# Rechtbank Den Haag, 01-07-2026 (C/09/693315)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:18172
- Date: 2026-07-01
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A18172
- Canonical: https://overview.legal/posts/144138
- Topics: Public Authority, Certification, Right of Access

## Summary

Partijen hebben een overeenkomst gesloten tot koop en levering van op maat te maken vorkheftrucks. De Staat heeft deze overeenkomst ontbonden, omdat [partij B] zich meermaals niet aan de planning heeft gehouden. De rechtbank is van oordeel dat de ontbinding niet proportioneel was. Wel wijst de rechtbank de door de Staat gevorderde schadevergoeding, boete en teruggave van gereedschappen toe. [partij B] heeft ook schadevergoeding gevorderd, maar die wijst de rechtbank af. Wel moet de Staat de overeenkomst nakomen.

## Full text

RECHTBANK Den Haag Team handel Zaak-/rolnummer: C/09/693315 / HA ZA 25-916 Vonnis van 1 juli 2026 in de zaak van DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN DEFENSIE) te Den Haag, eiser in conventie, verweerder in reconventie, hierna te noemen: de Staat, advocaten: mr. H.J.S.M. Langbroek en mr. D.O. Spelten, tegen [partij B] B.V. te Haarlem, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, hierna te noemen: [partij B] , advocaten: mr. R.G.T. Bleeker en mr. E.M.M. Vendrig. 1 Waar gaat deze zaak over? 1.1. Partijen hebben een overeenkomst gesloten tot koop en levering van op maat te maken vorkheftrucks (hierna: de Overeenkomst). De vorkheftrucks waren bedoeld om een vliegtuig te beladen, met het vliegtuig mee te vliegen naar een locatie en daar het vliegtuig te ontladen. 1.2. De oorspronkelijke planning heeft [partij B] niet gehaald. Ook de planning die was afgesproken bij een addendum bij de Overeenkomst is niet gehaald. Op 28 november 2024 heeft [partij B] een nieuwe planning voorgesteld. De Staat is daarmee akkoord gegaan. 1.3. Bij brief van 6 mei 2025 heeft de Staat de Overeenkomst ontbonden, omdat hij vindt dat [partij B] is tekortgeschoten in de nakoming daarvan door zich ook niet aan de nieuwe planning te houden. [partij B] is het daar niet mee eens. 1.4. De rechtbank is het met de Staat eens dat [partij B] is tekortgeschoten in de nakoming van de Overeenkomst. Naar het oordeel van de rechtbank was de ontbinding van de Overeenkomst echter niet proportioneel. De rechtbank wijst daarom de door de Staat gevorderde verklaring voor recht over de ontbinding af. Wel wijst de rechtbank de door de Staat gevorderde schadevergoeding toe. Ook moet [partij B] een contractuele boete betalen en de gereedschappen van de Staat teruggeven. 1.5. De vorderingen van [partij B] wijst de rechtbank grotendeels af. De Staat is niet tekortgeschoten in de nakoming van de Overeenkomst en dus ook niet aansprakelijk voor de door [partij B] gestelde schade. De Staat moet de Overeenkomst wel nakomen, maar het specifiek door [partij B] gevorderde wijst de rechtbank af. De Staat hoeft ook geen stukken aan [partij B] te verstrekken, nu [partij B] niet heeft gesteld wat haar belang daarbij is. 2 De procedure 2.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 14 oktober 2025, met producties 1 tot en met 44; - de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1A tot en met 9; - de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 45 tot en met 57d; en - de akte houdende overlegging nadere producties van [partij B] , met productie 10. 2.2. Op 18 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van pleitnota’s. Verder hebben partijen vragen van de rechtbank beantwoord. 3 De feiten 3.1. Het ministerie van Defensie had behoefte aan een aantal vorkheftrucks voor het beladen en ontladen van vliegtuigplaten uit een transportvliegtuig en het overslaan van goederen op een vrachtwagen. Defensie heeft een aanbesteding uitgeschreven om deze vorkheftrucks te laten produceren. In het Programma van Eisen (hierna: PvE) is beschreven aan welke (technische) vereisten de vorkheftrucks moesten voldoen. 3.2. [partij B] , die zich bezig houdt met de productie, verkoop en het onderhoud van transportmiddelen, heeft ingeschreven op de aanbesteding. Bij brief van 2 augustus 2023 heeft de Staat [partij B] laten weten dat de overeenkomst aan haar zou worden gegund. 3.3. Partijen hebben op 1 september 2023 de Overeenkomst gesloten. De Overeenkomst was gericht op de levering van drie vorkheftrucks voor ruw terrein en het onderhoud van die vorkheftrucks. Onderdeel van de Overeenkomst was een optie voor de afname van twee extra vorkheftrucks. De eerste vorkheftruck zou worden geleverd op uiterlijk 31 maart 2024. 3.4. Bij e-mail van 18 april 2024 heeft de Staat aan [partij B] geschreven: ‘Ik stel vast dat u de afspraken van 1 februari en 1 april uit de initiële planning niet (volledig) bent nagekomen. U heeft telefonisch aangegeven dat u de afspraken van 3 mei, 13 en 15 mei niet kunt nakomen. Dit kan ik niet accepteren, ik wijs u erop dat VSI de overheidsopdracht onder meer gegund heeft gekregen op “subgunningscriteria 4 levertijd”, daarbij is fictieve korting verleend. De defensieorganisatie heeft intern afspraken gemaakt op grond van de ‘initiële planning’, deze afspraken wil ik niet verzetten. Bij de afdeling Techniek staat een beproeving gepland. Bij de luchtmacht is een team ingepland bij de C130, de Hercules blijft aan de grond staan om de SAT te kunnen ondersteunen en bij Bureau Helikopterlading staat een certificering gepland. Het verzetten van deze afspraken brengt niet alleen kosten met zich mee, maar past niet binnen de planning van de genoemde afdelingen en het hercules team.’ 3.5. Bij e-mail van 13 mei 2024 heeft [partij B] de Staat een aangepaste planning gestuurd. Partijen hebben hierover gesproken op 10 juni 2024, waarna deze planning nog op enkele punten is aangepast. Onderdeel van de herziene planning was dat het projectteam naar Spanje zou afreizen om op 2 juli 2024 de Factory Acceptance Test (hierna: FAT) uit te voeren. 3.6. Bij e-mail van 19 juni 2024 heeft [partij B] de Staat laten weten dat er vertraging was opgetreden omdat een essentieel onderdeel van de vorkheftrucks niet tijdig geleverd was door een van haar leveranciers. Daardoor kon de geplande FAT op 2 juli 2024 geen doorgang vinden. 3.7. In een addendum bij de Overeenkomst hebben partijen op 24 juni 2024 vastgelegd dat de levering van de eerste vorkheftruck op uiterlijk 13 september 2024 zou plaatsvinden. 3.8. Op 9 juli 2024 heeft de Staat [partij B] een aanvullende bestelorder voor twee vorkheftrucks gestuurd. 3.9. Op 22 juli 2024 hebben partijen afgesproken dat de FAT op 9 augustus 2024 in Beverwijk zou plaatsvinden en dat [partij B] op 19 augustus 2024 de vorkheftruck zou afleveren in Eindhoven of Leusden voor de Site Acceptance Test (hierna: SAT). Op 30 juli 2024 heeft [partij B] te kennen gegeven dat de FAT op 9 augustus 2024 niet kon doorgaan vanwege leveringsproblemen. 3.10. Bij e-mail van 21 augustus 2024 heeft de Staat [partij B] laten weten dat de FAT inmiddels vijf keer was verplaatst, dat dit veel capaciteit had gekost, en dat daarom voorlopig geen nieuwe FAT zou worden ingepland. De FAT zou pas ingepland worden zodra de vorkheftruck in Nederland zou zijn aangekomen en de Staat de benodigde documenten zou hebben ontvangen. 3.11. Bij brief van 8 oktober 2024 heeft de Staat [partij B] geschreven dat de overeengekomen leverdatum van 13 september 2024 was verstreken. De Staat heeft verder laten weten dat hij de contractuele boete die [partij B] hem verschuldigd was zou opeisen, aangezien de vorkheftruck nog steeds niet volgens de contractuele voorwaarden was geleverd. 3.12. Bij e-mail van 25 oktober 2024 heeft de Staat [partij B] laten weten dat de door [partij B] voorgestelde werkwijze van het vorkenbord, die van belang was om te kunnen voldoen aan de gewichtseis uit het PvE, door het ministerie van Defensie is geaccepteerd. 3.13. Bij brief van 29 oktober 2024 heeft de Staat [partij B] laten weten dat de contractuele boete, omdat de eerste vorkheftruck nog niet conform de contractuele voorwaarden was geleverd, voorwaardelijk zou worden opgeëist. De Staat heeft daarbij vermeld dat een snelle levering van de vorkheftrucks in ieders belang was. De belangrijkste voorwaarde voor het niet opeisen van de boete was dat [partij B] een herziene en realistische planning zou toesturen. De Staat heeft vermeld welke punten minimaal in de planning moesten worden opgenomen, zoals de uitvoeringsdatum van de FAT. 3.14. Bij brief van 26 november 2024 heeft de Staat aan [partij B] geschreven: ‘Op 11 november 2024 vond een gesprek plaats tussen Defensie van [partij B] B.V. (hierna: Leverancier) naar aanleiding van de brief van 29 oktober 2024 van het ministerie van Defensie waarin Leverancier een voorwaardelijke contractuele boete is opgelegd. Tijdens voornoemde bespreking heeft Defensie laten weten onder welke voorwaarden de bereidheid bestaat om nieuwe afspraken te maken over de inmiddels opeisbaar geworden boetebedragen en eventuele toekomstige boetes. Voor dit doel diende Leverancier uiterlijk maandag 18 november een herziene en – ook voor Defensie – realistische planning per e-mail aan te hebben geleverd. Op zondag 17 november ontvingen we een voorstel voor een nieuwe planning. In uw begeleidende e-mail bij deze planning stelt u een achttal nieuwe voorwaarden voor uitvoering van uw verplichtingen binnen de voorgestelde planning om uitvoering te geven aan het tussen partijen gesloten koop- en leveringsovereenkomst [nummer] . Het aldus koppelen van de uitvoering van de opdracht aan nieuwe, eenzijdig door Leverancier aan Defensie voorgestelde voorwaarden wordt door Defensie niet geaccepteerd. U krijgt hierbij een laatste mogelijkheid om met een realistische en onvoorwaardelijke planning te komen, uiterlijk donderdag 28 november 2024 voor 16.00 uur per e-mail aan te leveren. Mocht een nieuw voorstel opnieuw niet door Defensie als redelijk kunnen worden aangemerkt, zal definitief worden uitgegaan van verzuim van Leverancier ten aanzien van de uitvoering van de opdracht.’ 3.15. Bij e-mail van 28 november 2024 heeft [partij B] een planning naar de Staat gestuurd. Bij e-mail van 17 december 2024 heeft de Staat de planning van 28 november 2024 geaccordeerd. 3.16. Bij e-mail van 19 februari 2025 heeft de Staat aan [partij B] geschreven: ‘Tijdens de test omtrent het heffen is geconstateerd dat de heftruck geen volledige vliegtuigplaat van 10.000lbs van de rollersleaves af kan duwen. Dit is ook niet zo geëist in het PVE maar zorgt wel voor problemen. Hier willen we met jullie een oplossing voor proberen te vinden. Deze oplossingen mogen echter geen gevolgen hebben voor de samen afgesproken planning.-Indien dit mogelijk gevolgen voor de planning oplevert zal hier een separate planning voor moeten worden opgesteld.’ 3.17. Begin 2025 heeft (een deel van) de SAT plaatsgevonden. Op 20 maart 2025 heeft de bij het ministerie van Defensie werkzame Beproevingsleider Technisch Onderzoek de nota ‘Resultaten beproeving Bomaq B80 MP Terrein-Vorkheftruck (8135B)’ opgesteld. Bij e-mail van 20 maart 2025 heeft de Staat deze nota aan [partij B] gestuurd. Verder heeft de Staat in die e-mail geschreven dat de aanpassingen rondom het laden en ontladen van een vliegtuigplaat pas na 25 april 2025 zouden worden opgepakt. 3.18. Bij e-mail van 31 maart 2025 heeft [partij B] de Staat laten weten dat zij de door de Staat gewenste Integrated Logistics Support (hierna: ILS)-documenten niet kon afronden op de door de Staat gewenste data. Bij e-mail van 9 april 2025 heeft [partij B] aan de Staat voorgesteld om de herkeuring SAT te verplaatsen tot na het weekend. 3.19. Bij e-mail van 14 april 2025 heeft de Staat [partij B] te kennen gegeven dat hij op basis van de eerder gemaakte afspraken en de reeds aangepaste planning niet akkoord ging met het verplaatsen van de herkeuring en dat de herkeuring bleef staan op 25 april 2025. 3.20. Bij e-mail van 22 april 2025 heeft de Staat [partij B] laten weten dat, nu de documentatie niet op tijd was ontvangen, de herkeuring op 25 april 2025 niet langer haalbaar was. 3.21. Bij brief van 6 mei 2025 heeft de Staat de Overeenkomst ontbonden. 3.22. Bij brief van 26 mei 2025 heeft de Staat een bedrag van € 93.390 van [partij B] gevorderd, te betalen binnen 30 kalenderdagen. 4 Het geschil In conventie 4.1. De Staat vordert in conventie - samengevat - dat de rechtbank: i) voor recht verklaart dat de Staat de Overeenkomst heeft ontbonden [de rechtbank begrijpt: rechtsgeldig heeft ontbonden]; ii) [partij B] tegen kwijting een bedrag betaalt van € 93.390, te vermeerderen met wettelijke rente [de rechtbank begrijpt: [partij B] veroordeelt tegen kwijting een bedrag van € 93.390, te vermeerderen met wettelijke rente, aan de Staat te betalen]; iii) [partij B] veroordeelt tot teruggave van gereedschappen; een en ander onder veroordeling [de rechtbank begrijpt: van [partij B] ] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met rente, en in de nakosten. 4.2. Aan de vordering in conventie onder (i) legt de Staat ten grondslag dat [partij B] zich telkens niet heeft gehouden aan de op haar rustende verplichtingen die voortvloeiden uit de Overeenkomst. [partij B] heeft op 28 november 2024 een planning gestuurd en de Staat is daarmee akkoord gegaan, maar [partij B] heeft zich (wederom) niet aan deze planning gehouden. [partij B] heeft namelijk op 18 april 2025 in het geheel geen documentatie toegestuurd en heeft aangekondigd dat de herkeuring SAT niet op 25 april 2025 zou kunnen plaatsvinden. 4.3. Aan de vordering in conventie onder (ii) legt de Staat ten eerste ten grondslag dat [partij B] de contractuele boete verschuldigd is door het uitblijven van de levering van de vorkheftrucks. Het gaat om 10% van € 825.000, de koopprijs van drie vorkheftrucks. 4.4. Aan de vordering in conventie onder (ii) legt de Staat ten tweede ten grondslag dat de Staat schade heeft geleden als gevolg van de tekortkoming in de nakoming van de Overeenkomst en de ontbinding ervan. De schade bedraagt € 10.880 en bestaat uit: de schade als gevolg van het (te laat) annuleren van de FAT in Spanje die zou plaatsvinden op 2 juli 2024, waardoor de Staat kosten heeft gemaakt voor vliegtickets naar Spanje, van € 615; en inzet van uren van de projectleider na 13 september 2024, van € 10.275. 4.5. Aan de vordering in conventie onder (iii) legt de Staat ten grondslag dat hij eigenaar is van de bedrijfsmiddelen en daarom, op grond van artikel 5:2 Burgerlijk Wetboek (BW), recht heeft op afgifte daarvan. 4.6. [partij B] voert verweer. 4.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, bij de beoordeling nader ingegaan. In reconventie 4.8. [partij B] vordert in reconventie - samengevat - dat de rechtbank: voor recht verklaart dat de Staat is tekortgeschoten in de nakoming van de Overeenkomst en aansprakelijk is voor de door [partij B] geleden schade; de Staat veroordeelt tot betaling van de door [partij B] gemaakte kosten van € 1.415.67,20 [de rechtbank begrijpt: € 1.415.067,20] en € 89.870, te vermeerderen met omzetbelasting en wettelijke handelsrente; de Staat veroordeelt tot nakoming van de Overeenkomst, in het bijzonder door verstrekking van alle gegevens over de beoordeling tijdens de SAT en door mee te werken aan de benodigde modificaties door verstrekking van opdrachten tot wijziging en afname van de vorkheftrucks na uitvoering van de modificaties; de Staat veroordeelt tot verstrekking van de interne correspondentie over de uitvoering van de Overeenkomst vanaf 1 januari 2024; een en ander onder veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure. 4.9. Aan de vordering in reconventie onder 1 legt [partij B] ten grondslag dat tijdens de uitvoering van de Overeenkomst is gebleken dat enkele eisen uit het PvE - met betrekking tot het gewicht en het laden en ontladen van de vliegtuigplaat - niet of nauwelijks in combinatie met elkaar uitvoerbaar waren. [partij B] heeft de Staat enkele voorstellen gedaan om die problemen op te lossen, maar de Staat heeft daarin geen keuze gemaakt. Verder heeft de Staat zich zelf niet gehouden aan de planning van 28 november 2024 door veel langer over de SAT te doen dan in die planning staat en over de uitkomsten daarvan slechts summier heeft gecommuniceerd. 4.10. Aan de vorderingen in reconventie onder 2 en 3 legt [partij B] - samengevat - ten grondslag dat de Staat de Overeenkomst moet nakomen, zo heeft zij ter zitting desgevraagd toegelicht. Het bedrag van € 1.415.067,20 betreft de koopsom van vijf vorkheftrucks. Het bedrag van € 89.870 betreft de kosten die zijn verbonden aan aanvullende eisen van de Staat en aan de ontstane vertraging. 4.11. De vordering in reconventie onder 4 baseert [partij B] op artikel 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Zij stelt dat zij voldoet aan de vereisten van artikel 194 Rv. Zij is partij bij de rechtsbetrekking. Ook is de verlangde informatie voldoende bepaald, aldus [partij B] . Het gaat om de testrapporten, alle relevante correspondentie, interne en externe rapporten, verslagen, memo’s en adviezen die betrekking hebben op de Overeenkomst vanaf 1 januari 2024. [partij B] vindt dat zij voldoende belang heeft bij het inzageverzoek. Zij wijst erop dat in de nota van 20 maart 2025 staat dat haar een rapport van de SAT zou worden gestuurd. Voor het afbouwen van de vorkheftrucks is de inhoud van dat rapport cruciaal. Ook de (interne) stukken zijn relevant voor de beoordeling van de rechtbank, aldus [partij B] . Tot slot stelt [partij B] dat de Staat beschikt over de gevraagde informatie en verwijst daartoe naar de nota van 20 maart 2025. 4.12. De Staat voert verweer. 4.13. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, bij de beoordeling nader ingegaan. 5 De beoordeling In conventie Verklaring voor recht ontbinding (vordering i) Tekortkoming in de nakoming 5.1. In geschil is of sprake is van een tekortkoming van [partij B] in de nakoming van een van haar verbintenissen. De rechtbank is van oordeel dat daarvan inderdaad sprake is. Daartoe overweegt zij als volgt. 5.2. De rechtbank stelt voorop dat de Staat de Overeenkomst niet heeft ontbonden omdat uit de SAT bleek dat de eerste vorkheftruck nog niet voldeed aan het PvE. De rechtbank gaat daarom voorbij aan wat [partij B] daarover heeft aangevoerd. De tekortkoming waar het hier om gaat is de stelling dat [partij B] op 18 april 2025 geen documentatie heeft toegestuurd en zich daarmee niet hield aan de planning van 28 november 2024. 5.3. Uit de e-mails van 18 april 2024 en 21 augustus 2024 blijkt dat de Staat meerdere malen capaciteit had vrijgemaakt voor bepaalde tussenstappen in de planning en dat er bij de Staat ontevredenheid bestond over de voortgang van het project. Dit laatste blijkt ook uit de brieven van 8 oktober 2024 en 29 oktober 2024. Bij brief van 26 november 2024 heeft de Staat daarom uitdrukkelijk gevraagd om een realistische en onvoorwaardelijke planning. 5.4. [partij B] heeft in antwoord daarop bij e-mail van 28 november 2024 een planning aan de Staat gestuurd, met daarin verschillende tussenstappen. In de planning van 28 november 2024 staat dat [partij B] de finale ILS-documenten en -lijsten moest opleveren in de periode van 24 maart 2025 tot 18 april 2025. Aangezien [partij B] de planning van 28 november 2024 zelf heeft opgesteld, mocht worden verwacht dat zij zich daaraan zou houden. Zeker nu de Staat uitdrukkelijk had gevraagd om een onvoorwaardelijke planning. Aan de planning van 28 november 2024 kon de Staat dus rechten ontlenen. 5.5. [partij B] heeft betoogd dat zij niet onverkort aan deze planning kon worden gehouden, maar dat betoog overtuigt niet. Dat onderaan de e-mail is vermeld dat [partij B] zich alle rechten voorbehoudt, behoefde de Staat niet zo op te vatten dat [partij B] het als haar recht zag om zich niet te houden aan de planning. Het voorbehoud was verder ook niet geconcretiseerd. Ook mocht [partij B] aan de planning niet de status toekennen van een leidraad op basis waarvan het project gezamenlijk zou worden gemanaged. Het ging hier niet om een ‘algemene tijdsplanning’, maar om een precisering van de onderlinge afspraken uit de Overeenkomst. Evenmin was alleen de leverdatum van de eerste vorkheftruck van belang. De planning bevat immers tussenstappen, zoals de Staat bij brief van 29 oktober 2024 had gevraagd. Duidelijk is bovendien dat het voor de Staat belangrijk was wanneer de tussenstappen zouden plaatsvinden, omdat de Staat daarvoor capaciteit moest vrijmaken. 5.6. Van een wijziging van de planning van 28 november 2024 nadien is niet gebleken. Volgens [partij B] heeft zij tijdens een overleg op 7 maart 2025 gezegd dat zij niet aan de planning kon worden gehouden als de Staat opdracht zou geven voor modificaties. Ook heeft zij gewezen op de e-mail van de Staat van 19 februari 2025 waarin staat dat problemen betreffende het afduwen van de vliegtuigplaat mogelijk gevolgen zouden hebben voor de planning. Niet is geschil is echter dat de Staat geen opdracht heeft gegeven voor modificaties wat betreft het afduwen van de vliegtuigplaat. Uit de e-mail van de Staat van 20 maart 2025 blijkt juist dat de Staat dit later pas wilde doen. 5.7. Uit die planning blijkt dat het mogelijk was om de finale ILS-documenten op te leveren, ook al moest de vorkheftruck nog worden aangepast. Volgens deze planning zou immers nog een herkeuring plaatsvinden op 25 april 2025. Tijdens de zitting heeft [partij B] naar voren gebracht dat het dubbel werk zou zijn om de ILS-documenten aan te passen voordat de vorkheftruck af was en vervolgens nog eens wanneer de vorkheftruck af was, maar dit neemt niet weg dat zij zich heeft verbonden om dit te doen. 5.8. Nu de planning van 28 november 2024 niet is gewijzigd en nakoming van de planning mogelijk was, was [partij B] verplicht uiterlijk op 18 april 2025 de finale ILS-documenten op te leveren. [partij B] heeft dit niet gedaan. Zij is dus tekortgeschoten in de nakoming van de Overeenkomst. Proportionaliteit van de ontbinding 5.9. De vraag is vervolgens of deze tekortkoming in de nakoming de ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt. 5.10. Daarbij hecht de rechtbank aan de ene kant waarde aan de relatief geringe betekenis van de tekortkoming op grond waarvan de Staat heeft ontbonden. Weliswaar is de tijdige levering van documentatie van de vorkheftrucks van belang, maar de kern van de Overeenkomst betreft het produceren en leveren van de vorkheftrucks zelf. In die zin is het aanleveren van documentatie niet de kern van de overeenkomst. Dat er al vaker vertragingen aan de zijde van [partij B] zijn geweest en dat dit financiële gevolgen heeft gehad voor de Staat, onderkent de rechtbank. Daarop zal zij ingaan bij de bespreking van de door de Staat gevorderde schadevergoeding en contractuele boete. 5.11. Aan de andere kant hecht de rechtbank waarde aan de gevolgen van de ontbinding voor [partij B] . Partijen zijn gekomen tot de Overeenkomst na een openbare aanbesteding. Op basis van de Overeenkomst hoefde de Staat geen aanbetalingen te doen. De Staat heeft in de periode dat [partij B] aan de vorkheftrucks werkte - van september 2023 tot mei 2025 - geen aanbetalingen gedaan. De financiële gevolgen van een volledige ontbinding zouden dus volledig bij [partij B] terechtkomen. In dit verband acht de rechtbank van belang dat de vorkheftrucks op maat moesten worden gemaakt, volgens de specificaties die de Staat had voorgeschreven en toegesneden op het type vliegtuigen dat de Staat gebruikt. [partij B] kan die dus niet gemakkelijk aan een andere partij verkopen. [partij B] heeft de vorkheftrucks tot op heden ook niet verkocht. 5.12. Nu het gaat om een relatief geringe tekortkoming, die niet kern van de Overeenkomst maar een nevenverplichting betreft, en ontbinding zeer grote gevolgen zou hebben voor [partij B] , is de rechtbank van oordeel dat tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Tussenconclusie 5.13. Het voorgaande betekent dat de Staat de Overeenkomst niet mocht ontbinden. De rechtbank zal de vordering in conventie onder (i) afwijzen. Aan de beoordeling van de overige stellingen en verweren in dit verband wordt niet toegekomen. Betaling € 93.390 met rente vanaf 27 juni 2025 (vordering ii) Contractuele boete 5.14. In artikel 3.2 van de Overeenkomst staat: ‘Indien het Product niet binnen de overeengekomen termijn is geleverd, is Leverancier aan Koper een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd van 0,1% van de prijs van het desbetreffende Product voor elke dag dat deze tekortkoming voortduurt, tot een maximum van 10% daarvan. Indien de Levering anders dan door overmacht blijvend onmogelijk is geworden, is de boete van in totaal 10% van de prijs van het desbetreffende Product onmiddellijk geheel verschuldigd.’ 5.15. De rechtbank stelt voorop dat de gevorderde boete betrekking heeft op de eerste drie vorkheftrucks. Zij gaat daarom voorbij aan het betoog van [partij B] dat zij een voorbehoud heeft gemaakt bij de leveringsdatum van de laatste twee vorkheftrucks. 5.16. Tussen partijen staat vast dat [partij B] de drie vorkheftrucks niet heeft geleverd. [partij B] heeft tijdens de zitting erop gewezen dat de eerste vorkheftruck pas op 2 mei 2025 hoefde te worden opgeleverd. Dit is echter niet relevant, omdat levering op die datum - door het verzuim dat was ontstaan op 18 april 2025 - ook niet heeft plaatsgevonden. De omvang van de boete is door [partij B] niet betwist. De rechtbank zal de gevorderde boete van € 82.500 dan ook toewijzen. Schadevergoeding 5.17. De primaire grondslag voor de gevorderde schadevergoeding is wanprestatie. De rechtbank zal daarom eerst beoordelen of de Staat op grond van artikel 6:74 BW recht heeft op schadevergoeding. 5.18. Niet in geschil is dat [partij B] de (eerste) vorkheftruck niet gereed had voor de FAT op 2 juli 2024, dat zij de Staat daar niet tijdig over heeft geïnformeerd en dat zij niet de eerste vorkheftruck heeft geleverd op 13 september 2024. 5.19. [partij B] betwist ook niet dat zij daartoe gehouden was op grond van de Overeenkomst zoals die tot 17 december 2024 gold, maar zij voert aan dat de Overeenkomst is gewijzigd door de acceptatie van de planning van 28 november 2024. De rechtbank begrijpt dit standpunt zo dat [partij B] betoogt dat haar eerdere verzuim is gezuiverd doordat de Staat haar planning van 28 november 2024 heeft geaccepteerd, zodat zij de eerste vorkheftruck pas op 2 mei 2025 hoefde te leveren. 5.20. Op grond van artikel 6:86 BW kan de schuldeiser na het intreden van het verzuim geboden nakoming weigeren, zolang niet tevens betaling wordt aangeboden van de inmiddels tevens verschuldigd geworden schadevergoeding en van de kosten. [partij B] heeft er terecht op gewezen dat de planning van 28 november 2024 geldt als een aanbod om alsnog behoorlijk na te komen, maar dat aanbod omvatte niet de door [partij B] te vergoeden schade en kosten. Dat de Staat dit aanbod heeft aanvaard betekent niet automatisch dat hij zijn aanspraak op schadevergoeding heeft prijsgegeven. 5.21. [partij B] stelt verder dat de tekortkomingen haar niet kunnen worden toegerekend. Hetgeen zij daarover naar voren brengt, heeft echter betrekking op de situatie begin 2025 en niet op de tekortkomingen die de Staat ten grondslag heeft gelegd aan zijn vordering tot schadevergoeding. De rechtbank gaat daaraan daarom voorbij. 5.22. Er is dus sprake van een toerekenbare tekortkoming als gevolg waarvan de Staat schade heeft geleden. De gestelde schadeposten zijn niet betwist. De rechtbank zal de gevorderde schadevergoeding van (€ 615 + € 10.275 =) € 10.890 daarom toewijzen. Aan de subsidiaire grondslag voor de gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet toe. Tussenconclusie 5.23. Zoals blijkt uit het voorgaande, zal de rechtbank de vordering in conventie onder (ii) toewijzen. Zij zal de wettelijke rente toekennen zoals gevorderd. Teruggave (vordering in conventie onder iii) 5.24. [partij B] heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering tot teruggave van gereedschappen. De rechtbank zal de vordering in conventie onder (iii), die zij voldoende onderbouwd acht, toewijzen. Proceskosten 5.25. Partijen zijn in conventie over en weer op enig punt in het (on)gelijk gesteld. De rechtbank ziet hierin reden om te bepalen dat elk van partijen de eigen proceskosten draagt. In reconventie Verklaring voor recht tekortschieten en aansprakelijkheid (vordering 1) 5.26. In geschil is of sprake is van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis van de Staat. [partij B] heeft op drie aspecten gewezen. Het betreft het gewicht van de vorkheftruck, het niet kunnen afduwen van de vliegtuigplaat en het rapporteren over de SAT. Gewicht 5.27. De rechtbank begrijpt dat [partij B] stelt dat de Staat op grond van de Overeenkomst gehouden was tot handelingen waardoor de vorkheftruck aan de gewichtseis uit het PvE kon voldoen. De rechtbank is van oordeel dat [partij B] onvoldoende heeft onderbouwd dat deze handelingen, voor zover de Staat daartoe al gehouden zou zijn, niet of niet tijdig zijn verricht. [partij B] stelt zelf dat de vorkheftruck door een afneembaar vorkenbord aan de gewichtseis uit het PvE kan voldoen en dat de Staat daarmee akkoord was. Dit laatste blijkt ook uit de e-mail van de Staat van 25 oktober 2024. Vliegtuigplaat 5.28. Niet in geschil is dat de Staat heeft toegezegd dat hij een opdracht zou geven voor een modificatie. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onderdeel geworden van de Overeenkomst. De Staat heeft bij e-mail van 20 maart 2025 laten weten dat hij de aanpassingen rondom het laden en ontladen van een vliegtuigplaat na 25 april 2025 zou oppakken. Partijen hebben geen datum afgesproken waarop de Staat dit zou doen. Nu [partij B] niet op 18 april 2025 documentatie heeft opgeleverd en in verzuim is geraakt, kon niet redelijkerwijs van de Staat worden verwacht om desondanks een opdracht voor modificatie te geven. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat de Staat is tekortgeschoten op dit punt. Planning / rapporteren SAT 5.29. De stelling dat de Staat zich niet heeft gehouden aan de planning van 28 november 2024 door veel langer over de SAT te doen, kan de rechtbank niet volgen. In deze planning staat niet dat de SAT op 20 januari 2025 af moest zijn, maar dat de SAT zou starten op 20 januari 2025 en zou eindigen op 21 maart 2025. De Staat heeft op 20 maart 2025 een nota opgemaakt van de SAT en deze op dezelfde dag naar [partij B] gestuurd. De stelling dat de Staat daarmee gebrekkig heeft gerapporteerd, heeft [partij B] onvoldoende onderbouwd. Zij heeft tijdens de zitting verklaard dat het rapport van de SAT, dat de Staat in deze procedure heeft overgelegd, veel nauwkeuriger is dan de nota en de e-mail van 20 maart 2025. Daardoor kan niet worden gezegd dat de Staat gebrekkig heeft gerapporteerd in die zin, dat [partij B] niet in staat was de vorkheftruck en de documentatie aan te passen naar aanleiding van de nota en de e-mail van 20 maart 2025. Tussenconclusie 5.30. Gelet op het voorgaande, is geen sprake van een tekortkoming in de nakoming van de Overeenkomst door de Staat. De Staat is dan ook niet gehouden de door [partij B] gestelde schade te vergoeden. De rechtbank zal de vordering in reconventie onder 1 afwijzen. Aan de beoordeling van de overige stellingen en verweren in dit verband wordt niet toegekomen. Nakoming (vorderingen 2 en 3) Nakoming algemeen 5.31. Omdat de Staat, zoals volgt uit wat in conventie is overwogen, de Overeenkomst niet rechtsgeldig heeft ontbonden, zijn partijen nog daaraan gebonden. Partijen moeten dus in beginsel hun wederzijdse verplichtingen op grond van de Overeenkomst nakomen. In zoverre zal de rechtbank de vordering in reconventie onder 3 toewijzen. Betaling € 1.415.067,20 5.32. Nu partijen gebonden zijn aan de Overeenkomst, heeft [partij B] in beginsel recht op nakoming van de betalingsverplichting die rust op de Staat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij B] echter niet voldaan aan haar stelplicht wat betreft de betaling van de vorkheftrucks. Tijdens de zitting heeft [partij B] desgevraagd bevestigd dat de verbintenis tot betaling nog niet opeisbaar is en dat zij een veroordeling tot nakoming onder voorwaarden zou accepteren. [partij B] heeft echter niet geconcretiseerd onder welke voorwaarden de rechtbank de vordering zou moeten toewijzen. De rechtbank zal de vordering in reconventie onder 2 dan ook in zoverre afwijzen. Betaling € 89.870 5.33. [partij B] heeft ter onderbouwing van het bedrag van € 89.870 een document overgelegd waarin drie posten staan: ‘extra werk Bomaq’, ‘Extra kosten [partij B] (niet in verkoopprijs)’ en ‘Extra kosten/uren project’. Hiermee heeft [partij B] naar het oordeel van de rechtbank niet aan haar stelplicht voldaan. Zonder nadere toelichting is niet duidelijk waarom de Staat gehouden zou zijn deze kosten te betalen. De rechtbank zal de vordering in reconventie onder 2 daarom ook in zoverre afwijzen. Verstrekking alle gegevens SAT 5.34. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij B] ook niet voldaan aan haar stelplicht wat betreft de verstrekking van alle gegevens omtrent de uitgevoerde SAT. [partij B] heeft niet geconcretiseerd op basis van welk onderdeel van de Overeenkomst de Staat hiertoe gehouden zou zijn. Weliswaar blijkt uit de planning van 28 november 2024 dat de SAT moest plaatsvinden van 20 januari 2025 tot en met 21 maart 2025 en kan hieruit worden afgeleid dat de Staat hierover moest rapporteren, maar dit wil nog niet zeggen dat de Staat alle gegevens over de SAT moest verstrekken. [partij B] heeft bovendien niet geconcretiseerd om welke gegevens het gaat, behalve het rapport over de SAT en daarover beschikt zij inmiddels. De rechtbank zal de vordering in reconventie onder 3 in zoverre afwijzen. Meewerken aan benodigde modificaties door verstrekking van opdrachten tot wijziging 5.35. Zoals is overwogen onder 5.28, is niet in geschil dat de Staat heeft toegezegd dat hij een opdracht zou geven voor een modificatie. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onderdeel geworden van de Overeenkomst. De Staat is dan ook gehouden een opdracht te geven voor een modificatie die betrekking heeft op het kunnen afduwen van de vliegtuigplaat. [partij B] heeft echter niet geconcretiseerd welke modificaties benodigd zijn. De vordering in reconventie onder 3 is in zoverre te onbepaald en zal deze worden afgewezen. Afname vorkheftrucks na uitvoering modificaties 5.36. Niet in geschil is dat [partij B] op grond van de Overeenkomst gehouden is de vorkheftrucks aan de Staat te leveren nadat [partij B] modificaties heeft uitgevoerd waarvoor de Staat een opdracht heeft gegeven. Daaruit volgt dat de Staat gehouden is de vorkheftrucks af te nemen. Zoals hierboven is overwogen, heeft [partij B] niet geconcretiseerd welke modificaties benodigd zijn. Als gevolg daarvan is de vordering in reconventie onder 3 ook in zoverre te onbepaald en zal deze worden afgewezen. Verstrekking interne correspondentie (vordering 4) 5.37. Blijkens het petitum in de dagvaarding heeft de vordering in reconventie onder 4 alleen betrekking op interne correspondentie. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de andere gegevens die [partij B] in de dagvaarding heeft genoemd en waarop haar verzoek op grond van de Wet open overheid kennelijk ziet. 5.38. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij B] onvoldoende gesteld welk belang zij heeft bij verstrekking van de interne correspondentie over de uitvoering van de Overeenkomst vanaf 1 januari 2024. Hetgeen [partij B] stelt over haar belang heeft geen betrekking op deze gegevens maar op het rapport over de SAT, waarover [partij B] inmiddels beschikt. Voor zover [partij B] meent dat zij gegevens nodig heeft om verweer te voeren tegen de ontbinding van de Overeenkomst door de Staat, heeft ze daar geen belang meer bij omdat in dit vonnis al is geoordeeld dat de ontbinding disproportioneel is. De rechtbank zal de vordering in reconventie onder 4 afwijzen. Proceskosten 5.39. [partij B] is in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op: salaris advocaat € 8.722 (2 x € 4.631, tarief VIII) nakosten € 189 Totaal € 8.911 5.40. De over de proceskosten gevorderde rente zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing opgenomen. 6 De beslissing De rechtbank: in conventie 6.1. veroordeelt [partij B] tegen kwijting een bedrag van € 93.390 aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; 6.2. veroordeelt [partij B] tot teruggave van de in productie 42 van de Staat genoemde gereedschappen; 6.3. compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt; in reconventie 6.4. veroordeelt de Staat tot nakoming van de Overeenkomst; 6.5. veroordeelt [partij B] in de proceskosten van de Staat van € 8.911, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend; 6.6. veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe zijn betaald; in conventie en in reconventie 6.7. verklaart dit vonnis wat betreft 6.1, 6.2, 6.4, 6.5 en 6.6 uitvoerbaar bij voorraad; 6.8. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Sturm en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026. type: 3053 Zie Hoge Raad 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2255, r.o. 3.4.3.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/144138 · 2026-07-23
