# Raad van State, 15-07-2026 (202406276/1/A3)

- Type: Case Law
- Source: Raad van State
- Identifier: ECLI:NL:RVS:2026:4134
- Date: 2026-07-15
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARVS%3A2026%3A4134
- Canonical: https://overview.legal/posts/144131
- Topics: Consent, Right of Access, Personal Data, Types of Special Categories of Personal Data, Processing

## Summary

Bij besluiten van 27 juni 2023 en 3 juli 2023 heeft de minister van Defensie het verzoek van [appellant] om inzage in op hem betrekking hebbende mutaties toegewezen. appellant] heeft de minister op 5 mei 2023 - kort samengevat - verzocht om hem te laten weten of er een mutatie is opgemaakt van zijn staandehoudingen die volgens hem op 28 februari 2020 en 22 januari 2023 hebben plaatsgevonden. Daarnaast wil hij graag weten of er nog andere mutaties zijn opgemaakt naast die over zijn staandehoudingen op 29 juli 2019 en 2 juni 2020. Verder wil hij graag geïnformeerd worden over alle andere mogelijke informatie die over hem wordt verwerkt. Ten slotte heeft hij verzocht om een afschrift van de mutatie van 2 juni 2020.

## Full text

202406276/1/A3. Datum uitspraak: 15 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West­-Brabant van 3 september 2024 in zaken nrs. 23/8881 en 24/1164 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Defensie. Procesverloop Bij besluiten van 27 juni 2023 en 3 juli 2023 heeft de minister het verzoek van [appellant] om inzage in op hem betrekking hebbende mutaties toegewezen. Bij besluit van 29 november 2023 heeft de minister het door [appellant] tegen het besluit van 3 juli 2023 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 september 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen de besluiten van 27 juni 2023 en 29 november 2023 ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De minister heeft een nader stuk ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De minister heeft de Afdeling verzocht om met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) de op de zaak betrekking hebbende mutaties over [appellant] niet aan hem te verstrekken. [appellant] heeft de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 2 juni 2026 behandeld, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. B.J.A. Pellegrom, mr. F. Eftekhari en mr. P. Toonders, zijn verschenen. [appellant] is in de gelegenheid gesteld om digitaal aan de zitting deel te nemen, maar hij heeft daar geen gebruik van gemaakt. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] heeft de minister op 5 mei 2023 - kort samengevat - verzocht om hem te laten weten of er een mutatie is opgemaakt van zijn staandehoudingen die volgens hem op 28 februari 2020 en 22 januari 2023 hebben plaatsgevonden. Daarnaast wil hij graag weten of er nog andere mutaties zijn opgemaakt naast die over zijn staandehoudingen op 29 juli 2019 en 2 juni 2020. Verder wil hij graag geïnformeerd worden over alle andere mogelijke informatie die over hem wordt verwerkt. Ten slotte heeft hij verzocht om een afschrift van de mutatie van 2 juni 2020. Wat heeft de minister besloten? 2. De minister heeft het verzoek met de besluiten van 27 juni 2023 en 3 juli 2023 zowel op grond van de Wet politiegegevens als de Algemene Verordening Gegevensbescherming (de AVG) afgedaan. Hij heeft [appellant] laten weten dat hij de systemen heeft geraadpleegd en dat daaruit blijkt dat zijn persoonsgegevens zijn verwerkt in twee mutaties van 24 februari 2020 en 22 januari 2023. De minister heeft een samenvatting van die mutaties verstrekt. Daarnaast heeft de minister laten weten dat de persoonsgegevens van [appellant] niet worden verwerkt in een mutatie van 2 juni 2020. Uit coulance heeft de minister desondanks een samenvatting van die mutatie gegeven. De minister heeft [appellant] ook uitgenodigd om de mutaties fysiek in te zien. De minister heeft verder toegelicht dat hij de systemen heeft geraadpleegd die de Koninklijke Marechaussee (de KMar) voor haar taakuitvoering ter beschikking staan en waarin persoonsgegevens in de zin van de AVG worden verwerkt. In die systemen staan echter geen persoonsgegevens die door de KMar op grond van de AVG worden verwerkt, aldus de minister. Wat heeft de rechtbank geoordeeld? 3. De rechtbank heeft het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de minister kort samengevat aan zijn verzoek voldaan door [appellant] een overzicht te geven van de persoonsgegevens die over hem worden verwerkt en door hem de mogelijkheid te geven om de mutaties met zijn persoonsgegevens fysiek in te zien. Waarom is [appellant] het niet met de rechtbank eens? 4. [appellant] betoogt dat de mutaties niet opgemaakt hadden mogen worden. De rechtbank miskent dat artikel 3 van de Politiewet 2012 niet voor de KMar geldt. [appellant] heeft erop gewezen dat de verbalisanten niet binnen de kaders van wet- en regelgeving hebben gehandeld door hem staande te houden en te vragen naar zijn identiteit en dat zijn klachten daarover gegrond zijn verklaard. 4.1. Daarnaast moeten er volgens [appellant] meer gegevens over hem verwerkt worden. De klachtprocedures bij de KMar over de uitvoering van de politietaak vallen in de administratieve sfeer en daarmee onder de werking van de AVG. De minister moet alsnog uitsluitsel geven over alle verwerkte gegevens in alle systemen, aldus [appellant]. 4.2. De minister heeft verder weliswaar de mogelijkheid geboden om de mutaties in te zien, maar daarvoor moet hij naar Den Haag komen. Door zijn financiële, mentale en emotionele problemen is hij daartoe niet in staat. De minister had daarom afschriften van de mutaties moeten verstrekken. De rechtbank heeft dat volgens hem niet onderkend. De minister handelt ook in strijd met het verbod op willekeur, doordat de KMar eerder wel een afschrift van een mutatie heeft verstrekt. 4.3. Ten slotte heeft de rechtbank hem ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om digitaal aan de zitting deel te nemen, terwijl hij met stukken heeft onderbouwd dat hij financiële problemen en psychische beperkingen heeft en dat hij daardoor niet in de gelegenheid was om fysiek aan de zitting deel te nemen. Daardoor is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Beoordeling van het hoger beroep Nadere stukken die door [appellant] zijn ingediend 5. Artikel 8:58, eerste lid, van de Awb bepaalt dat tot tien dagen voor de zitting partijen nadere stukken kunnen indienen. [appellant] heeft voorafgaand aan de zitting bij de Afdeling in mei op meerdere dagen nadere stukken ingediend, waaronder op 23 en 24 mei 2026. De nadere stukken van 23 en 24 mei 2026 heeft [appellant] gelet op de hiervoor genoemde termijn te laat ingediend. Tijdens de zitting heeft de minister echter laten weten dat hij geen bezwaar heeft tegen het toelaten van deze stukken in de procedure. De Afdeling heeft daarom alle nadere stukken bij de beoordeling van het hoger beroep betrokken. Waar gaat deze procedure over? 6. Voor zover [appellant] betoogt dat de KMar op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012 niet met de politietaak is belast, is van belang dat de KMar de politietaak in een aantal specifieke gevallen uitvoert. Die gevallen staan in artikel 4, eerste lid, van de Politiewet 2012. De verder door [appellant] opgeworpen vraag over de rechtmatigheid van de mutaties in verband met de uitvoering van de politietaak, is een vraag die niet in deze procedure aan de orde kan komen. Deze vraag valt buiten de omvang van het geding. In deze procedure gaat het alleen over zijn inzageverzoek. Tijdens de zitting heeft de minister laten weten dat [appellant] meer procedures heeft lopen, waaronder over verwijderings- en rectificatieverzoeken. In die zaken kan de vraag over de rechtmatigheid van de mutaties aan de orde worden gesteld. Heeft de minister aan het verzoek van [appellant] voldaan? 7. De Afdeling komt tot het oordeel dat de minister volledig aan het verzoek van [appellant] heeft voldaan. [appellant] krijgt in hoger beroep daarom geen gelijk. Daarvoor is het volgende van belang. 7.1. [appellant] heeft de minister op 5 mei 2023 om inzage verzocht in een aantal mutaties en om hem te informeren over alle andere mogelijke informatie die over hem wordt verwerkt. Zijn verzoek luidt als volgt: "Over staandehoudingen d.d. 22-1-2023 en 28-2-2020 wil ik weten of er een mutaties van de staandehoudingen zijn opgemaakt en zo ja, wanneer de mutaties dan precies zijn opgemaakt en op welke tijdstippen. Ook vraag ik of er andere mutaties over mij zijn opgemaakt dan behalve over de staandehoudingen van d.d. 29-7-2019 en 2-6-2020 en zo ja, over welk gebeurtenis(sen) zijn ze dan opgemaakt en wanneer en op welk tijdstip(pen) ze opgemaakt zijn. Verder vraag ik mij te informeren over alle andere mogelijke informatie verwerking over mij en met wat voor doel die dan verwerkt wordt. Daarnaast vraag ik u mij een weergave te verstrekken van mutatie over gebeurtenis 2-6-2020 desnoods met weglakken van de persoonsgegevens van degenen die de mutatie hebben opgemaakt alsook vraag ik u mij een weergave te verstrekken van alle andere mutatie(s) met uitzondering van mutatie over gebeurtenis d.d. 29-7-2019 waarvan al een weergave ervan aan mij is verstrekt. Ik beloof u plechtig dat ik nooit en te nimmer inzage in inhoud van mutaties waaronder persoonsgegevens van verbalisanten (als u ze niet wil weglakken) aan derde(n) zal verlenen." De minister heeft samenvattingen verstrekt van de mutaties van 24 februari 2020 en 22 januari 2023 en uit coulance heeft hij ook een samenvatting gegeven van de mutatie van 2 juni 2020. Andere mutaties zijn er volgens de minister niet. In zijn schriftelijke uiteenzetting heeft de minister [appellant] de mogelijkheid geboden om de desbetreffende mutaties ook fysiek in te zien bij een defensielocatie in de buurt van zijn woonplaats, zodat hij daarvoor niet naar Den Haag hoeft te komen. Bij brief van 3 april 2025 heeft de minister de Afdeling laten weten dat [appellant] van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. In het verslag van de inzage van 14 maart 2025 staat dat [appellant] 1 uur en 25 minuten de tijd heeft gehad om de desbetreffende mutaties in te zien en dat hij zich daarbij aan de voorgeschreven regels heeft gehouden. Gelet op het voorgaande is de minister volledig aan het verzoek van [appellant] tegemoet gekomen en heeft hij kennis kunnen nemen van alle gegevens die over hem in deze documenten worden verwerkt. [appellant] kan dus ook nagaan of deze gegevens rechtmatig zijn verwerkt. De minister hoeft geen afschriften van de mutaties te verstrekken. Dat [appellant] in een andere procedure wel een afschrift van een mutatie heeft ontvangen, doet er niet aan af dat hij daar in deze procedure geen recht op heeft. 7.2. Voor zover [appellant] betoogt dat de minister uitsluitsel moet geven over alle over hem verwerkte gegevens in alle systemen, waaronder volgens [appellant] ook zijn klachtprocedures vallen, volgt de Afdeling hem daarin niet. De minister heeft tijdens de zitting bij de Afdeling toegelicht dat [appellant] verzocht is om zijn verzoek te specificeren. De minister heeft de zoekslag naar aanleiding van het verzoek van 5 mei 2023 gelet op de formulering daarvan en de toelichting in de mailwisseling daarop terecht beperkt tot de mutaties en de documenten die daarmee samenhangen. Zowel het verzoek als de toelichting richten zich immers op een aantal specifieke mutaties. Bij de mutatie van 24 februari 2020 zit ook een document met informatie over CTER-kwalificatie. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat [appellant] ook dat document heeft ingezien. Het betoog slaagt niet. Prejudiciële vragen 8. [appellant] heeft de vraag opgeworpen of de hulpverleningstaak onder de reikwijdte van Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad valt en zo ja, wat onder de hulpverleningstaak verstaan moet worden. [appellant] verzoekt de Afdeling om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Zoals uit het voorgaande volgt, heeft [appellant] verzocht om inzage en heeft hij volledige inzage gekregen. Hij kan binnen deze procedure dus niet meer bereiken dan hij al heeft bereikt. Daaruit volgt dat beantwoording van de door de [appellant] opgeworpen vraag niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden? 9. Artikel 2.14a van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken bepaalt dat de rechtbank uit eigen beweging of op verzoek van een partij kan bepalen dat de zitting geheel of gedeeltelijk online plaatsvindt. In dit geval heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] om digitale deelname afgewezen. De rechtbank heeft kennelijk het belang van fysieke aanwezigheid van [appellant] op de zitting zwaarder laten wegen dan het belang van [appellant] om via een videoverbinding aan de zitting deel te nemen. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank die afweging zo heeft mogen maken. Het betoog slaagt niet. Conclusie 10. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. Verzoek om schadevergoeding 11. [appellant] heeft verzocht om een schadevergoeding van € 2.000,00 toe te kennen wegens de hoge ondraaglijke spanningen, stress en frustratie waar hij onder lijdt als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Uit de bevestiging van de uitspraak van de rechtbank volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot schadevergoeding kan worden uitgesproken. Alleen al daarom zal het verzoek worden afgewezen. Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn 12. [appellant] heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een uitspraak moet zijn gedaan. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. De redelijke termijn voor een procedure is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Die termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2066), onder 10.1. De termijn is in 2023 aangevangen en met de uitspraak van vandaag geëindigd. De totale procedure heeft niet langer dan vier jaar geduurd en de redelijke termijn is dus niet overschreden. De Afdeling wijst het verzoek daarom af. Proceskosten 13. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank; II. wijst het verzoek van [appellant] om schadevergoeding af; III. wijst het verzoek van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af. Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier. w.g. Jurgens lid van de enkelvoudige kamer w.g. Meerman griffier Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026 960

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/144131 · 2026-07-23
