# Rechtbank Rotterdam, 25-06-2026 (ROT 26/3970)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Rotterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBROT:2026:7482
- Date: 2026-06-25
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBROT%3A2026%3A7482
- Canonical: https://overview.legal/posts/144148
- Topics: Personal Data, Confidentiality Obligations and Requirements, Public Authority

## Summary

Verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster wil niet dat informatie over haar bedrijf openbaar wordt gemaakt in het kader van een Woo-verzoek. Er is onduidelijkheid over de vraag welke gegevens vallen onder artikel 12 van het Douanewetboek van de Unie. Daarnaast staat er nog een persoonsgegeven in de stukken die de staatssecretaris openbaar wil maken. Het verzoek wordt toegewezen in het kader van de belangenafweging.

## Full text

RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 26/3970 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam verzoekster] , uit [plaats 1] , verzoekster (gemachtigden: mr. A. Danopoulos en mr. T. Vlug), en de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (gemachtigde: mr. O.K.N. Kumar). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [persoon A] uit [plaats 2] . Inleiding 1. De derde-partij heeft op 18 april 2025 aan de staatssecretaris gevraagd om openbaarmaking van (kort gezegd) beschikbare gegevens over hemzelf en zijn bedrijven. Met het besluit van 14 oktober 2025 heeft de staatssecretaris besloten tot gedeeltelijke openbaarmaking van een aantal documenten die zien op verzoekster. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 30 maart 2026 heeft de staatssecretaris het bezwaar (deels) gegrond verklaard. De staatssecretaris wil echter nog steeds een deel van de documenten over verzoekster openbaar maken. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. 2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. T. Vlug (de gemachtigde van verzoekster) en de derde-partij (telefonisch). De staatssecretaris heeft zich afgemeld voor de zitting. 3. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat het in deze zaak om? 4. De staatssecretaris wil bepaalde documenten die zien op verzoekster openbaar maken op grond van de Wet open overheid (Woo), met uitzondering van (1) de persoonsgegevens die daarin staan en (2) vertrouwelijke informatie die de douane heeft verkregen tijdens de uitoefening van haar taken . Verzoekster wil dat de documenten niet openbaar worden gemaakt en heeft hiervoor meerdere gronden aangevoerd. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe 5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 6. Een voorlopige voorzieningenprocedure is een spoedprocedure. Deze procedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Om een voorlopige maatregel te kunnen treffen, moet er sprake zijn van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter moet dus eerst beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter stelt vast dat als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, de gevraagde documenten openbaar worden gemaakt. Dit is onomkeerbaar en dan heeft de beroepszaak van verzoekster tegen openbaarmaking van die documenten ook geen zin meer. Daarmee heeft verzoekster voldoende spoedeisend belang bij het verzoek. 7. Verzoekster voert aan dat haar bezwaar gedeeltelijk gegrond is verklaard en dat dit heeft geleid tot aanpassing van de documenten. Het is voor verzoekster echter niet inzichtelijk welke aanpassingen zijn doorgevoerd, omdat zij geen aangepaste versie heeft ontvangen van de stukken die de staatssecretaris openbaar wil maken. Omdat verzoekster geen aangepaste versie van de documenten heeft ontvangen, is voor haar ook niet controleerbaar of de staatssecretaris artikel 12 van het DWU juist heeft toegepast. Verzoekster vindt dat het bestreden besluit op dit punt onduidelijk is, omdat daarin – over dezelfde stukken – wordt vermeld dat ze in het geheel niet openbaar worden gemaakt dan wel dat slechts enkele passages onleesbaar worden gemaakt. Die onduidelijkheid is er ook bij de voorzieningenrechter. Daar komt bij dat de voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de staatssecretaris met toepassing van artikel 12 van het DWU bepaalde nummers in sommige documenten openbaar wenst te maken terwijl diezelfde nummers in andere documenten onleesbaar zijn gemaakt. In de brief van 13 mei 2026 heeft de staatssecretaris aangekondigd dat over de beoordeling van artikel 12 van het DWU nog verweer zou worden gevoerd. Er is echter geen verweerschrift ingediend en de staatssecretaris heeft zich afgemeld voor de zitting wegens verhindering. De staatssecretaris heeft de onduidelijkheid dus niet weggenomen. 8. Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat openbaarmaking van persoonsgegevens onderwerp was van geschil in de bezwaarprocedure. De staatssecretaris heeft in het bestreden besluit overwogen dat in één document een bepaald persoonsgegeven alsnog onleesbaar is gemaakt. Het is de voorzieningenrechter echter opgevallen dat in de stukken in ieder geval nóg een persoonsgegeven zichtbaar is. 9. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek vervolgens aan de hand van een belangenafweging. De derde-partij (de Woo-verzoeker) heeft er belang bij om de door hem gevraagde stukken zo snel mogelijk te krijgen. Het belang van verzoekster weegt echter zwaarder, omdat voorkomen moet worden dat stukken openbaar gemaakt worden die (achteraf) niet openbaar gemaakt hadden mogen worden. Dit kan namelijk niet meer worden teruggedraaid. 10. Hoe nu verder? Verzoekster heeft tijdens de zitting verklaard dat niet alle (307) documenten waarop het bestreden besluit ziet, over verzoekster gaan. Het is dus mogelijk dat sommige stukken wel openbaar gemaakt kunnen worden voordat uitspraak op het beroep wordt gedaan. Daarnaast is het aan de staatssecretaris om verzoekster een aangepaste versie te verstrekken van de documenten die zij openbaar wil maken. Aan de hand daarvan kan verzoekster beoordelen of er aan haar zijde nog bezwaren bestaan om de stukken openbaar te maken. Mogelijk hoeft de beroepsprocedure dan geen doorgang meer te vinden. Ook heeft verzoekster voorgesteld om haar naam te wissen uit de stukken, omdat het de derde-partij alleen lijkt te gaan om de communicatie vanuit verweerder naar rederijen en de naam van verzoekster daarin geen toegevoegde waarde lijkt te hebben. Dit zijn punten die tijdens de beroepsprocedure nog aan de orde kunnen komen. Conclusie en gevolgen 11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken na bekendmaking van de uitspraak op het beroep. 12. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de staatssecretaris het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarnaast krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. 13. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep openstaat. Beslissing De voorzieningenrechter: schorst het bestreden besluit tot twee weken na de bekendmaking van de uitspraak op het beroep; bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden; veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026 door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. de griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 12, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 952/2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (artikel 12 van het DWU).

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/144148 · 2026-07-23
