# Rechtbank Amsterdam, 15-06-2026 (C/13/786849 / KG ZA 26-325)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:7202
- Date: 2026-06-15
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A7202
- Canonical: https://overview.legal/posts/144150
- Topics: Representatives, Consent, Meaningful Human Review and Decision-Making, Personal Data

## Summary

Kort geding, gevorderd verbod om bankrelatie te beëindigen en om gegevens op te nemen in het IVR is afgewezen.

## Full text

RECHTBANK Amsterdam Civiel recht, voorzieningenrechter Zaaknummer: C/13/786849 / KG ZA 26-325 NB/JT Vonnis in kort geding van 15 juni 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] B.V., te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: [eiser 1] , 2. [eiser 2] , te [woonplaats] , hierna te noemen: [eiser 2] , eisende partijen bij conceptdagvaarding van 23 april 2026, hierna samen te noemen: [eisers] , advocaat: mr. R.M. van der Zwan, tegen ING BANK N.V. , te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: ING, vrijwillig verschenen, advocaat: mr. M.A. de Vries. 1 De procedure 1.1. Tijdens de mondelinge behandeling op 28 mei 2026 hebben [eisers] de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. ING heeft mede aan de hand van een op voorhand ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties en een pleitnota ingediend. Vonnis is aanvankelijk bepaald op 11 juni 2026. 1.2. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig: - aan de kant van [eisers] : [naam 1] (extern consultant) met mr. Van der Zwan; - aan de kant van ING: [naam 2] (analist) en [naam 3] (bedrijfsjurist) met mr. De Vries. 1.3. Op 10 juni 2026 heeft mr. Van der Zwan namens [eisers] met toestemming van mr. De Vries de op 5 en 9 juni 2026 tussen hen gevoerde correspondentie in het geding gebracht. Daaruit blijkt dat [eisers] wensen dat de uitspraak in dit kort geding wordt aangehouden en dat ING wenst dat vonnis wordt gewezen. 1.4. Vervolgens is bij bericht van 11 juni 2026 aan de advocaten van partijen bericht dat op 15 juni 2026 vonnis wordt gewezen. 2. De feiten 2.1. [eiser 1] is actief als verhuurder van onroerend goed (niet zijnde woningruimte). Daarnaast handelt [eiser 1] in eigen onroerend goed en bemiddelt zij bij de handel in en de huur of de verhuur van onroerend goed. Bestuurder en wettelijk vertegenwoordiger van [eiser 1] is [eiser 2] . 2.2. ING is onder meer een bank en betaaldienstverlener en verricht betaaldiensten voor [eiser 1] . [eiser 1] houdt bij ING een zakelijke betaalrekening aan met [IBAN-nummer] . 2.3. Op de klantrelatie tussen ING en [eiser 1] zijn, naast product specifieke voorwaarden, de Algemene Bankvoorwaarden (hierna: ABV) van toepassing. Uit de artikelen 2 lid 2, 3, 7 en 14 ABV volgt dat [eiser 1] verplicht is om de informatie aan ING te verstrekken die ING nodig heeft. Artikel 35 ABV geeft aan beide partijen een (ongeclausuleerd) opzeggingsrecht om de gehele bancaire relatie te beëindigen. 2.4. ING heeft in de periode juni 2025 tot en met september 2025 een (periodiek) klantonderzoek uitgevoerd naar [eiser 1] op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft). 2.5. Op 12 juni 2025 deed ING in het kader van dit klantonderzoek een eerste informatieverzoek dat allereerst zag op twee bijschrijvingen van € 497.000 en € 250.000 die [eiser 1] op 3 juni 2021 respectievelijk 11 juni 2021 van [bedrijf 1] BV. (hierna: [bedrijf 1] ) - dat destijds behoorde tot hetzelfde concern als [eiser 1] - had ontvangen. ING had eerder vastgesteld dat [eiser 1] deze gelden heeft aangewend voor de aankoop van een vastgoedobject aan de [adres] in [plaats] (hierna: het vastgoedobject), terwijl uit bepaalde berichtgeving in de media bleek (twee artikelen van onderzoeksplatform Follow the Money) dat het vastgoedobject mogelijk is aangekocht met NOW subsidiegelden. In de brief van 12 juni 2025 heeft ING ten aanzien van de girale transacties voor zover hier van belang het volgende van [eiser 1] gevraagd: “9.Graag ontvangen we een uitgebreide toelichting waaruit de herkomst blijkt van het vermogen dat is ontvangen van [bedrijf 1] BV. 10.We vragen u uw antwoord bij vraag 9 te onderbouwen met schriftelijke bewijsstukken waaruit de herkomst blijkt van het vermogen dat is ontvangen van [bedrijf 1] BV. Denkt u hierbij aan kopie van (bank)afschriften, contracten, overeenkomsten, of andere documentatie waaruit de herkomst van het ontvangen vermogen blijkt van [bedrijf 1] BV.” Het informatieverzoek zag ten tweede op een contante storting van in totaal € 11.500 op 3 maart 2020. In de brief van 12 juni 2025 heeft ING ten aanzien van de contante transacties voor zover hier van belang het volgende van [eiser 1] gevraagd: “15.We vragen u uw antwoorden te onderbouwen met schriftelijke bewijsstukken waaruit de herkomst van de contant gestorte gelden blijkt. Denkt u hierbij aan een kopie van facturen, afschriften, overeenkomsten, kwitanties, documentatie van of correspondentie over het geleverde en de betaling daarvan. 16.Tevens ontvangen we graag de volgende documenten: -Een kopie van het kasboek over de periode die correspondeert met de eerder weergeven contante stortingen. -Een kopie van het meest recente jaarverslag en de meest recente jaarrekening. -Een kopie van de aangiftes omzetbelasting (BTW) en vennootschapsbelasting van het laatste boekjaar.” 2.6. Aangezien enige reactie van [eiser 1] uitbleef, heeft ING op 19 juni 2025, en vervolgens nog een keer op 26 juni 2025, een reminder gestuurd. Gelijktijdig met de tweede reminder heeft ING erop gewezen wat de gevolgen zijn als [eiser 1] niet reageert op het informatieverzoek van ING. 2.7. Op 9 juli 2025 heeft [eisers] gereageerd op het informatieverzoek van 12 juni 2025. Naar aanleiding van deze reactie heeft ING op 22 juli 2025 een aanvullend informatieverzoek aan [eiser 1] gestuurd. Daarin heeft ING [eiser 1] onder meer verzocht om alsnog schriftelijke bewijsstukken te verstrekken waaruit de exacte herkomst blijkt van het vermogen dat zij op 3 en 11 juni 2021 van [bedrijf 1] heeft ontvangen. Daarnaast heeft ING verzocht nader toe te lichten waaruit blijkt van welke huurder de contante gelden, die volgens [eiser 1] zijn verkregen in verband met een huurachterstand, zijn ontvangen. 2.8. Aangezien in eerste instantie wederom niet door [eiser 1] werd gereageerd heeft ING op 7 augustus 2025 een reminder gestuurd en [eiser 1] erop gewezen dat haar rekening wordt geblokkeerd als enige reactie uit zou blijven. Aangezien ook daarop geen reactie van [eiser 1] was gekomen, achtte ING zich genoodzaakt om [eiser 1] op 19 augustus 2025 te laten weten dat haar rekening wordt geblokkeerd. 2.9. Op 20 augustus 2025 reageerde [eiser 1] alsnog op het aanvullende informatieverzoek van 22 juli 2025. In reactie daarop heeft ING op 29 augustus 2025 opnieuw aanvullende vragen gesteld, omdat zij nog altijd onvoldoende zicht had op de herkomst van het geld waarmee het vastgoedobject is aangekocht, alsmede op de herkomst van de gestorte contante gelden. 2.10. Bij brief van 10 september 2025 heeft ING de bankrelatie met [eiser 1] per 10 december 2025 opgezegd een meegedeeld dat de (persoons)gegevens van [eiser 1] en [eiser 2] in het IVR zullen worden opgenomen. Daartoe heeft ING in die brief voor zover hier van belang het volgende geschreven: “ Onderzoek en bevindingen Per brieven d.d. 12 juni 2025, 19 juni 2025, 26 juni 2025, 22 juli 2025, 7 augustus 2025 en 19 augustus 2025 hebben we u, naar aanleiding van berichtgeving in de media, vragen gesteld inzake de bijschrijvingen vanuit [bedrijf 1] BV. Daarnaast hebben we u vragen gesteld over de contante storting die plaatsvond op uw Zakelijke rekening. Deze vragen hebben we gesteld om meer inzicht te krijgen in het transactieverloop op uw Zakelijke rekening. Per schrijven d.d. 9 juli 2025 en 20 augustus 2025 heeft u inhoudelijk gereageerd op bovengenoemde informatieverzoeken. Aan de hand van eigen onderzoek door ING, en de door u opgegeven antwoorden met de daarbij behorende bewijsstukken, concluderen we het volgende: 1) In onze informatieverzoeken hebben wij u nadrukkelijk verzocht om schriftelijke bewijsstukken aan te leveren, zoals kopieën van (bank)afschriften van de ABN-rekening van [bedrijf 1] BV, waaruit de exacte herkomst blijkt van het vermogen dat op respectievelijk 3 juni 2021 en 11 juni 2021 is ontvangen van [bedrijf 1] BV. Aan dit verzoek heeft u echter geen gehoor gegeven. Zonder deze bankafschriften kunnen wij de oorspronkelijke herkomst van het ontvangen vermogen niet achterhalen. Hierdoor zijn wij op dit moment niet in staat om uw verklaringen te verifiëren. 2) Uw verklaringen, in combinatie met de door u aangeleverde stukken, bieden op dit moment onvoldoende onderbouwing om te kunnen beoordelen dat de NOW-gelden rechtmatig zijn verkregen. Het door u aangeleverde jaarverslag van [bedrijf 2] BV ziet uitsluitend toe op de boekjaren 2018 en 2019 en biedt daarmee geen inzicht in de financiële situatie gedurende de relevante periode waarin de NOW-steun is ontvangen. We concluderen dan ook dat u tot op heden onvoldoende heeft onderbouwd dat de NOW-gelden rechtmatig zijn verkregen. Het ontbreken van schriftelijke bewijsstukken, zoals de jaarrekeningen over de boekjaren 2020 en 2021, maakt dat we op dit moment niet in staat zijn om te beoordelen of er daadwerkelijk sprake was van een tekort dat de ontvangen NOW-steun rechtvaardigt. 3) In uw verklaringen geeft u nadrukkelijk aan dat de gestorte gelden afkomstig zijn van een horecaondernemer. De aangeleverde huurovereenkomst vermeldt [bedrijf 3] met KvK-nummer [KvK-nummer] als huurder. Uit informatie van de Kamer van Koophandel blijkt echter dat onder dit KvK- nummer een andere onderneming staat ingeschreven, namelijk [bedrijf 4] . Daarnaast blijkt uit dezelfde bron dat [bedrijf 3] pas op 21 oktober 2021 is opgericht. Hierdoor kunnen wij de herkomst van de contante storting in 2019 niet plaatsen of verifiëren. Tevens wordt uit uw verklaringen niet duidelijk over welke maanden van 2019 de huur contant is voldaan. Hierdoor kunnen we de herkomst van de door u contant gestorte gelden op 3 maart 2020 onvoldoende verifiëren. Per brief d.d. 29 augustus 2025 hebben we u een laatste keer in de gelegenheid gesteld om te reageren op onze bevindingen. U heeft echter niet gereageerd. Hierdoor kunnen we onvoldoende inhoud geven aan onze wettelijke taken inzake het cliëntonderzoek, op grond van de Wet op het financieel toezicht en de in de Wetter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Opzegging van de bankrelatie Om bovenstaande redenen hebben we besloten om de bankrelatie met u te beëindigen. ING is op grond van artikel 5 lid 3 Wwft gehouden de bankrelatie te beëindigen. De bevoegdheid tot opzegging van de bankrelatie ontlenen we aan artikel 35 van de Algemene Bankvoorwaarden. We houden een opzegtermijn van 3 maanden aan.” 2.11. Bij e-mail van 23 september 2025 heeft [eiser 1] bezwaar gemaakt tegen het besluit van ING om de bancaire relatie te beëindigen. In die brief heeft [eiser 1] heeft zij gereageerd op de bevindingen van ING en meegedeeld dat zij ervan uitgaat dat de opzegging waarschijnlijk op een misverstand berust. Bij de e-mail heeft zij als bijlagen een aantal onderbouwende stukken meegezonden. 2.12. Bij brief van 3 oktober 2025 heeft ING gereageerd op de e-mail van 23 september 2025. In die brief staat voor zover hier van belang het volgende. ING heeft nog altijd geen kopieën van de (bank)afschriften van de ABN-rekening van [bedrijf 1] ontvangen terwijl ING daar al 3,5 maand geleden voor het eerst om heeft verzocht. ING heeft vast kunnen stellen dat van het totaal ontvangen bedrag aan NOW-subsidie van € 8,8 miljoen, een bedrag van circa € 4 miljoen is verantwoord maar dat zij nog altijd geen stukken heeft ontvangen waaruit de rechtmatigheid blijkt van het resterende bedrag van circa € 4,8 miljoen. Tot slot heeft ING geconcludeerd dat het nog steeds onduidelijk is van welke huurder de contante gelden zijn ontvangen. Op 15 oktober 2025 heeft ING deze brief nogmaals aan [eiser 1] doen toekomen en haar een termijn tot 22 oktober 2025 gegeven om onderbouwd met schriftelijke bewijsstukken te reageren op de brief van 3 oktober 2025. 2.13. Bij e-mail van 21 oktober 2026 heeft [eiser 1] inhoudelijk gereageerd op de brief van 3 oktober 2025. Daarbij heeft [eiser 1] als bijlage meegezonden rekeningafschriften van [bedrijf 1] van eind 2019 en begin 2020. [eiser 1] heeft meegedeeld dat zij nog niet beschikte over de rekeningafschriften over 2021 omdat zij die nog niet van ABN AMRO Bank had ontvangen in verband met verblijf van [eiser 2] in Turkije. 2.14. Bij brief van 31 oktober 2026 heeft ING gereageerd op de e-mail van 21 oktober 2025. In die brief staat voor zover hier van belang het volgende. Uit de aangeleverde bankafschriften van de ABN-rekening van [bedrijf 1] over de periode eind 2019 tot begin 2020 kan niet worden opgemaakt wat de herkomst is van het vermogen dat door [eiser 1] op 3 en 11 juni 2021 van de ABN-rekening van [bedrijf 1] is ontvangen. ING vraagt zich af waarom wel bankafschriften zijn verstrekt over de jaren 2019 en 2020, maar niet over het jaar 2021. De ontvangen NOW-subsidies zijn niet op correcte wijze verwerkt in de aangeleverde jaarrekeningen. De aangeleverde jaarrekeningen bieden onvoldoende onderbouwing dat de NOW-gelden rechtmatig zijn verkregen. ING kan de verklaring van [eiser 1] met betrekking tot de gestorte contante gelden niet volgen en zij heeft nog steeds geen huurovereenkomst ontvangen die een grondslag biedt om de herkomst van de contante storting in 2020 te verifiëren. De ontvangen huurovereenkomst is pas op 1 januari 2024 aangegaan. ING handhaaft ten slotte vervolgens haar eerdere beslissing en deelt mee dat de klantrelatie met [eiser 1] per 31 januari 2025 definitief wordt beëindigd. 2.15. Bij brief van 10 december 2025 heeft de advocaat van [eisers] inhoudelijk bezwaar gemaakt en ING verzocht om haar besluit te herzien en alsnog de bankrelatie met [eiser 1] te continueren. 2.16. Bij brief van 16 maart 2026 heeft ING gereageerd op de brief van 10 december 2025. In die brief staat voor zover hier van belang het volgende. De door ING geconstateerde risico's zijn nog altijd niet gemitigeerd en zij laat haar eerdere besluit in stand. Ondanks herhaalde verzoeken heeft ING nog steeds geen inzage verkregen in de herkomst van de gelden die [eiser 1] van (voormalig) zustermaatschappij [bedrijf 1] heeft ontvangen, nu de gevraagde bankafschriften over 2021 niet zijn verstrekt. De stelling van [eiser 1] dat deze stukken wegens verblijf van [eiser 2] in het buitenland niet bij ABN AMRO Bank konden worden opgevraagd, is voor ING niet verifieerbaar en maakt de conclusie dat ING tot op heden geen inzage heeft in de herkomst van de gelden afkomstig van [bedrijf 1] niet anders. Ook heeft ING nog steeds geen documentatie ontvangen waaruit de herkomst van de contante storting blijkt. ING deelt ten slotte mee dat de bancaire relatie met [eiser 1] per 16 juni 2026 zal worden beëindigd. 3 Het geschil 3.1. [eisers] vorderen om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis: I. ING te verbieden in de dagvaarding genoemde bankrekeningovereenkomst op te zeggen, te beëindigen of te blokkeren en de gegevens van [eiser 1] en haar wettelijke vertegenwoordiger [eiser 2] in het Interne Verwijzingsregister (IVR) op te nemen totdat de bodemrechter heeft beslist dat ING daar wel toe gerechtigd is; II. ING te veroordelen in de proceskosten van het geding, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [eisers] stellen daartoe samengevat het volgende. [eiser 1] betwist dat de bankrekeningovereenkomst met een beroep op artikel 35 ABV mag worden opgezegd. Artikel 35 ABV is te ruim geformuleerd. ING heeft haar zorgplicht niet nageleefd. [eiser 1] betwist dat zij een onacceptabel risico vormt. Niet valt in te zien waarom ING haar onderzoek niet zou kunnen afronden. De betreffende berichtgeving is grotendeels onjuist en ongenuanceerd en er is een gerechtelijke procedure tegen Follow the Money aanhangig gemaakt. De bewijslast van het bestaan van een onacceptabel risico ligt bij ING. Alleen de lege term onacceptabel risico en het niet (snel) kunnen afronden van het cliëntenonderzoek is onvoldoende om de aangekondigde zware maatregelen te kunnen rechtvaardigen. [eiser 1] heeft meermalen onderbouwd gesteld dat [eiser 2] vanwege ernstige gezondheidsproblemen niet heeft kunnen terugkeren uit Turkije. Hij is de enige die de door ING gevraagde informatie bij ABN AMRO Bank kan opvragen. Berichtgeving in de media kan geen geldige reden voor de opzegging vormen. [eisers] betwisten dat misbruik is gemaakt van de NOW-subsidies. Het is duidelijk waar de NOW-gelden aan zijn uitgegeven. Zowel de loonaangiften als de jaarrekeningen met schriftelijke toelichting zijn aan ING overgelegd. Dat de NOW-subsidie onder omzet is geboekt in de jaarrekening heeft geen invloed op het resultaat en kan geen reden voor beëindigen van de bankrelatie zijn. De corona-situatie en de verstrekking van NOW-subsidies was immers volkomen nieuw voor boekhoudkundig Nederland. De contante geldstorting betreft contant betaalde huur van [bedrijf 3] . ING kan zelf in oude rekeningafschriften zien dat [bedrijf 3] jarenlang huurder was. Door de bankrekeningovereenkomst op te zeggen en te beëindigen op 16 juni 2026 pleegt ING een tekortkoming in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen, aldus [eisers] 3.3. ING voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, (nader) ingegaan. 4 De beoordeling Spoedeisend belang 4.1. Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen en is op zichzelf niet bestreden door ING. Toetsingskader 4.2. De vorderingen zijn in kort geding toewijsbaar als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter deze eveneens zal toewijzen en als niet van de eisende partij kan worden verlangd dat die de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. 4.3. Banken hebben op grond van de Wwft een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt (of misbruikt). Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten en de verzamelde informatie up-to-date houden. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging van de relatie niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten. 4.4. De banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn voor het cliëntenonderzoek afhankelijk van informatie uit openbare bronnen en informatie van de klant zelf. De klant is verplicht de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – zijn activiteiten en de wijze waarop hij aan het geld is gekomen dat hij bij de bank onderbrengt (artikelen 2 lid 2, 3 en 7 ABV). 4.5. Verder heeft ING op grond van artikel 35 ABV een contractuele bevoegdheid de relatie met een klant te beëindigen. De opzeggingsbevoegdheid van een bank en haar contractuele vrijheid zijn echter niet onbegrensd. Een opzegging moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de bancaire zorgplicht op grond waarvan een bank bij haar dienstverlening zorgvuldigheid in acht moet nemen, waarin ook het belang van betalingsverkeer voor de rekeninghouders wordt meegewogen. Daarbij moet mede worden betrokken dat het voor (rechts)personen van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. 4.6. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt (artikel 6:248 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW)). Inhoudelijke beoordeling 4.7. Vooropgesteld wordt dat de voorzieningenrechter er – gelet op de inhoud van de dagvaarding en hetgeen ter zitting is besproken – vanuit gaat dat het gevorderde verbod ten aanzien van de bankrekeningovereenkomst alleen ziet op de bankrekeningovereenkomst van [eiser 1] en dat alleen de vordering met betrekking tot het IVR ziet op zowel [eiser 1] als [eiser 2] . 4.8. De vraag ligt voor of ING in deze zaak de (contractuele) bevoegdheid had om de bankrelatie met [eiser 1] op te zeggen en of ING de bankrekening van [eiser 1] op 16 juni 2026 mag opheffen, na afweging van alle belangen. 4.9. Tegen de achtergrond van het hiervoor genoemde toetsingskader en gelet op de opgesomde feiten en omstandigheden is de conclusie dat voorshands geen gronden aanwezig zijn voor toewijzing van het gevorderde. Deze conclusie wordt hierna toegelicht. 4.10. Uit het hiervoor weergegeven feitenrelaas blijkt dat [eiser 1] onvoldoende heeft meegewerkt aan het klantonderzoek. [eiser 1] reageerde in eerste instantie niet. Uiteindelijk verstrekte [eiser 1] wel bepaalde informatie, maar deze informatie was telkens onvolledig en beantwoordde de gestelde vragen onvoldoende. 4.11. Dat [eiser 1] de (voor ING’s klantonderzoek essentiële) ABN AMRO bankafschriften over 2021 al meer dan tien maanden niet kon overleggen omdat alleen [eiser 2] die kan opvragen maar hij al die tijd wegens gezondheidsproblemen in Turkije verbleef (terwijl bankafschriften over 2019 en 2020 wel zijn overgelegd) komt, zoals ING terecht aanvoert, ongeloofwaardig over. Tijdens de mondelinge behandeling in dit kort geding waren de ABN AMRO bankafschriften over 2021 nog altijd niet beschikbaar. Blijkens de (na de mondelinge behandeling op 10 juni 2026 ingebrachte) correspondentie tussen de advocaten van partijen heeft [eiser 1] op 5 juni 2026 de ABN AMRO bankafschriften over 2021 aan ING toegezonden, maar is volgens ING nog altijd niet inzichtelijk wat de herkomst is van de gelden waarmee [eiser 1] het pand aan [adres] in [plaats] heeft aangekocht. ING heeft in een e-mail van 9 juni 2026 toegelicht dat de bankafschriften aantonen dat [bedrijf 1] gelden heeft ontvangen van [bedrijf 5] en [bedrijf 6] B.V. en dat dit bedrijven zijn die tot hetzelfde concern behoren als [eiser 1] en [bedrijf 1] en eveneens [eiser 2] als UBO hebben. De door [eisers] gegeven toelichting omtrent het aanwenden van de NOW-gelden in haar pleitnota in dit kort geding (aangevuld in de e-mail van hun advocaat van 8 juni 2026) is niet te volgen en laat onverlet dat, zoals ING in haar e-mail van 9 juni 2026 terecht aanvoert, nog altijd onduidelijk wat de initiële herkomst is van de gelden waarmee het pand is aangekocht. 4.12. De omstandigheid dat de NOW-subsidies in de jaarrekeningen als omzet zijn geboekt geen invloed heeft op het resultaat is door [eisers] wel gesteld maar onvoldoende onderbouwd. 4.13. [eisers] worden niet gevolgd in hun standpunt dat ING zelf aan de hand van oude bankafschriften zou moeten achterhalen wie de huurder was van wie de gestorte contante gelden afkomstig waren. ING heeft in haar conclusie van antwoord voldoende toegelicht dat het voor haar niet mogelijk is om te achterhalen van welke partij, ter betaling van achterstallige huur, de contante storting van € 11.500 op 3 maart 2020 afkomstig was. Het is bovendien ook niet aan ING, maar aan [eisers] om daar duidelijkheid over te verschaffen. [eisers] zijn daar nog altijd niet in geslaagd. 4.14. Gelet op het voorgaande kon ING, zoals zij terecht aanvoert, haar klantonderzoek niet afronden, in ieder geval niet naar tevredenheid. ING heeft onvoldoende zicht op de herkomst van bepaalde geldstromen die over de door [eiser 1] bij ING aangehouden bankrekeningen zijn gelopen en op de risico’s die daarmee samenhangen. Diverse transacties zijn onvoldoende overtuigend verklaard. Daarmee is sprake van concrete en onacceptabele risico’s in de sfeer van de Wwft. 4.15. [eisers] zijn het niet eens met de inhoud van de berichtgeving in het artikel van Follow the Money. Dat kan zo zijn, maar laat onverlet dat de berichtgeving aanleiding is geweest tot het door ING verrichten van een verscherpt klantonderzoek. Vervolgens mocht des te meer van [eisers] verwacht worden dat zij inzage zouden geven in de herkomst van de gelden afkomstig van [bedrijf 1] . Op [datum] 2026 is bovendien een nieuw artikel van Regio15 gepubliceerd waaruit blijkt dat de FIOD, de Arbeidsinspectie en de Inspectie SZW een inval hebben gedaan bij (onder meer) de vestigingen van [bedrijf 5] (een handelsnaam van [bedrijf 7] B.V.), naar aanleiding van een onderzoek naar misbruik van de NOW-regeling. [bedrijf 7] B.V. wordt ervan verdacht door valsheid in geschrifte NOW-gelden te hebben verkregen en deze gelden vervolgens door te sluizen waardoor ook sprake is van verdenking van witwassen. Bij die inval zijn vier mannen aangehouden op verdenking van grootschalige subsidiefraude en witwassen. [eiser 2] is via [bedrijf 8] BV. en [bedrijf 6] BV. de uiteindelijke eigenaar van [bedrijf 7] B.V. In het kader van dit strafrechtelijke onderzoek door het Functioneel Parket is beslag gelegd op de tegoeden van [eiser 1] bij ING voor ruim € 1,6 miljoen. Het voorgaande bevestigt des te meer dat [eisers] een onacceptabel witwasrisico vormen voor ING. 4.16. Al met al heeft ING dus op goede gronden kunnen concluderen dat zij op grond van artikel 5 lid 3 Wwft verplicht was de relatie met [eiser 1] te beëindigen en daartoe ook op basis van artikel 35 ABV bevoegd is. 4.17. [eisers] betwisten dat ING de bancaire relatie met [eiser 1] op grond van artikel 35 ABV kan opzeggen, maar zij onderbouwen dat verder niet. Zij hebben geen omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot de conclusie dat een beroep op artikel 35 ABV onaanvaardbaar zou zijn. 4.18. De beëindiging van de bankrelatie is mede gelet op het volgende naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar. Van toerekenbaar tekortschieten door ING in de contractuele verplichtingen jegens [eiser 1] of onrechtmatig handelen jegens [eiser 1] is niet gebleken. ING heeft meermaals herinneringen gestuurd als reactie van [eisers] op haar informatieverzoeken uitbleef. ING heeft [eisers] steeds uitgebreid geinformeerd over welke informatie zij wenst te ontvangen. ING heeft in haar brieven uitdrukkelijk toegelicht welke (integriteits)risico’s zij heeft geïdentificeerd en heeft haar besluit tot beëindiging van de bankrelatie gemotiveerd toegelicht. ING heeft [eisers] meermaals de mogelijkheid geboden om tekst, uitleg en onderbouwing te verschaffen (waartoe [eiser 1] op grond van artikel 2 lid 2 en artikel 3 ABV verplicht is). De door ING aan [eiser 1] gegeven beëindigingstermijn van uiteindelijk drie maanden is niet onredelijk. Er is [eiser 1] inmiddels meer dan voldoende tijd gegund om elders een bankrekening te openen. [eisers] hebben echter op geen enkele wijze laten zien dat zij zich daartoe hebben ingespannen. Zij hebben geen aanvragen bij andere banken in het geding gebracht en evenmin hebben zij afwijzingen van andere banken in het geding gebracht. Van een schending van de zorgplicht door ING is gelet op het voorgaande sprake. 4.19. Ook een belangenafweging, mede in het kader van de door ING in acht te nemen zorgplicht, staat de beëindiging van de bancaire relatie met [eiser 1] niet in de weg. ING heeft een zwaarwegend belang bij het spoedig beëindigen van de relatie met een klant die een reëel (witwas)risico vormt en onvoldoende inzicht geeft in de omvang van dit risico. Na een langdurig onderzoek en onvoldoende zicht op verbetering kan van ING niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Het belang van de continuïteit van [eiser 1] weegt daartegenover minder zwaar. 4.20. ING heeft toegelicht dat de gegevens van [eiser 1] en [eiser 2] worden opgenomen in het Intern Verwijzingsregister (IVR), maar niet in het Incidentenregister of het Extern Verwijzingsregister (EVR). Voor opneming in het IVR gelden minder strenge eisen dan voor opneming in het EVR, omdat deze IVR-registratie alleen voor de bank zelf (en de met haar verbonden rechtspersonen) zichtbaar is. Nu bovendien de informatie in het IVR uitsluitend toegankelijk is voor een beperkt aantal medewerkers van ING, voldoet de registratie in het IVR ook aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Om dezelfde redenen dat het gevorderde verbod niet toewijsbaar is, voldoet het verwerken van persoonsgegevens van [eiser 1] en [eiser 2] in het IVR aan de daartoe gestelde eisen en is de verwerking gerechtvaardigd. Het gevorderde verbod om de gegevens van [eiser 1] en [eiser 2] in het IVR op te nemen is dan ook niet toewijsbaar. Slotsom 4.21. Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vorderingen. Proceskosten 4.22. [eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00. 4.23. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. weigert de gevraagde voorzieningen, 5.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening indien het vonnis wordt betekend, 5.3. veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.E. Tiddens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026. type: JT

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/144150 · 2026-07-23
