaargeld (+/- € 3.500) en heeft tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding verklaard dat de rest van het bedrag moet komen uit een optelsom van onder meer nog te ontvangen vakantiegeld, belastingteruggave, geld dat zal overblijven van toekomstig salaris en (mogelijk) een beroep op vroegtijdige uitbetaling van de eindejaarsuitkering. In hoeverre dit haalbaar is, is onduidelijk. Duidelijk is wel dat [eiser] financieel gezien in ieder geval scherp aan de wind vaart. Onder deze omstandigheden kan niet gesproken worden van dusdanige financiële stabiliteit dat ING de BKR-registratie kan doorhalen. 4.7. Hoewel [eiser] en haar partner beiden een vast inkomen hebben, betekent dat nog niet dat in het kader van de belangenafweging die hier aan de orde is, kan worden gesproken van een langdurige stabiele financiële situatie. Ondanks het feit dat [eiser] naar eigen zeggen voldoende inkomsten had, is het kennelijk niet gelukt haar schuld bij ING eerder te voldoen. Het is aannemelijk dat de psychisch kwetsbare positie waar zij in ieder geval tot 2025 in verkeerde daarbij een rol speelde. Het is fijn dat het inmiddels beter met haar gaat en het lijkt erop dat zij haar financiële situatie steeds beter onder controle krijgt. Van een financieel stabiele situatie is echter nog onvoldoende gebleken. De wens van [eiser] om te verhuizen naar een grotere woning is invoelbaar en begrijpelijk en het belang om voor haar dochter een geschikte plek te creëren weegt zwaar, maar dit belang legt onvoldoende gewicht in de schaal om de BKR-registratie nu al te verwijderen. 4.8. Gezien het voorgaande zal het verzoek van [eiser] worden afgewezen. 4.9. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. weigert de gevraagde voorzieningen, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.P.M. Vos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026. Type: EV Coll: EvK

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/144103 · 2026-07-23
