# Rechtbank Gelderland, 13-07-2026 (AWB-25_1680)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Gelderland
- Identifier: ECLI:NL:RBGEL:2026:5896
- Date: 2026-07-13
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBGEL%3A2026%3A5896
- Canonical: https://overview.legal/posts/144108

## Summary

De afwijzing van eisers verzoek om de namen van de door (senior) gedragsdeskundige(n) en/of jurist(en) gegeven feedback op Pro Justitia rapporten is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er is geen duidelijk aanwijsbare wettelijke bepaling op grond waarvan de staatssecretaris deze informatie wel of niet mag verstrekken.

## Full text

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/1680 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (tot 23 februari 2026: de minister en vervolgens de staatssecretaris voor Rechtsbescherming), de staatssecretaris (gemachtigde: mr. S. Sadradein). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om verstrekking van de namen van de door (senior) gedragsdeskundige(n) en/of jurist(en) gegeven feedback op Pro Justitia rapporten. 1.1. De staatssecretaris heeft dit verzoek met het besluit van 30 mei 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van het verzoek gebleven. 1.2. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de staatssecretaris van 4 maart 2025 op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris deelgenomen. 1.3. Na afloop van zitting heeft de rechtbank na onderbreking voor raadkameroverleg mondeling uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 4 maart 2025; verklaart het bezwaar dat eiser heeft gemaakt niet-ontvankelijk; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde bestreden besluit; veroordeelt de staatssecretaris tot het betalen van € 500 aan immateriële schadevergoeding aan eiser; bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 194 aan eiser moet vergoeden. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de afwijzing van eisers verzoek op 30 mei 2023 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarvoor heeft de rechtbank de volgende motivering. 2.1. Een besluit is “een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.” Een rechtshandeling is “publiekrechtelijk” als de staatssecretaris een bevoegdheid uitoefent die hij heeft op grond van een duidelijk aanwijsbare wettelijke bepaling. Een bekend voorbeeld daarvan is het verstrekken of weigeren van een verklaring omtrent het gedrag (Vog). De bevoegdheid om dat te doen is in een specifieke wettelijke bepaling geregeld. 2.2. Eiser vraagt om namen van personen die werken onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris. Er is geen duidelijk aanwijsbare wettelijke bepaling op grond waarvan de staatssecretaris deze informatie wel of niet mag verstrekken. Een dergelijke bepaling staat niet in de AVG, de Wet politiegegevens, de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of enige andere bestuursrechtelijke wet. De bevoegdheid om een naam van een medewerker wel of niet aan eiser door te geven, ontleent de staatssecretaris dus niet aan een duidelijk aanwijsbare wettelijke bepaling. Dit is dus geen publiekrechtelijke rechtshandeling en daarmee dus geen besluit. 2.3. Eiser heeft op de zitting gezegd dat hij erop mocht vertrouwen dat het om een besluit ging. De staatssecretaris heeft (op 30 mei 2023 en 4 maart 2025) twee keer inhoudelijk over zijn verzoek beslist en is er daarbij telkens van uitgegaan dat sprake is van een besluit. Pas in de beroepsfase heeft de staatssecretaris in zijn verweerschrift gezegd dat geen sprake is van een besluit; een standpunt dat hij op de zitting weer heeft losgelaten. Eiser vindt dat hij erop mocht vertrouwen dat sprake is van een besluit. Dit leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De wet schrijft voor wat een besluit is. Met een beroep op algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het vertrouwensbeginsel) kan dat niet worden uitgebreid. Anders gezegd: er kunnen via die weg geen zaken als een besluit worden gezien die dat volgens de wet niet zijn. De gang van zaken is op dit punt door de staatssecretaris wel uiterst rommelig behandeld, zoals de rechtbank ook op de zitting heeft gezegd. Maar ook dat maakt dus niet dat de beslissing op het verzoek van eiser alsnog als een besluit kan worden gezien. 3. Omdat de afwijzing van 30 mei 2023 geen besluit is, stond daar geen bezwaar bij de staatssecretaris tegen open. De staatssecretaris had daarom het bezwaar van eiser tegen die afwijzing niet-ontvankelijk moeten verklaren. Dat heeft de staatssecretaris ten onrechte niet gedaan. De rechtbank zal dat alsnog doen door het besluit van 4 maart 2025 te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te verklaren. 4. Eiser vindt de afwijzing van zijn verzoek nog steeds inhoudelijk onjuist. Daarover kan hij dus niet bij de bestuursrechter procederen. Eiser zal hiervoor naar de burgerlijke rechter moeten stappen. 5. Omdat het beroep van eiser gegrond is, moet de staatssecretaris het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. 6. Eiser heeft verzocht om een immateriële schadevergoeding van € 500 vanwege overschrijding van de redelijke termijn, te betalen door de staatssecretaris. De rechtbank wijst dat verzoek toe. De behandeling heeft – vanaf de indiening van het bezwaar – drie jaar en twee maanden geduurd. De redelijke termijn is daardoor met een jaar en twee maanden overschreden. Omdat niet is gebleken dat eisers financieel belang bij deze zaak € 1.000 of meer betreft, wordt voor het eerste jaar volstaan met de constatering dat de termijn is geschonden. Daarna wordt gehandeld naar bevind van zaken. Gelet op de zeer lange duur van de bezwaarprocedure is de rechtbank het met eiser eens dat de door hem gevraagde schadevergoeding door de staatssecretaris moet worden betaald. De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026 door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M.J.C. Rooding, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Dat volgt uit de artikelen 8:1 en 7:1 van de Awb. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, overweging 3.4.4., Centrale Raad van Beroep 11 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2383, overweging 6.1., en Centrale Raad van Beroep 25 februari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:240, overweging 4.8.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/144108 · 2026-07-23
