# Rechtbank Den Haag, 18-06-2026 (C/09/703158 / KG RK 26-641)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:18254
- Date: 2026-06-18
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A18254
- Canonical: https://overview.legal/posts/144130
- Topics: Personal Data, Consent

## Summary

Huurbeding

## Full text

RECHTBANK Den Haag Team handel zaaknummer / rekestnummer: C/09/703158 / KG RK 26-641 Beschikking van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 in de zaak van 1 [verzoekster] te [woonplaats 1] , 2. [verzoeker] te [woonplaats 2] , verzoekers, hierna samen te noemen: [verzoekers] , advocaat: mr. F.J. Laagland, tegen 1 [verweerder] te [woonplaats 3] , 2. [verweerster 1] te [woonplaats 3] , 3. [verweerster 2] B.V. te [vestigingsplaats 1] , verweerders, hierna samen te noemen: [verweerders] , in persoon verschenen, en 4 4. [belanghebbende 4] te [woonplaats 3] , 5. [belanghebbende 5] te [woonplaats 3] , 6. [belanghebbende 6] te [woonplaats 3] , 7. [belanghebbende 7] te [woonplaats 3] , 8. DE ONBEKENDE (ZAKELIJKE) HUURDERS C.Q. ONDERHUURDERS C.Q. GEBRUIKERS VAN WIE IN REDELIJKHEID DE IDENTITEIT NIET KAN WORDEN ACHTERHAALD - DIE VERBLIJVEN TE [plaats 1] , AAN HET ADRES [adres 1] , te [plaats 1] , 9. [belanghebbende 9] B.V. te [vestigingsplaats 2] , belanghebbenden, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het op 10 april 2026 ontvangen verzoekschrift, met bijlage 1 tot en met 14; de op 1 mei 2026 ontvangen brief van [verweerders] 1.2. In het verzoekschrift is bij de onbekende huurders het adres [adres 1] te [plaats 1] opgenomen, terwijl het verzoek ziet op de woning aan het adres [adres 2] te [plaats 2] . Het exploit waarbij het huurbeding is ingeroepen tegen de onbekende huurders is gericht en betekend op laatstgenoemd adres (vgl. 2.5). De rechtbank heeft de correspondentie gericht aan de onbekende huurders ook uitsluitend verzonden naar het adres [adres 2] te [plaats 2] . De rechtbank houdt het er dan ook voor dat de omschrijving in de belanghebbendenomschrijving in het verzoekschrift, luidende “te [plaats 1] , aan het adres [adres 1] ” een verschrijving betreft en dat gedoeld is op de onbekende huurders van [adres 2] te [plaats 2] . 1.3. Op 9 juni 2026 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling. De advocaat van [verzoekers] heeft het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Die spreekaantekeningen maken deel uit van het dossier 1.4. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [verzoekers] hebben een overeenkomst van hypothecaire geldlening gesloten met [verweerders] Bij notariële akte van 13 februari 2024 (hierna: de hypotheekakte) is door [verweerders] aan [verzoekers] het recht van tweede hypotheek verleend op onder meer het woonhuis met erf en perceel tuingrond aan het adres [adres 2] te [plaats 2] (hierna: de woning). In de hypotheekakte is een huurbeding opgenomen. 2.2. Op 15 augustus 2024 zijn de heer [belanghebbende 5] en mevrouw [belanghebbende 7] in de basisregistratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres van de woning. 2.3. Bij overeenkomst van 22 januari 2025 zijn partijen overeengekomen dat de hypothecaire geldlening uiterlijk 31 december 2025 diende te zijn afgelost. [verweerders] hebben de lening niet voor die tijd afgelost. 2.4. Op 27 februari 2026 zijn de heren [belanghebbende 6] en [belanghebbende 4] in de basisregistratie persoonsgegevens ingeschreven op het adres van de woning. 2.5. [verzoekers] hebben met instemming van de eerste hypotheekhouder, [belanghebbende 9] B.V., de executie ter hand genomen. Bij exploot van 24 maart 2026 hebben [verzoekers] de executie aan [verweerders] aangezegd. Bij exploot van 25 maart 2026 hebben [verzoekers] aan de bekende en onbekende (onder)huurders onder meer aangezegd dat zij tegenover [verweerders] het huurbeding zullen inroepen. 2.6. De openbare verkoop van de woning staat gepland op 24 juni 2026. 3 Het verzoek 3.1. [verzoekers] verzoeken de voorzieningenrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: I. hen verlof te verlenen overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:264 lid 5 en lid 6 BW het huurbeding in te roepen tegen belanghebbenden 4 tot en met 8, de bekende en onbekende (zakelijke) huurders, met betrekking tot de woning; II. belanghebbenden 4 tot en met 8 te veroordelen om binnen twee weken na betekening van deze beschikking de woning te ontruimen met medeneming van de hunnen en al degenen die zich van hunnentwege in de woning bevinden, op te leveren aan [verzoekers] of aan de veilingkoper ter openbare veiling, onder afgifte van de sleutels; III. althans ten aanzien van het hiervoor onder nummers I en II verzochte steeds die voorzieningen te bepalen en machtigingen te verlenen die in de gegeven omstandigheden juist voorkomen; IV. het verlof uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Kosten rechtens. 3.2. Aan het verzoek hebben [verzoekers] het volgende ten grondslag gelegd. [verweerders] hebben de hypothecaire geldlening die [verzoekers] aan hen hebben verstrekt niet op tijd terugbetaald. Daarom zijn [verzoekers] – na overleg met de eerste hypotheekhouder – overgegaan tot executie. In de hypothecaire akte is een huurbeding opgenomen. [verweerders] erkennen dat er na het passeren van de hypotheekakte familieleden van hen in de woning zijn gaan wonen en daarvoor huur betalen. [verzoekers] hebben echter geen toestemming gegeven voor het verhuren van de woning. Als de huur in stand blijft, dan is het niet mogelijk dat uit de verkoopopbrengst zowel de vordering van [verzoekers] als die van de eerste hypotheekhouder kan worden voldaan. Daarom verzoeken [verzoekers] verlof om het huurbeding in te mogen roepen. 3.3. [verweerders] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, ingegaan. 4 De beoordeling Beoordelingskader huurbeding 4.1. Op grond van artikel 3:264 lid 6 BW verleent de voorzieningenrechter verlof om het huurbeding te mogen inroepen, tenzij ook met instandhouding van de huurovereenkomst duidelijk een voldoende opbrengst kan worden verkregen om alle hypotheekhouders die het beding hebben gemaakt en jegens de huurder kunnen inroepen, te voldoen. Wanneer de voorzieningenrechter het verlof verleent, veroordeelt hij de opgeroepen of verschenen huurders en onderhuurders tot ontruiming en stelt hij een termijn vast van maximaal zes maanden na betekening van zijn beschikking aan de huurder of onderhuurder, waarbinnen geen ontruiming mag plaatsvinden. [verzoekers] mogen het huurbeding inroepen 4.2. De voorzieningenrechter zal aan [verzoekers] verlof verlenen om het huurbeding in te mogen roepen. De verweren van [verweerders] slagen namelijk niet. De stelling van [verweerders] dat zij vrijwillig tot betaling zullen overgaan, zodat inroeping van het huurbeding nodeloos is, is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Zoals [verzoekers] onbetwist hebben gesteld betalen [verweerders] al maanden geen rente meer en zijn eerdere toezeggingen tot betaling en verkoop van de woning op de vrije markt niet nagekomen. Onvoldoende opbrengst in verhuurde staat 4.3. Ook de stelling van [verweerders] dat de woning in verhuurde staat voldoende zal opbrengen om beide hypotheekhouders te kunnen voldoen slaagt niet. In het door [verzoekers] ingediende taxatierapport wordt de vermoedelijke verkoopopbrengst van de woning bij een executoriale veiling in onverhuurde staat begroot op een bedrag van € 860.000,- en in verhuurde staat op een bedrag van € 610.000,-. [verweerders] hebben onvoldoende onderbouwd hun stelling dat omdat er in het taxatierapport van € 1.000,- te weinig aan huur per maand is uitgegaan (ongeveer 3000 euro in plaats van 4000 euro per maand) eigenlijk van een veel hogere veilingsopbrengst in verhuurde staat moet worden uitgegaan. Zij hebben die niet op voorhand aannemelijke stelling niet met (taxatie)stukken onderbouwd. De gevolgen voor de kleinzoon van [verweerders] 4.4. Tot slot leidt ook hetgeen [verweerders] nog hebben aangevoerd omtrent de bewoning van de woning door hun kleinzoon (belanghebbende sub 5) niet tot afwijzing van het verzoek. Volgens [verweerders] heeft ontruiming ernstige persoonlijke gevolgen voor hemzelf en de kleinzoon, maar deze gevolgen zijn niet zwaarwegend genoeg. Daarbij is van belang dat onderhandse verkoop van de woning om een hogere opbrengst te verkrijgen (waardoor niet alleen meer opbrengst voor de hypotheekhouders te verwachten valt, maar ook [verweerders] met een geringere restschuld achterblijven) als een gepasseerd station dient te worden beschouwd, nu dit tussen partijen eerder aan de orde is geweest, maar [verweerders] daartoe toen niet zijn overgegaan. Bovendien valt bepaald niet uit te sluiten dat in het kader van de executie een (onderhands) marktconform bod zal worden gedaan. In het belang van de kleinzoon zal de ontruimtermijn langer worden vastgesteld dan verzocht. Conclusie 4.5. De voorzieningenrechter concludeert dat opbrengst bij executoriale verkoop van de woning met instandhouding van de huurovereenkomst niet voldoende zal zijn om de vorderingen van beide hypotheekhouders te kunnen voldoen. [verzoekers] hebben namelijk een vordering op Willemsen van € 159.875,-, en de eerste hypotheekhouder, [belanghebbende 9] B.V., heeft een vordering op [verweerders] van € 800.000,- (beide nog te vermeerderen met rente en kosten). De voorzieningenrechter zal daarom [verzoekers] verlof verlenen om het huurbeding in te mogen roepen. Ontruimingstermijn 4.6. De maximale wettelijke ontruimingstermijn van zes maanden geldt alleen in uitzonderlijke situaties. Dat daarvan sprake is, is in deze procedure niet gebleken. De woning wordt weliswaar bewoond door de kleinzoon van [verweerders] , maar die is al geruime tijd op de hoogte van de aanstaande executieveiling. De verzochte ontruimingstermijn van twee weken acht de voorzieningenrechter echter te kort. Daarom zal de ontruimingstermijn worden bepaald op een maand na betekening van deze beschikking. Proceskosten 4.7. Voor een proceskostenveroordeling zoals door [verzoekers] is verzocht, bestaat in deze procedure geen ruimte. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. verleent [verzoekers] verlof om overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:264 lid 5 en lid 6 BW het huurbeding in te mogen roepen tegen belanghebbenden 4 tot en met 8, de bekende en onbekende (zakelijke) huurders van de woning aan de [adres 2] te [plaats 2] ; 5.2. veroordeelt belanghebbenden 4 tot en met 8 om binnen een maand na betekening van deze beschikking de woning te ontruimen met medeneming van de hunnen en al degenen die zich van hunnentwege in deze woning bevinden, op te leveren aan [verzoekers] of aan degene die de woning op de (openbare) veiling heeft gekocht, onder afgifte van de sleutels; 5.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. 5.4. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026. 2184

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/144130 · 2026-07-23
