# Rechtbank Rotterdam, 29-06-2026 (C/10/715204 HA RK 26-142)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Rotterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBROT:2026:8132
- Date: 2026-06-29
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBROT%3A2026%3A8132
- Canonical: https://overview.legal/posts/144114
- Topics: Right of Access Procedures, Right of Access, Employees

## Summary

Beschikking. Verzoek om een voorlopig getuigenverhoor en inzage in bescheiden (art. 196 Rv). Gedeeltelijke toewijzing.

## Full text

RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer / rekestnummer: C/10/715204 / HA RK 26-142 Beschikking van 29 juni 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BFA 360 B.V. , gevestigd in Poortugaal, verzoekster, hierna te noemen: BFA, advocaat: mr. C.C. Zillinger Molenaar, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BURGER FERRY B.V. , gevestigd in Poortugaal, verweerster, hierna te noemen: Burger Ferry, advocaat: mr. M. Hartkoorn. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift van 17 februari 2026, met producties 1 tot en met 30; - het verweerschrift, met producties 1 tot en met 4; - de aanvullende productie 31 aan de zijde van BFA, ingekomen ter griffie op 23 februari 2026, - de mondelinge behandeling van 1 juni 2026 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mr. Zillinger Molenaar. 2 De feiten 2.1. BFA is een logistieke dienstverlener die gespecialiseerd is in het organiseren en coördineren van ferrytransport voor klanten in de transport- en logistieke sector. BFA treedt daarbij op als intermediair tussen vervoerders en ferry-operators en verzorgt onder andere de boeking, operationele afhandeling en de commerciële coördinatie van ferryovertochten binnen Europa. 2.2. Het ferrytransport is een nichemarkt met een beperkt aantal marktpartijen. 2.3. BFA is sinds 2019 onderdeel van de 360PAY-groep (hierna: 360PAY), een Italiaanse aanbieder van mobiliteitsdiensten voor vrachtvervoerders. 2.4. In 2019 heeft 360PAY de ferryactiviteiten overgenomen van Koninklijke Burger Groep B.V., mede handelend onder de naam Royal Burger Group (hierna: Burger Groep). Burger Groep is een internationaal opererende logistieke dienstverlener en expediteur die verschillende diensten verleent, waaronder zee-, lucht- en wegtransport en warehousing. 2.5. Na de overname heeft 360PAY de activiteiten voortgezet onder de naam ‘Burger Ferry Agencies’. In de koopovereenkomst staat onder andere dat Burger Groep gedurende drie jaar niet mag concurreren in de ferrymarkt met 360PAY en dat 360PAY gedurende vijf jaar gerechtigd is om de naam ‘Burger’ en ‘Burger Ferry Agencies’ te blijven gebruiken. 2.6. Na de verkoop heeft Burger Groep zich volledig teruggetrokken uit de Nederlandse ferrymarkt. 2.7. [persoon A] (hierna: [persoon A] ) is op 1 juni 2023 als gevolg van zijn pensionering uit dienst getreden bij BFA. Op 1 februari 2010 heeft [persoon A] een addendum getekend bij zijn arbeidsovereenkomst, waarin onder andere een concurrentie- en relatiebeding met een looptijd van twee jaar is opgenomen. De looptijd is verstreken op 1 juni 2025. 2.8. Op 28 mei 2025 heeft [persoon B] (hierna: [persoon B] ) haar arbeidsovereenkomst opgezegd bij BFA tegen 30 juni 2025. 2.9. De volgende medewerkers van BFA hebben hun arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 31 mei 2025: [persoon C] (hierna: [persoon C] ) op 24 april 2025, laatstelijk werkzaam geweest als [functie 1] ; [persoon D] (hierna: [persoon D] ) op 26 april 2025, laatstelijk werkzaam geweest als [functie 2] ; [persoon E] (hierna: [persoon E] ) op 28 april 2025, laatstelijk werkzaam geweest als [functie 3] ; [persoon F] (hierna: [persoon F] ) op 29 april 2025, laatstelijk werkzaam als [functie 4] ; [persoon G] (hierna: [persoon G] ) op 29 april 2025, laatstelijk werkzaam geweest als [functie 2] ; [persoon H] (hierna: [persoon H] ) op 29 april 2025, laatstelijk werkzaam geweest als [functie 2] ; [persoon I] (hierna: [persoon I] ) op 29 april 2025, laatstelijk werkzaam geweest als [functie 2] . 2.10. [persoon G] , [persoon H] en [persoon I] zijn op grond van hun arbeidsovereenkomst met BFA gehouden aan een concurrentie- en relatiebeding, op grond waarvan zij geen concurrerende werkzaamheden mogen verrichten en geen zakelijke contacten mogen onderhouden met relaties van BFA. In verband met de looptijd van twaalf maanden gelden deze bedingen tot 1 juni 2026 ten aanzien van deze medewerkers. 2.11. [persoon C] , [persoon D] , [persoon E] en [persoon F] zijn in verband met hun oude arbeidsrelatie met BFA gebonden aan een geheimhoudingsbeding. 2.12. In een mail van 26 mei 2025 heeft Burger Groep aangekondigd aan (onder andere) relaties van BFA dat zij terugkeert in het ferrytransport met een nieuwe onderneming, te weten Burger Ferry, oftewel verweerster in deze zaak. 2.13. In een mail van Burger Groep van 2 juni 2025 zijn [persoon C] , [persoon D] , [persoon F] , [persoon G] , [persoon H] , [persoon I] en [persoon A] geïntroduceerd als nieuwe medewerkers van Burger Ferry. 2.14. In een kortgdingprocedure tussen BFA als eiser en [persoon H] , [persoon G] , [persoon I] en Burger Ferry als gedaagden, heeft de kantonrechter in zijn vonnis van 23 oktober 2025 – voor zover relevant – uitvoerbaar bij voorraad beslist dat: [persoon H] , [persoon G] en [persoon I] hun concurrentiebeding moeten nakomen en tot 1 januari 2026 geen andere arbeidsverhouding mogen aangaan met of werkzaamheden mogen verrichten voor Burger Ferry die in strijd zijn met het concurrentiebeding; [persoon H] , [persoon G] en [persoon I] hun concurrentiebeding hebben geschonden en daardoor een boete moeten betalen aan BFA; Burger Ferry binnen 24 uur na betekening van het vonnis geen (direct of indirect) gebruik mag maken van de diensten en/of werkzaamheden van de voornoemde werknemers; het concurrentiebeding tussen BFA en de voornoemde werknemers wordt geschorst vanaf 1 januari 2026. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. BFA heeft de rechtbank – samengevat – verzocht om voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: i) een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, waarvoor zij de tien door haar aangedragen getuigen wil horen, ii) te bevelen dat Burger Ferry inzage in bepaalde gegevens moet verstrekken aan BFA, op straffe van een dwangsom, iii) Burger Ferry te veroordelen in de proceskosten. 3.2. Tijdens het voorlopig getuigenverhoor wil BFA de getuigen in het bijzonder horen over de volgende onderwerpen: De aard, inhoud en timing van de werkzaamheden die voormalige werknemers van BFA, al dan niet ten behoeve van of in afstemming met Burger Ferry, dan wel de Burger Groep, hebben verricht voorafgaand aan en na hun indiensttreding bij Burger Ferry; het initiatief, de timing en de aard van de contacten tussen deze voormalige werknemers en Burger Ferry voorafgaand aan de beëindiging van hun dienstverband bij BFA, waaronder de vraag door wie en wanneer deze contacten zijn geïnitieerd; de betrokkenheid van de voormalige werknemers bij (voorbereidende) concurrerende activiteiten die (mede) ten behoeve van Burger Ferry zijn verricht, waaronder overleg, afstemming en bijeenkomsten met vertegenwoordigers van (entiteiten binnen) de Burger Groep; het gebruik, de overdracht en/of het delen binnen Burger Ferry of met aan haar gelieerde entiteiten van vertrouwelijke bedrijfsinformatie, klantgegevens en knowhow afkomstig van BFA; het gebruik door Burger Ferry van tarieven, prijsafspraken, volumes en andere commerciële gegevens afkomstig van BFA, waaronder de vraag in hoeverre deze gegevens zijn gebruikt bij het benaderen van klanten van BFA; de aard, omvang en timing van de benadering van relaties van BFA door of namens Burger Ferry; de rol en betrokkenheid van [persoon A] bij de hiervoor genoemde activiteiten, waaronder zijn contacten met Burger Ferry en andere entiteiten binnen de Burger Groep na zijn pensionering, voor zover relevant voor de activiteiten van Burger Ferry; de verwijdering, beschikbaarheid en eventuele veiligstelling van digitale bestanden en gegevens van BFA in de periode voorafgaand aan 1 juni 2025, waaronder de vraag welke gegevens zijn verwijderd, door wie en of deze gegevens (mede) beschikbaar zijn gekomen voor Burger Ferry of personen die bij haar werkzaam zijn; de interne besluitvorming binnen Burger Ferry en/of (entiteiten binnen) de Burger Groep met betrekking tot de markttoetreding van Burger Ferry, waaronder de planning, voorbereiding en inzet van voormalige werknemers van BFA; de onderlinge rolverdeling en afstemming binnen de Burger Groep met betrekking tot de markttoetreding en activiteiten van Burger Ferry; de betrokkenheid van derden, waaronder klanten en leveranciers van BFA en entiteiten binnen de Burger Groep, bij activiteiten van Burger Ferry en de aard van de contacten die in dat kader zijn onderhouden. 3.3. BFA wil inzage in bescheiden van Burger Ferry die betrekking hebben de volgende onderwerpen: alle correspondentie, waaronder e-mails en documenten, die in de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 mei 2025 is verzonden of doorgestuurd van een e-mailadres van BFA naar een e-mailadres van Burger Ferry of entiteiten binnen de Burger Groep, waaronder [mailadres 1] , [mailadres 2] en [mailadres 3] ; alle communicatie, waaronder e-mails en gespreksregistraties (call logs), agenda-items, gespreksverslagen en overige communicatie, tussen Burger Ferry en/of entiteiten binnen de Burger Groep enerzijds en de hieronder genoemde personen anderzijds, die heeft plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 mei 2025: [persoon F] , [persoon C] , [persoon A] , [persoon D] , [persoon I] , [persoon E] , [persoon G] , [persoon H] en [persoon B] ; alle bescheiden waaruit blijkt van de inhoud, aard en doel van de hierna genoemde besprekingen en/of ontmoetingen, waaronder agenda-uitnodigingen, notities, e-mails, (concept)presentaties, gespreksverslagen, die hebben plaatsgevonden tussen [persoon A] en [persoon F] en Burger Ferry en/of entiteiten binnen de Burger Groep: a. de bespreking van 10 april 2025 waarbij aanwezig waren [persoon A] en [persoon F] en namens Cornel Holding B.V. [persoon J] en [persoon K] en b. de SITL beurs in Parijs van 1 tot en met 3 april 2025; een overzicht van alle boekingsaanvragen, inclusief de naam van de klant en de datum van de aanvraag, in de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 mei 2025, die door [persoon F] of een andere voormalige werknemer van BFA zijn doorgestuurd aan Burger Ferry en/of entiteiten binnen de Burger Groep; en overzicht van alle geadresseerden aan wie de e-mail van 26 mei 2025, verzonden vanaf [mailadres 2] met als onderwerp “ Wij zijn terug... Ferry is coming home! ”, is verzonden, alsmede een toelichting op de wijze waarop Burger Ferry over deze adresgegevens is komen te beschikken; een overzicht van alle geadresseerden aan wie de e-mail van 2 juni 2025, verzonden vanaf [mailadres 4] met als onderwerp “ Maak kennis met onze nieuwe collega’s! ” is verzonden, alsmede een toelichting op de wijze waarop Burger Ferry over deze adresgegevens is komen te beschikken; de arbeidsovereenkomsten en/of overeenkomsten van opdracht die zijn gesloten tussen Burger Ferry of entiteiten binnen de Burger Groep enerzijds en de voormalige werknemers van BFA die per 1 juni 2025 of daarna in dienst zijn getreden bij, althans werkzaam zijn bij, Burger Ferry anderzijds, alsmede alle correspondentie en/of verslaglegging met betrekking tot het aangaan van deze arbeidsovereenkomsten; alle interne documenten en communicatie binnen Burger Ferry en/of (entiteiten binnen) de Burger Groep uit de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 mei 2025 die betrekking hebben op de voorbereiding en uitvoering van de markttoetreding van Burger Ferry in de ferrymarkt, waaronder begrepen commerciële plannen, marktanalyses, businessplannen, klantbenaderingsstrategieën en interne besluitvorming omtrent de inzet van personeel afkomstig van BFA; een overzicht van relaties die sinds 1 juni 2025 diensten van Burger Ferry hebben afgenomen en die in de periode 2024-2025 tevens klant waren van BFA, met vermelding van (i) het moment van eerste contact, (ii) de datum van de eerste boeking via Burger Ferry en (iii) de daarbij betrokken medewerker(s); alle gegevens, logbestanden of andere documenten waaruit blijkt of en wanneer gegevens of bestanden afkomstig van BFA door voormalige werknemers zijn gedownload, geëxporteerd, gekopieerd of anderszins beschikbaar zijn gekomen voor Burger Ferry of personen werkzaam binnen Burger Ferry; correspondentie en communicatie in de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 mei 2025 tussen Burger Ferry en ferry-operators en/of andere leveranciers waarmee BFA zaken doet of heeft gedaan, voor zover deze betrekking heeft op samenwerking, tarieven, volumes of commerciële afspraken in verband met de markttoetreding van Burger Ferry. 3.4. Aan haar verzoek legt BFA het volgende ten grondslag. Volgens BFA zijn er aanwijzingen waaruit blijkt dat voormalige werknemers van BFA tijdens hun dienstverband betrokken waren bij overleg, afstemming en activiteiten die verband hielden met de markttoetreding van Burger Ferry en de benadering van klanten van BFA. Er zijn ook aanwijzingen dat de voormalige werknemers na de markttoetreding werkzaamheden hebben verricht voor BFA die mogelijk in strijd waren met de tussen hen geldende concurrentie- en geheimhoudingsbedingen. Sinds juni 2025, vrijwel gelijk met het vertrek van haar voormalige medewerkers, lijdt BFA schade. Zo heeft zij een aantal grote klanten verloren en is er een drastische daling in het aantal orders en volumes die bij haar worden afgenomen. Volgens BFA valt dit samen met het systematisch benaderen van klanten door de voormalige werknemers die voor Burger Ferry zijn gaan werken. BFA vermoedt dat Burger Ferry en de voormalige werknemers onrechtmatig hebben gehandeld jegens haar. Burger Ferry heeft dat gedaan door (i) onrechtmatig te concurreren met BFA, (ii) te profiteren van wanprestatie gepleegd door voormalige werknemers van BFA en (iii) onrechtmatig gebruik te maken van vertrouwelijke bedrijfsinformatie, klantrelaties en marktkennis afkomstig van BFA. De voormalige werknemers hebben onrechtmatig gehandeld door hun geheimhoudings- en/of concurrentiebedingen te schenden. Gezien het voorgaande wil BFA kunnen beoordelen of, en zo ja, op welke grondslag zij een bodemprocedure kan instellen tegen Burger Ferry en/of haar voormalige werknemers. Om dat te kunnen beoordelen heeft zij duidelijkheid en bewijs nodig over (onder andere) de betrokkenheid van de verschillende personen, de onderlinge afstemming binnen de Burger Groep, het gebruik en de overdracht van vertrouwelijke bedrijfsinformatie en de aard en omvang van de klantbenadering. Hiervoor dienen de voorlopige bewijsverrichtingen dan ook. 3.5. Burger Ferry verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert verweer. Allereerst moet BFA niet-ontvankelijk verklaard worden, omdat zij niet voldoet aan de vereisten van artikel 197 Rv. Bij ontvankelijkheid moet het voorlopig getuigenverhoor ten eerste worden afgewezen, omdat de onderwerpen waarover BFA de getuigen wil horen breed, abstract en onderzoeksmatig zijn geformuleerd en deze niet zien op specifieke vermoedelijke onrechtmatige gedragingen. Ten tweede zijn de onderwerpen gericht op haar interne besluitvorming, commerciële voorbereiding en marktstrategie, waardoor het verzoek het karakter van een fishing expedition heeft. Ten derde moet het verzoek worden afgewezen, omdat BFA stelt dat zij haar vermoedens wil verifiëren en haar procespositie wil bepalen door middel van het verzoek. Daarvoor is een voorlopige bewijsverrichting niet bedoeld. Ten vierde heeft BFA nagelaten om te specificeren aan welke getuige zij welke vragen wil stellen, wat erop wijst dat er geen concreet bewijs is voor de vermoedens van BFA. Burger Ferry merkt daarnaast op dat [persoon B] niet in dienst is bij haar. Het inzageverzoek moet volgens Burger Ferry worden afgewezen, omdat BFA inzage wil in zeer ruime en algemene categorieën bescheiden, waardoor het verzoek onvoldoende bepaald is. BFA maakt namelijk niet duidelijk welke concrete onrechtmatige gedragingen Burger Ferry wordt verweten en welke specifieke bescheiden noodzakelijk zijn voor de onderbouwing daarvan. Vanwege de omvang en ruime formulering van het verzoek lijkt het erop dat BFA ook door middel van het inzageverzoek zicht wil krijgen op concurrentie- en bedrijfsgevoelige informatie van Burger Ferry, waardoor het verzoek de grenzen van een toelaatbaar inzageverzoek overschrijdt. Omdat de lat hoog ligt voor het aannemen van onrechtmatige concurrentie, stelt Burger Ferry dat BFA haar verzoek aanzienlijk concreter en beperkter had moeten formuleren. Daarnaast ontbreekt een voldoende concrete en afgebakende rechtsbetrekking tussen BFA en Burger Ferry. Volgens Burger Ferry zijn de vermoedens van BFA gebaseerd op informatie waarover zij zelf beschikt en ligt het daardoor op haar weg om op basis daarvan een eventuele vordering in te stellen in een bodemprocedure. Bovendien zijn beide verzoeken volgens Burger Ferry in strijd met de goede procesorde. 3.6. Op de stellingen van partijen wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De rechtbank constateert dat partijen in hun verzoek- en verweerschrift al uitgebreid ingaan op de inhoud van het geschil. Die ligt in de onderhavige procedure echter niet ter beoordeling voor. De rechtbank zal dan ook niet ingaan op die stellingen. 4.2. Het toetsingskader van het verzoek luidt als volgt. Het verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen moet op grond van artikel 197 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inhouden: a. een kernachtige omschrijving van het geschil of de gebeurtenis waarop het verzoek betrekking heeft en de gronden van het verzoek; b. de aard en het beloop van de vordering; c. de naam en woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is. Verder moet het verzoekschrift vermelden de namen en woonplaatsen van de personen die de verzoekende partij als getuigen wil horen. 4.3. BFA 360 B.V. heeft aan de formele eisen van het verzoekschrift voldaan. Anders dan Burger Ferry stelt, is daarvoor niet noodzakelijk dat BFA duidelijk maakt (i) welke specifieke vorderingen zij wenst in te stellen, (ii) tegen welke partij(en) die vorderingen zich concreet zullen richten of (iii) welke specifieke onrechtmatige gedragingen zij Burger Ferry verwijt. Voorlopige bewijsverrichtingen kunnen immers ingezet worden om duidelijkheid te krijgen over feiten, om zo te kunnen beoordelen of, tegen wie en op grond waarvan een bodemprocedure ingesteld kan worden. BFA is dan ook ontvankelijk in haar verzoek. 4.4. Het verzoek wordt toegewezen, tenzij de rechtbank van oordeel is: - dat de informatie die wordt verlangd, niet voldoende is bepaald; - er onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat; - het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde; - er sprake is van misbruik van bevoegdheid of; - als er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. De rechtbank toetst hierna per (sub)onderdeel of het verzoek toewijsbaar is. Het voorlopig getuigenverhoor wordt deels toegewezen [persoon B] en [persoon C] 4.5. De rechtbank wijst het verzoek af voor zover dat ziet op het horen van [persoon B] en [persoon C] , omdat BFA daar onvoldoende belang bij heeft. De rechtbank legt dit als volgt uit. 4.6. Ten aanzien van [persoon B] stelt BFA dat zij vermoedt dat [persoon B] bij Burger Ferry werkt, maar zij onderbouwt dit vermoeden niet. Burger Ferry heeft betwist dat [persoon B] bij haar in dienst is. Daar heeft BFA niet op gereageerd. Onder die omstandigheden zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van BFA dat [persoon B] bij Burger Ferry in dienst is getreden. BFA mag [persoon B] daarom niet horen. 4.7. Ten aanzien van [persoon C] stelt BFA dat zij vermoedt dat [persoon C] in de periode voorafgaand aan 1 juni 2025 omvangrijke digitale bestanden heeft verwijderd van haar servers en dat zij [persoon C] daarom wil horen. BFA onderbouwt haar vermoeden echter niet ondanks het forensisch onderzoek dat zij heeft laten doen op haar ict-netwerk. Dat vermoeden is daarom te weinig onderbouwd om voldoende belang op te leveren voor het horen van [persoon C] . De overige getuigen 4.8. BFA mag [persoon I] , [persoon A] , [persoon H] , [persoon D] , [persoon G] , [persoon E] , [persoon F] en [persoon L] wel horen tijdens een voorlopig getuigenverhoor, omdat haar verzoek ten aanzien van deze getuigen voldoet aan de eisen van artikel 196 Rv. 4.9. De door Burger Ferry aangevoerde verweren slagen niet. Volgens Burger Ferry zijn de onderwerpen waarover BFA de getuigen wil horen onvoldoende bepaald. Volgens het bepaaldheidsvereiste van artikel 196 lid 2 sub a Rv moet BFA zodanig concreet omschrijven waarover zij getuigen wil horen, zodat duidelijk is voor Burger Ferry op welke informatie zij doelt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de onderwerpen waarover BFA de getuigen wil horen (opgesomd onder 3.2), voldoende concreet en dus voldoende bepaald. Daarvoor is niet noodzakelijk dat de onderwerpen zien op specifieke vermoedelijke onrechtmatige gedragingen, zoals Burger Ferry stelt. BFA wil de getuigen immers horen om te kunnen beoordelen of er sprake is geweest van onrechtmatige gedragingen en het is toegestaan om een voorlopige bewijsverrichting daarvoor in te zetten. De rechtbank kan het verweer van Burger Ferry dat niet toegestaan is dat BFA een voorlopige bewijsverrichting verzoekt op basis van vermoedens en ter beoordeling van haar procespositie dan ook niet volgen. Een voorlopige bewijsverrichting is er bij uitstek voor bedoeld om in een vroeg stadium van een (potentieel) geschil bewijs te vergaren en de procespositie te kunnen bepalen. BFA wil met het getuigenverhoor haar vermoedens juist proberen te bewijzen en zij heeft daarbij duidelijke onderwerpen kenbaar gemaakt waarop het voorlopig getuigenverhoor moet zien. Van een fishing expedition is dan ook geen sprake. Burger Ferry stelt dat haar niets te verwijten valt, maar die vraag ligt niet in deze procedure voor. Voor afwijzing van het verzoek zou op dit punt alleen reden kunnen zijn als volstrekt evident is dat BFA geen vordering op Burger Ferry heeft, maar die situatie doet zich hier niet voor. Of BFA een vordering toekomt, is namelijk mede afhankelijk van de uitkomsten van het voorlopig getuigenverhoor. Van strijd met de goede procesorde, zoals Burger Ferry dat stelt, is geen sprake. Burger Ferry heeft dit ook niet voldoende onderbouwd. Het inzageverzoek wordt deels afgewezen 4.10. Aanvullend op de eisen van artikel 196 en 197 Rv geldt ten aanzien van het inzageverzoek het volgende. Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking beschikt, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens. De verzoekende partij moet daarbij voldoende belang hebben (artikel 194 lid 1 Rv). 4.11. De rechtbank is van oordeel dat voor een deel van het inzageverzoek van BFA, zoals weergegeven onder 3.3., onvoldoende belang bestaat. Wat betreft het verzoek onder b) kan dat niet worden toegewezen ten aanzien van [persoon B] in verband met wat hiervoor in 4.6. is overwogen. Wat betreft de onderdelen e) en f) gaat de gevraagde toelichting de reikwijdte van een inzageverzoek te buiten want de gevraagde toelichting zou vereisen dat Burger Ferry nieuwe stukken zou moeten opstellen. Die onderdelen zijn daarom op die punten niet toewijsbaar. Wat betreft onderdeel g) heeft BFA niet duidelijk gemaakt welk belang er bestaat bij de arbeidsovereenkomsten of overeenkomsten van opdracht zelf. Dat deel zal dus worden afgewezen. Wat betreft de onderdelen h) en k) is de rechtbank van oordeel dat toewijzing van die onderdelen ertoe zou leiden dat in vergaande mate inzicht wordt verkregen in de commerciële keuzes en strategie die Burger Ferry kiest. Omdat sprake is van directe concurrentie in een beperkte markt moeten er zeer concrete vermoedens zijn om te rechtvaardigen dat inzage moet worden gegeven in dergelijke commercieel zeer gevoelige informatie. De vermoedens die BFA heeft zijn daarvoor niet concreet genoeg, zodat er ook in zoverre onvoldoende belang is. Wat betreft onderdeel j) bestaat er onvoldoende belang omdat BFA al forensisch onderzoek heeft gedaan en niet duidelijk heeft gemaakt dat daarbij is vastgesteld dat er daadwerkelijk bedrijfsinformatie van het netwerk van BFA is ‘meegenomen’ door haar voormalige werknemers. De overige onderdelen van het verzoek zijn wel toewijsbaar. Die onderdelen zijn voldoende concreet en afgebakend en houden voldoende verband met het vermoeden van BFA dat zij door middel van inzage wil onderzoeken. Praktische gang van zaken van het voorlopig getuigenverhoor 4.12. De rechtbank wijst BFA erop dat de rechtbank voor het verhoor in beginsel maximaal 60 minuten per getuige reserveert. Als BFA van mening zijn dat meer tijd noodzakelijk is, moeten zij dit – binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking – gemotiveerd aan de rechter verzoeken. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen moeten ten minste tien dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven. 4.13. Omdat de wederpartij bekend is, bepaalt de rechtbank in de beslissing de dag waarop BFA uiterlijk een afschrift van deze beschikking per aangetekende brief of exploot aan Burger Ferry moeten laten toekomen. 4.14. Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de rechtbank na afloop van een of meer voorlopige bewijsverrichtingen op verzoek van partijen of een van hen of ambtshalve een (nieuwe) mondelinge behandeling kan bevelen om een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de rechtbank. Tijdens deze mondelinge behandeling kan de rechtbank ook de verdere behandeling van het geschil met partijen bespreken. De proceskosten worden gecompenseerd 4.15. Omdat Burger Ferry grotendeels in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gebouw van de rechtbank te Rotterdam voor een nader te noemen rechter, op een nader, in overleg met partijen vast te stellen datum en tijdstip, 5.2. bepaalt dat de advocaat van BFA voor de oproeping van de getuigen zorgt, 5.3. verzoekt de advocaat van BFA het oproepingsschema (met de namen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen) tien dagen voor de zittingsdatum aan de rechtbank en aan de wederpartij toe te zenden, 5.4. bepaalt dat Burger Ferry inzage moet geven in bescheiden over de in 3.3. achter de hierna vermelde letters genoemde onderwerpen: a), b) maar niet ten aanzien van [persoon B] , c) en d) e) en f) met uitzondering van de in die onderdelen vermelde toelichting, g) alleen wat betreft de correspondentie en/of verslaglegging met betrekking tot het aangaan van deze arbeidsovereenkomsten, i); 5.5. bepaalt dat BFA uiterlijk op 13 juli 2026 een afschrift van deze beschikking bij aangetekende brief of exploot moet doen toekomen aan Burger Ferry, 5.6. veroordeelt Burger Ferry in de kosten van deze procedure en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van BFA op € 2.041,- (€ 735,00 aan griffierecht en € 1.306,00 (2 punten x tarief II) aan salaris advocaat), 5.7. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, 5.8. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Rop en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/144114 · 2026-07-23
