# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 16-06-2026 (12175507 \ AZ VERZ 26-16 (E))

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:5290
- Date: 2026-06-16
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A5290
- Canonical: https://overview.legal/posts/184579

## Summary

Ontslag op staande voet. Niet rechtsgeldig verleend want een dringende reden ontbreekt. Niet is vast komen te staan dat werknemer documenten met cliëntgegevens heeft meegenomen. Werknemer heeft recht op vergoedingen. De billijke vergoeding wordt op nihil vastgesteld.

## Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Bergen op Zoom Zaaknummer / rekestnummer: 12175507 \ AZ VERZ 26-16 Beschikking van 16 juni 2026 in de zaak van [werknemer] , te [plaats] , verzoekende partij, verwerende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [werknemer] , gemachtigde: mr. drs. A.H. den Draak, ARAG SE, tegen [werkgever] H.O.D.N. [bedrijf] , te [plaats] , verwerende partij, verzoekende partij in het tegenverzoek, hierna te noemen: [werkgever] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift - het verweerschrift met een tegenverzoek. 1.2. Op 19 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De gemachtigde van [werknemer] heeft daarbij een pleitnotitie voorgedragen en overgelegd. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt. 1.3. Na het sluiten van de mondelinge behandeling is beschikking bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [werknemer] , geboren [geboortedag] 1979, is per 1 juni 2025 voor bepaalde tijd in dienst getreden van [werkgever] . Per 1 juli 2025 is [werknemer] voor onbepaalde tijd in dienst getreden in de functie van Office manager. Het laatst verdiende loon bedroeg € 4.149,00 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Geestelijke Gezondheidszorg van toepassing. 2.2. [werkgever] heeft [werknemer] op 26 februari 2026 een vaststellingsovereenkomst aangeboden. 2.3. Bij brief van 28 februari 2026 is [werknemer] gesommeerd om een document (een klachtbrief) te retourneren die [werknemer] op 27 februari 2026 op het kantoor van [werkgever] zou hebben meegenomen. 2.4. Bij brief van 4 maart 2026 is [werknemer] op staande voet ontslagen. Daarvoor zijn de volgende redenen opgegeven. [werknemer] is op 27 februari 2026 onaangekondigd verschenen op kantoor, terwijl ze was vrijgesteld van werkzaamheden. [werknemer] heeft toen documenten met persoonsgegevens van cliënten meegenomen. Dit betreft een schending van goed werknemerschap, van de vertrouwelijkheid binnen de organisaties ten aanzien van cliëntgegevens en van de interne regels omtrent gegevensbescherming en privacy. 3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek 3.1. [werknemer] verzoekt, na vermeerdering van haar verzoek op de mondelinge behandeling, de kantonrechter [werkgever] te veroordelen tot primair betaling van € 53.771,00 bruto aan billijke vergoeding, te vermeerderen met rente, betaling van € 16.596,00 aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging, te vermeerderen met rente, betaling van € 1.743,00 aan transitievergoeding, te vermeerderen met rente, een correcte eindafrekening met nabetaling van het restant salaris, verlofsaldo en pro rata vakantiegeld, te vermeerderen met rente vanaf vier maart 2026, betaling van de wettelijke verhoging over voornoemde bedragen, het verstrekken van een schriftelijke deugdelijke netto/bruto specificatie waarin voornoemde bedragen zijn opgenomen, op straffe van een dwangsom, subsidiair betaling van € 1.743,00 aan transitievergoeding, te vermeerderen met rente, het verstrekken van een deugdelijke netto/bruto specificatie, op straffe van een dwangsom, primair, subsidiair en meer subsidiair i. betaling van € 1.506,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met rente. Daarnaast verzoekt [werknemer] [werkgever] te veroordelen in de proceskosten. 3.2. [werknemer] voert aan dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is verleend. [werknemer] heeft twijfels omtrent de onverwijldheid van het ontslag, nu niet duidelijk is waar het onderzoek van [werkgever] uit bestond. Daarnaast zijn de door [werkgever] opgegeven redenen voor het ontslag geen van alle dringend. Voorts betwist [werknemer] dat zij zich aan de verweten handelingen schuldig heeft gemaakt. Aangezien [werkgever] de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd en daarmee ernstig en verwijtbaar heeft gehandeld, maakt [werknemer] aanspraak op een billijke vergoeding. [werkgever] heeft een onjuist verhaal geconstrueerd om [werknemer] te kunnen ontslaan. Door het ontslag had [werknemer] direct geen inkomen meer. [werkgever] heeft verder gedreigd met het verhalen van schade, wat [werknemer] als zeer bedreigend en verontrustend heeft ervaren. Ook is [werknemer] in haar eer en goede naam aangetast doordat zij plotseling naar huis is gestuurd. Gelet op het voorgaande acht [werknemer] een vergoeding van € 53.771,00 billijk. Aangezien in de arbeidsovereenkomst aan de zijde van [werknemer] een opzegtermijn van twee maanden is opgenomen, bedraagt de opzegtermijn voor [werkgever] conform artikel 7:672 lid 8 BW vier maanden. [werknemer] maakt gelet hierop aanspraak op een gefixeerde schadevergoeding van € 16.596,00, gelijk aan vier maanden. [werkgever] heeft het salaris, het uitstaande verlof en het vakantiegeld tot 4 maart 2026 niet uitbetaald. [werknemer] verzoekt om die reden een correcte uitbetaling van de eindafrekening. 3.3. [werkgever] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [werknemer] heeft een datalek veroorzaakt. Zij is daar op 20 juni 2025 op aangesproken. [werkgever] heeft getracht de situatie intern op te lossen zonder verdere escalatie. Echter door verschillende incidenten is het gebrek aan vertrouwen verder opgelopen, wat uiteindelijk heeft geleid tot het gesprek van 26 februari 2026, waarbij [werknemer] een vaststellingsovereenkomst is aangeboden. [werknemer] is door [werkgever] vanaf die datum vrijgesteld van het verrichten van arbeid. [werknemer] is echter op 27 februari 2026 onaangekondigd op kantoor verschenen. [werknemer] heeft toen vertrouwelijke documenten met gegevens van cliënten meegenomen. Daarna is tijdens het onderzoek gebleken dat [werknemer] een klacht niet (juist) heeft geregistreerd in het dossier. [werknemer] heeft met haar handelen het vertrouwen geschaad en in strijd met de interne privacy- en bewaarrichtlijnen gehandeld. Ook is tijdens het onderzoek gebleken dat grote hoeveelheden vertrouwelijke documentatie niet door [werknemer] zijn verwerkt, niet waren geüpload in cliëntdossiers en gedurende lange tijd onjuist waren opgeslagen. Ook heeft [werknemer] getracht na 26 februari 2026 collega’s te benaderen, ondanks dat was verzocht dit niet te doen. Het voorgaande heeft geleid tot een dringende reden voor een ontslag op staande voet. 3.4. [werkgever] heeft een tegenverzoek gedaan. [werkgever] verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. 4 De beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek 4.1. Aangezien het verzoek en het tegenverzoek nauw met elkaar samenhangen, zal de kantonrechter deze hierna gezamenlijk behandelen. 4.2. Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend aan [werknemer] . Indien dat niet het geval is, heeft [werknemer] in beginsel recht op de door haar verzochte vergoedingen. 4.3. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen. Onverwijldheid 4.4. De kantonrechter laat de vraag of het ontslag onverwijld is gegeven in het midden. Deze vraag behoeft geen beslissing, omdat het ontslag los daarvan geen stand kan houden. De kantonrechter zal hierna overwegen dat een dringende reden voor een ontslag op staande voet ontbreekt. Geen dringende reden 4.5. [werkgever] heeft in de bief van 4 maart 2026 twee dringende redenen aangevoerd die tot het ontslag op staande voet hebben geleid. Gelet hierop kan de kantonrechter slechts beoordelen of deze twee redenen tot een rechtsgeldig ontslag op staande voet hebben geleid. [werkgever] heeft als dringende reden onder andere aangevoerd dat [werknemer] zonder toestemming het kantoor heeft betreden op 27 februari 2026. Dit levert geen dringende reden voor een ontslag op staande voet op. [werknemer] heeft hierover verklaard dat zij zich niet kan herinneren dat tegen haar is gezegd dat zij niet op kantoor mocht verschijnen om haar spullen op te halen. [werknemer] sluit echter niet uit dat een dergelijke mededeling langs haar heen is gegaan, aangezien zij op 26 februari 2026 zeer emotioneel was tijdens het gesprek. Deze kwestie kan verder in het midden worden gelaten, aangezien [werknemer] na binnenkomst een gesprek heeft gehad met mevrouw [manager HR] , Manager Financiële Bedrijfsvoering &amp; HR van [werkgever] . Mevrouw [manager HR] was ook aanwezig bij het gesprek op 26 februari 2026 tussen partijen. [werknemer] heeft na het gesprek met [manager HR] haar spullen meegenomen uit het kantoor waar mevrouw [manager HR] ook aanwezig was. Indien [werknemer] nadrukkelijk niet op kantoor mocht verschijnen had het op de weg van mevrouw [manager HR] gelegen om [werknemer] de toegang te weigeren dan wel [werknemer] te verzoeken het pand te verlaten. Dit heeft mevrouw [manager HR] niet gedaan waaruit blijkt dat het onaangekondigd bezoek van [werknemer] kennelijk niet onoverkomelijk bezwaarlijk was. [werkgever] heeft verder als dringende reden aangevoerd dat [werknemer] documenten met cliëntgegevens heeft weggenomen. [werknemer] betwist dit. Niet kan worden vastgesteld dat [werknemer] de gestelde documenten heeft weggenomen. Dit betreft kennelijk een geprinte klachtbrief en een notitieblok. Noch door [werkgever] , noch door collega’s is waargenomen dat [werknemer] de gestelde klachtbrief heeft weggenomen. [werknemer] heeft over het notitieblok verklaard dat de daarin geschreven gegevens reeds waren vernietigd. Door mevrouw [manager HR] is nader verklaard dat zij niet in het notitieblok heeft gekeken. Daardoor staat evenmin vast dat er nog privacygevoelige gegevens in stonden vermeld. Nu er geen dringende reden was voor een ontslag op staande voet, is de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opgezegd. Transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en billijke vergoeding 4.6. Nu de arbeidsovereenkomst niet mocht worden opgezegd op de wijze als [werkgever] heeft gedaan, komt [werknemer] ook de transitievergoeding toe. De kantonrechter moet de hoogte van die vergoeding zo nodig ambtshalve vaststellen. Bij regelmatige opzegging had de arbeidsovereenkomst tot 1 augustus 2026 geduurd. Gerekend vanaf 1 juni 2025 met een brutoloon van € 4.149,00 vermeerderd met vakantiegeld (8,33%) en eindejaarsuitkering (8,33%), bedraagt de toe te wijzen transitievergoeding € 1.898,85 bruto. [werkgever] zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 5 april 2026. 4.7. De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging (gefixeerde schadevergoeding) zal ook worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. Voor de berekening van de gefixeerde schadevergoeding gaat de kantonrechter uit van het loon per maand van € 4.149,00 bruto. De arbeidsovereenkomst is opgezegd op 4 maart 2026 en de opzegtermijn bedraagt vier maanden . De verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging is daarom toewijsbaar over de periode 4 maart 2026 tot 1 augustus 2026. Dit is een bedrag van (27/31 x 4.149,00 =) € 3.613,65 + € 16.596,00 x 1,1666 aan vakantietoeslag en eindejaarsuitkering =) € 23.576,58 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 4 maart 2026. 4.8. [werknemer] heeft een billijke vergoeding verzocht. Haar komt een billijke vergoeding toe, omdat [werkgever] de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd. [werkgever] heeft daardoor ernstig verwijtbaar gehandeld dan wel nagelaten. Uit de stukken en hetgeen op de mondelinge behandeling is verklaard, blijkt dat [werkgever] niet tevreden was over de door [werknemer] verrichte werkzaamheden en dat de verhouding tussen partijen daardoor verstoord is geraakt. Dit was ook de reden om [werknemer] een vaststellingsovereenkomst aan te bieden op 26 februari 2026. Indien [werkgever] een verzoekschriftprocedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst was gestart bij de kantonrechter, had dit ongeveer vier maanden geduurd voordat de arbeidsovereenkomst zou zijn ontbonden. De kantonrechter acht in dat geval een billijke vergoeding gelijk aan vier maandsalarissen billijk. [werknemer] ontvangt echter ook een ruime gefixeerde schadevergoeding gelijk aan vier maandsalarissen. [werknemer] lijdt daardoor geen inkomensschade. De kantonrechter zal gelet hierop de gefixeerde schadevergoeding op de inkomensschade van de billijke vergoeding in mindering brengen. Dit maakt dat de billijke vergoeding wordt vastgesteld op nihil. Eindafrekening 4.9. [werknemer] heeft verzocht [werkgever] te veroordelen tot het opmaken van een correcte eindafrekening met nabetaling van het restant salaris, verlofsaldo en pro rata vakantiegeld. [werkgever] heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat dit verzoek toewijsbaar is. Afgifte loonspecificatie 4.10. [werknemer] heeft verzocht [werkgever] te veroordelen tot het verstrekken van een schriftelijke deugdelijke netto/bruto specificatie waarin voornoemde bedragen zijn opgenomen, op straffe van een dwangsom. [werkgever] heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat dit verzoek toewijsbaar is met uitzondering van de verzochte dwangsom. [werknemer] heeft niet onderbouwd om welke reden een dwangsom in dit geval nodig is. Dit gedeelte van het verzoek wordt om die reden als onvoldoende onderbouwd afgewezen. Wettelijke verhoging 4.11. [werknemer] maakt aanspraak op de wettelijke verhoging. Een wettelijke verhoging kan slechts worden toegewezen over loon dat verlaat is betaald. De verzochte wettelijke verhoging over de billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding wordt afgewezen, aangezien dit geen loon betreft. De kantonrechter zal de wettelijke verhoging vaststellen op 25% over het restant salaris, het verlofsaldo en het pro rata vakantiegeld, nu dit haar met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt. Buitengerechtelijke incassokosten 4.12. De onderhavige vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. De kantonrechter zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. 4.13. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal – mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal – worden afgewezen. [werknemer] heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [werknemer] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. Proceskosten in het verzoek 4.14. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden vastgesteld op € 1.762,00 (€ 753,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde conform de Aanbeveling tarieven kort gedingen kantonzaken en handelszaken en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing. 4.15. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. Proceskosten in het tegenverzoek 4.16. Het verzoek van [werkgever] wordt afgewezen. [werkgever] dient om die reden in de proceskosten te worden veroordeeld. Aangezien het verzoek van [werkgever] samenhangt met het verzoek van [werknemer] en [werknemer] geen afzonderlijk verweer tegen het verzoek van [werkgever] heeft gevoerd, ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten aan de zijde van [werknemer] op nihil vast te stellen. 5 De beslissing De kantonrechter op het verzoek 5.1. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen en stelt deze vast op nihil, 5.2. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 23.576,58 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling, 5.3. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 1.898,85 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 5 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling, 5.4. veroordeelt [werkgever] om een correcte eindafrekening op te maken met nabetaling van het restant salaris, verlofsaldo en pro rata vakantiegeld, 5.5. veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke verhoging van 25% over het restant salaris, het verlofsaldo en het pro rata vakantiegeld, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling, 5.6. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te verstrekken een schriftelijke deugdelijke netto/bruto specificatie waarin de bedragen onder 5.2. tot en met 5.4. zijn opgenomen, 5.7. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten, waarvan € 1.762,00, binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te betalen aan [werknemer] , te vermeerderen met de wettelijke rente en de kosten van betekening indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, tot de dag van algehele betaling, 5.8. verklaart deze beschikking ten aanzien van 5.2. tot en met 5.7. uitvoerbaar bij voorraad , 5.9. wijst het meer of anders verzochte af, op het tegenverzoek 5.10. wijst het verzoek af, 5.11. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten en stelt de proceskosten aan de zijde van [werknemer] vast op nihil. Deze beschikking is gegeven door mr. Van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026. Artikel 7:672 lid 11 BW. op grond van artikel 7:672 lid 8 BW Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/184579 · 2026-07-30
