# Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 06-05-2026 (20-000246-24)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Identifier: ECLI:NL:GHSHE:2026:1168
- Date: 2026-05-06
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHSHE%3A2026%3A1168
- Canonical: https://overview.legal/posts/184581

## Summary

Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat de ANØM-data betreffende de verdachte door Nederlandse opsporingsambtenaren zijn verwerkt en geanalyseerd zonder dat daaraan een rechterlijke toetsing vooraf was gegaan. Voor de verwerking en analyse van deze ANØM-data was aldus geen rechterlijke machtiging verstrekt. Het hof is van oordeel dat een dergelijke machtiging, gelet op het hiervoor weergegeven juridische kader, wel vereist was. Het hof stelt vast dat het geschonden voorschrift, de verplichting betreft om onderzoek aan elektronische gegevensdrager(s) en/of geautomatiseerde werk(en) dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene(n) met zich brengt, voorafgaand door een rechter(-commissaris) te laten toetsen. Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat de verdachte en zijn medeverdachten de cryptocommunicatiedienst ANØM doelbewust hebben gebruikt om buiten het zich van de autoriteiten (uitgebreid) te kunnen communiceren over het plannen, beramen en plegen van ernstige, drugsgerelateerde feiten. Uit de ANØM-berichten in het dossier leidt het hof af dat de verdachte en zijn medeverdachten de ANØM-berichtendienst nagenoeg uitsluitend gebruikten voor de communicatie over drugsgerelateerde activiteiten. Ten aanzien van de ernst van het in de onderhavige zaak begane vormverzuim merkt het hof allereerst op dat ten tijde van het onderzoek aan de ANØM-data, het hiervoor genoemde arrest van het HvJ EU (Landeck) nog niet was gewezen. Verder stelt het hof vast dat de politie bij de verwerking en analyse van de ANØM-data zorgvuldig te werk is gegaan. Door het gebruik van specifieke zoektermen betreffende ANØM-gebruikers uit lopende strafrechtelijke onderzoeken naar criminele samenwerkingsverbanden of die naar hun aard wijzen op ernstige criminele activiteiten in georganiseerd verband, is getracht zo veel als mogelijk recht te doen aan de (privacy)rechten van de betrokkenen en eventuele inbreuken op die rech

## Full text

Parketnummer : 20-000246-24 Uitspraak : 6 mei 2026 TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv) Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 23 januari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken onder parketnummers 01-993293-21 en 01-993370-21, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats en -datum] 1990, ingeschreven op [adres 1] . Hoger beroep Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de tenlastegelegde feiten bewezen verklaard, gekwalificeerd als: t.a.v. parketnummer 01-993293-21 feit 1: ‘medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’; t.a.v. parketnummer 01-993293-21 feit 2: ‘medeplegen van: om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen dat feit tracht te verschaffen en voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd’; t.a.v. parketnummer 01-993370-21: ‘medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’, en aan de verdachte te dier zake opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van de duur van het voorarrest. Voorts heeft de rechtbank de onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen verbeurdverklaard. Tot slot heeft de rechtbank de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen en gelast dat het gedeelte van de bij vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant van 23 december 2019 onder parketnummer 01-879227-19 opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog wordt ondergaan, te weten voor de duur van 10 maanden. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen, omdat de tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd, en, opnieuw rechtdoende, de aan de verdachte tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en aan de verdachte zal opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof, opnieuw rechtdoende, de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling zal toewijzen en de onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, zoals vermeld op de beslaglijst in het dossier, zal verbeurdverklaren. De raadslieden van de verdachte hebben integrale vrijspraak bepleit van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten. Zij hebben op meerdere gronden aangevoerd dat de data afkomstig van de server van cryptocommunicatiedienst ANØM van het bewijs dienen te worden uitgesloten, waarna de conclusie dient te volgen dat de aan de verdachte tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Subsidiair hebben de raadslieden een straftoemetingsverweer gevoerd. Voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep d.d. 11 maart 2026 hebben de raadslieden van de verdachte verscheidene onderzoekswensen ingediend bij het hof. Ter terechtzitting hebben de raadslieden bij deze onderzoekswensen gepersisteerd en deze nader toegelicht. Het hof heeft vervolgens bepaald dat bij eindarrest dan wel, na een heropening van het onderzoek, bij tussenarrest zal worden beslist op de door de verdediging ingediende onderzoekswensen. De bespreking van en beslissing op deze onderzoekswensen volgen verderop in dit (eind)arrest. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en daarmee de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd. Tenlastelegging In de zaak met parketnummer 01-993293-21 is aan de verdachte – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – tenlastegelegd dat: 1. hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 7 juni 2021 te Eindhoven en/of Helmond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine en/of (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde amfetamine en/of metamfetamine (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 7 juni 2021 te Eindhoven en/of Heerlen en/of Helmond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van één of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende MDMA en/of amfetamine en/of metamfetamine, zijnde (een) middel(len) als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of één of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende(een) (ander(e)) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I), voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens) - één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en/of - zich en/of één of meer anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of - één of meer voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of één of meer (andere) betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans ernstige reden had(den) om te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), immers heeft/hebben hij en/of één of meer van zijn mededaders opzettelijk daartoe (telkens en/of één of meermalen) - een of meerdere zogenaamde crypto telefoon(s) voorhanden gehad en/of - via (deze) cryptotelefoon(s) met een of meer anderen (uitgebreid) gecommuniceerd * over de inrichting van (een) productielocatie(s) van synthetische drugs en/of * over de productie van synthetische drugs en/of (hierbij) een of meer laboranten voor de productie van synthetische drugs aangestuurd en/of aan een of meer personen het productieproces van (een) middel(en) als bedoeld op lijst I van de Opiumwet uitgelegd en/of voorgehouden en/of * over de verkoop en/of export van synthetische drugs en/of - een (productie)locatie (te weten de locatie(s) [adres 2] te Helmond en/of de locatie [adres 3] te Heerlen) gehuurd en/of laten huren en/of voorhanden gehad en/of gebruikt en/of laten gebruiken en/of - één of meer hoeveelheden chemicaliën en/of hardware voor het produceren/vervaardigen van benzylmethylketon (BMK) en/of voor het produceren/vervaardigen van amfetamine gebouwd en/of bereid en/of besteld en/of aangeschaft en/of vervoerd en/of opgeslagen en/of voorhanden gehad, - (vervolgens) de productieopstelling(en) opgebouwd en/of gemaakt en/of gebruikt. In de in eerste aanleg gevoegde zaak met parketnummer 01-993370-21 is aan de verdachte tenlastegelegd dat: hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2021 tot en met 7 juni 2021 te Eindhoven, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet) heeft gebracht, één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, waaronder: - (in totaal) ongeveer 82 kilogram amfetamine, in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine (in beslag genomen in Zweden op of omstreeks 10 april 2021) en/of - (in totaal) ongeveer 100 kilogram amfetamine, in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine (in beslag genomen in Zweden op of omstreeks 4 mei 2021) en/of - (in totaal) ongeveer 60 kilogram amfetamine, in elk geval één of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine (in beslag genomen in Zweden op of omstreeks 21 mei 2021) zijnde (telkens) amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-993293-21 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: 1. hij in de periode van 31 januari 2021 tot en met 7 juni 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk heeft bereid en bewerkt en verwerkt en verkocht en afgeleverd en vervoerd en vervaardigd grote hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 2. hij in de periode van 31 januari 2021 tot en met 7 juni 2021 te Eindhoven en/of Heerlen en/of Helmond, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van één of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde (een) middel(len) als vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of één of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende(een) (ander(e)) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I), voor te bereiden en/of te bevorderen, (telkens) - één of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen of mede te plegen, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen en - zich en/of één of meer anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en - voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededaders opzettelijk daartoe - zogenaamde crypto telefoons voorhanden gehad en - via deze cryptotelefoons met anderen (uitgebreid) gecommuniceerd * over de inrichting van productielocaties van synthetische drugs en * over de productie van synthetische drugs en hierbij laboranten voor de productie van synthetische drugs aangestuurd en aan personen het productieproces van middelen als bedoeld op lijst I van de Opiumwet uitgelegd en voorgehouden en * over de verkoop en export van synthetische drugs en/of - een productielocatie, te weten de locaties [adres 2] te Helmond en de locatie [adres 3] te Heerlen, voorhanden gehad en/of gebruikt en/of laten gebruiken en - hoeveelheden chemicaliën en hardware voor het produceren/vervaardigen van benzylmethylketon (BMK) en voor het produceren/vervaardigen van amfetamine gebouwd en/of opgeslagen en/of voorhanden gehad, - vervolgens de productieopstellingen opgebouwd en/of gemaakt en gebruikt. Voorts acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-993370-21 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij in de periode van 31 januari 2021 tot en met 7 juni 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten: - in totaal ongeveer 82 kilogram amfetamine (in beslag genomen in Zweden op of omstreeks 10 april 2021) en - in totaal ongeveer 100 kilogram amfetamine (in beslag genomen in Zweden op of omstreeks 4 mei 2021) en - in totaal ongeveer 60 kilogram amfetamine (in beslag genomen in Zweden op of omstreeks 21 mei 2021), zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen In het geval dat tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen Ten aanzien van het gebruik van de ANØM-data voor het bewijs Het standpunt van de verdediging Op gronden zoals in de ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof overgelegde pleitnota verwoord, hebben de raadslieden van de verdachte zich (primair) op het standpunt gesteld dat de data afkomstig van de server van cryptocommunicatiedienst ANØM in de onderhavige zaak op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Daartoe hebben de raadslieden primair aangevoerd dat (vertegenwoordigers van) het Nederlandse OM de verdediging (jarenlang) onjuist hebben/heeft geïnformeerd over de betrokkenheid van de Nederlandse politie bij de verwerking en analyse van ANØM-data voorafgaand aan de ‘spontane’ verstrekking van deze data door de Amerikaanse autoriteiten aan Nederland vanaf 23 maart 2021. Onder verwijzing naar diverse bronnen stellen de raadslieden dat Nederlandse politieambtenaren al sinds de zomer van 2020 toegang hadden tot het systeem van de Verenigde Staten (hierna: VS) waarin de ANØM-data werd geüpload, teneinde de data van Nederlandse gebruikers van de cryptocommunicatiedienst ANØM te analyseren. De tenlastegelegde periode in de onderhavige zaak start op 1 januari 2021, dus vóór de ‘spontane’ verstrekking van ANØM-data door de VS, zodat zonder meer aannemelijk is dat Nederlandse politieambtenaren reeds voorafgaand aan deze spontane verstrekking betrokken zijn geweest bij de verwerking en analyse van de ANØM-data in de onderhavige zaak. Door de verdediging hierover onjuist te informeren, heeft het Nederlandse OM de verdediging haar recht ontnomen om de rechtmatigheid van de verkrijging van de ANØM-data te toetsen. De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het voorgaande, het gebruik in de onderhavige zaak van de ANØM-data voor het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces, zoals vastgelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Subsidiair hebben de raadslieden aangevoerd dat zowel de interceptie als de verwerking van de ANØM-data heeft plaatsgevonden in strijd met het Europees en het Nederlands recht. Uit de ter terechtzitting d.d. 11 maart 2026 door de verdediging aan het hof overgelegde stukken blijkt, aldus de verdediging, dat de interceptie van de ANØM-data plaatsvond in Litouwen, een lidstaat van de Europese Unie. Dit betekent dat de Litouwse autoriteiten op grond van artikel 31, eerste lid, van Richtlijn 2014/41/EU van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (hierna: EOB-richtlijn) de Nederlandse autoriteiten in kennis hadden moeten stellen van de interceptie van ANØM-data betreffende Nederlandse gebruikers. Nu dit is nagelaten, is in strijd met artikel 31 van de EOB-richtlijn gehandeld. Daar komt bij dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) in zijn arrest van 30 april 2024 heeft overwogen dat “artikel 31 van richtlijn 2014/41 […] niet alleen [beoogt] te waarborgen dat de soevereiniteit van de in kennis gestelde lidstaat wordt geëerbiedigd, maar ook dat het in die lidstaat gewaarborgde beschermingsniveau met betrekking tot de interceptie van telecommunicatie niet in gevaar wordt gebracht” en dat “dit doel […] zich uit[strekt] tot het gebruik van de gegevens ten behoeve van strafvervolging in de in kennis gestelde lidstaat.” Dit betekent dat, teneinde het door het HvJ EU beoogde niveau van rechtsbescherming te garanderen, (de rechtmatigheid van) de interceptie van ANØM-data betreffende Nederlandse gebruikers, onder wie de verdachte, had moeten worden beoordeeld naar Nederlands recht door een Nederlandse rechter(-commissaris). Een dergelijke beoordeling zou hebben opgeleverd dat het Nederlandse (straf)recht geen wettelijke grondslag kent voor het op grote schaal intercepteren van telecommunicatie, metadata en GPS-gegevens ten aanzien van niet-geïdentificeerde personen jegens wie, voorafgaand aan de interceptie, geen verdenking van schuld aan enig strafbaar feit bestaat, oftewel voor de wijze van interceptie als toegepast door Litouwse opsporingsambtenaren ten aanzien van de gebruikers van ANØM. Voorts geldt, aldus de raadslieden, dat voor een dergelijke interceptie ook geen rechtmatige basis kan bestaan, omdat deze zonder meer in strijd zou zijn met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Gelet op het voorgaande, heeft de interceptie van ANØM-data in Litouwen zowel in strijd met het Europees als het Nederlands recht plaatsgevonden. Weliswaar heeft/hebben (een) Litouwse rechter(s) machtigingen afgegeven voor het driemaal per week maken van een kopie of ‘image’ van de ANØM-server. Echter, deze machtiging(en) is/zijn op basis van onjuiste informatie verstrekt. Daarmee is het systeem van rechtsbescherming tot in haar fundament aangetast, aldus de raadslieden. Ook om de hiervoor genoemde redenen dient de ANØM-data in de onderhavige zaak van het bewijs te worden uitgesloten. Ten aanzien van de verwerking van de ANØM-data van gebruikers in Nederland geldt dat het Nederlandse (straf)recht daarvoor evenmin een wettelijke grondslag biedt. Aan de vereisten van artikel 10 van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) in samenhang met artikel 3 Wpg is in elk geval niet voldaan. Bovendien was bij (aanvang van) de verwerking van de ANØM-data sprake van een zogenoemde ‘fishing expedition’. Om die reden heeft de verwerking van de data eveneens in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel plaatsgehad. Tot slot is voor de verwerking van de data betreffende Nederlandse gebruikers van ANØM geen rechterlijke machtiging afgegeven, hetgeen op grond van het arrest van het HvJ EU van 4 oktober 2024 ( Landeck ) wel is vereist. Gelet op het voorgaande, is ook de verwerking van de ANØM-data in de onderhavige zaak onrechtmatig gebeurd, zodat deze data ook om die reden van het bewijs dienen te worden uitgesloten, aldus de raadslieden. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de data afkomstig van de server van cryptocommunicatiedienst ANØM in de onderhavige zaak niet dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Daartoe heeft de advocaat-generaal ten eerste aangevoerd dat ten aanzien van de verkrijging van de ANØM-data het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is. Uit het procesdossier volgt namelijk dat Nederland deze data niet zelf heeft verkregen, noch dat Nederland deze data door middel van (een) rechtshulpverzoek(en) heeft doen verkrijgen. Nederland is op geen enkele wijze betrokken geweest bij de verkrijging van de ANØM-data, laat staan dat een Nederlandse officier van justitie het feitelijk gezag heeft gehad over de verkrijging van deze data. De toepasselijkheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel betekent dat er in Nederland vanuit moet worden gegaan dat de buitenlandse opsporingsautoriteiten rechtmatig hebben gehandeld. Dat is alleen anders als in dat buitenland onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek in kwestie in strijd met de daarvoor geldende rechtsregels heeft plaatsgevonden. Van dat laatste is in casu niet gebleken. Zelfs als de stelling van de verdediging, dat Nederland eerder dan de spontane verstrekking van de ANØM-data door de VS toegang had tot deze data, juist is, laat dat de toepasselijkheid van het vertrouwensbeginsel onverlet. Het eerder mogen inzien van in het buitenland verkregen data maakt immers niet dat een Nederlandse officier van justitie op enigerlei wijze feitelijk het gezag krijgt over de verkrijging van die data. Daar komt bij dat voornoemde stelling van de verdediging in de onderhavige zaak in elk geval niet opgaat. Uit het dossier kan namelijk worden afgeleid dat de ANØM-data in de onderhavige zaak (pas) na de start van het opsporingsonderzoek ‘26Eagles’ en dus na de spontane verstrekking van die data door de VS aan Nederland vanaf 23 maart 2021 aan het onderzoeksteam is verstrekt. Ten tweede geldt dat artikel 31 van de EOB-richtlijn in de onderhavige zaak niet van toepassing is, omdat van interceptie zoals bedoeld in dat artikel geen sprake is geweest. Daar komt bij dat een Nederlandse rechter-commissaris bij een kennisgeving op grond van artikel 31 van de EOB-richtlijn het verzochte onderzoek niet had mogen weigeren. In soortgelijke zaken waarin cryptocommunicatiediensten EncroChat en Sky ECC een rol speelden, zijn immers ook machtigingen afgegeven tot het inzetten van opsporingsbevoegdheden en het doen van onderzoek. Voorts heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat in de onderhavige zaak geen sprake was van bulkinterceptie als bedoeld in onder andere het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) d.d. 25 mei 2021 , omdat de ‘interceptie’ van ANØM-data heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een verdenking van schuld aan ernstige strafbare feiten. Bij de Amerikaanse autoriteiten waren immers geen niet-criminele gebruikers van ANØM bekend. Het oordeel van het hof In het dossier van de onderhavige zaak zitten processen-verbaal die betrekking hebben op data (telecommunicatie, metadata en GPS-gegevens), afkomstig van de server van cryptocommunicatiedienst ANØM. Verschillende van deze processen-verbaal zijn door de rechtbank gebruikt voor het bewijs van de tenlastegelegde feiten. De verdediging heeft bepleit dat de ANØM-data van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Alvorens het oordeel van het hof met betrekking tot het verweer van de verdediging tot bewijsuitsluiting kenbaar te maken – waarbij het hof onderscheid maakt tussen de verkrijging van de ANØM-data en de verwerking en analyse van die data –, acht het hof het voor een beter begrip van de zaak van belang om kort in te gaan op de (algemene) werking en kenmerken van de cryptocommunicatiedienst ANØM. De werking en kenmerken van ANØM In het procesdossier in de onderhavige zaak bevindt zich een document waarin de technische details van ‘Operation Trojan Shield’ (i.e. de naam van de onder leiding van de Amerikaanse opsporingsdiensten opgezette en uitgevoerde ANØM-operatie), alsmede van de cryptocommunicatiedienst ANØM-zijn opgenomen (dit document is laatstelijk gewijzigd op 31 augustus 2021). Uit dit document leidt het hof de volgende, voor de onderhavige zaak relevante informatie met betrekking tot de werking en kenmerken van ANØM af. ANØM is een cryptocommunicatiedienst die op initiatief en onder leiding van de Amerikaanse opsporingsdiensten is opgezet en geëxploiteerd. De communicatie via ANØM is end-to-end versleuteld en kan derhalve enkel worden ingezien door de verzender en de ontvanger(s) van die communicatie. Omdat ANØM op initiatief en onder leiding van de Amerikaanse opsporingsdiensten is opgezet, beschikken de Amerikaanse opsporingsdiensten over de benodigde gegevens om de communicatie via ANØM te decoderen. De ANØM-gebruikers waren daarvan evenwel niet op de hoogte. Voorts kan de communicatie via ANØM enkel bestaan uit tekst en bijlagen, zoals afbeeldingen, video’s, notities en korte spraakberichten. ANØM betreft een gesloten communicatienetwerk en beschikt niet over een open internetverbinding of sociale-media-apps. Dit betekent dat gebruikers van ANØM alleen kunnen communiceren met andere gebruikers van en via ANØM. Om gebruik te kunnen maken van ANØM moet een speciale smartphone, ook wel ‘handset’ genoemd, worden aangeschaft die specifiek is geconfigureerd voor communicatie via de ANØM-app. Alleen ‘handsets’ die dienovereenkomstig zijn ingesteld, kunnen deelnemen aan de cryptocommunicatiedienst. Afgezien van de mogelijkheid om tekst- en spraakberichten, foto’s, video’s en notities te versturen, beschikken de ANØM-toestellen niet over functionaliteiten die bij regulier gebruik van een telefoontoestel min of meer noodzakelijk en gebruikelijk zijn, zoals de mogelijkheid om te bellen, apps te installeren en te gebruiken et cetera. Wel bevatten de via ANØM verstuurde berichten – gedeeltelijk op verzoek van de Amerikaanse opsporingsdiensten – aanvullende metadata die niet zichtbaar waren voor de verzender of de ontvanger(s) van de berichten. Het gaat dan bijvoorbeeld om IMEI-nummers en locatiegegevens. Sommige ANØM-toestellen beschikken voorts over de functie om (de inhoud van) het toestel op afstand te wissen of te resetten. De ANØM-toestellen waren niet vrij verkrijgbaar, meer in het bijzonder werden deze niet in het ‘openbaar’ in reguliere winkels verkocht maar via distributeurs en wederverkopers (agenten) aan eindgebruikers geleverd. Door distributeurs werden in dat verband teksten gebezigd als “gebouwd door criminelen voor criminelen”. Voor het gebruik van de ANØM-berichtendienst betaalden de eindgebruikers hoge abonnementskosten. Deze abonnementskosten werden veelal contant betaald. Onderzoek door de Amerikaanse opsporingsdiensten wees uit dat elk van de 530 in Nederland gelokaliseerde ANØM-toestellen werd gebruikt voor de communicatie inzake ernstige strafbare feiten, zo volgt uit de brief van het Landelijk Parket d.d. 11 juni 2021. De verkrijging van de ANØM-data - De feiten en omstandigheden Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat de ANØM-data, waaronder de data die deel uitmaken van het dossier in de onderhavige zaak, de resultaten zijn van strafvorderlijk onderzoek dat op initiatief en onder leiding van de Amerikaanse opsporingsdiensten is uitgevoerd. De ANØM-data zijn naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Amerikaanse opsporingsdiensten verkregen via een server in een Europees land. Op grond van de door de verdediging overgelegde, in het dossier gevoegde stukken en ten faveure van de verdediging wil het hof aannemen dat dit Europese land Litouwen betreft en zal het daar bij de beoordeling van de verweren van uitgaan. Vanaf 7 oktober 2019 hebben Litouwse politieambtenaren twee of drie keer per week kopieën of ‘images’ gemaakt van de ANØM-data op de desbetreffende server, waarna deze kopieën of ‘images’ op grond van een verdrag inzake wederzijdse rechtshulp met de Amerikaanse autoriteiten zijn gedeeld. Voor het maken van de kopieën of ‘images’ waren meerdere machtigingen afgegeven door (een) Litouwse rechter(s). Uit een brief van het Landelijk Parket d.d. 11 juni 2021, die in het dossier is gevoegd, volgt voorts dat de Amerikaanse autoriteiten, via tussenkomst van een in Nederland gestationeerde Amerikaanse ‘liaison officer’, het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum (onderdeel van het Openbaar Ministerie (hierna: OM)) erover hebben ingelicht dat de Amerikaanse opsporingsdiensten beschikken over data afkomstig van de server van cryptocommunicatiedienst ANØM, dat zich in Nederland circa 530 niet-geïdentificeerde gebruikers van deze cryptocommunicatiedienst bevonden en dat deze gebruikers zich vermoedelijk schuldig maakten aan ernstige strafbare feiten, zoals de internationale handel in drugs, witwassen, moord, ontvoering, fraude, economische delicten, wapenhandel, en corruptie. Daarbij deelden de Amerikaanse autoriteiten mede dat de ANØM-data op rechtmatige wijze waren verkregen en door Nederlandse opsporingsdiensten in (een) strafrechtelijk(e) onderzoek(en) mogen worden gebruikt. Naar aanleiding van voornoemde informatie van de VS is het Nederlandse OM op 26 maart 2021 het opsporingsonderzoek ‘26Eagles’ gestart. Vanaf dat moment ontvingen de Nederlandse autoriteiten driemaal per week van de Amerikaanse opsporingsdiensten een set met volledig ontsleutelde data betreffende niet-geïdentificeerde gebruikers van ANØM in Nederland. Binnen het onderzoek ‘26Eagles’ zijn deze data geanalyseerd en zijn meerdere ANØM-gebruikers geïdentificeerd. Zo ook de verdachte in de onderhavige zaak. Op grond van artikel 126dd Sv hebben de officieren van justitie die de leiding hadden over onderzoek ‘26Eagles’ bepaald dat de in dat onderzoek verkregen ANØM-data betreffende de verdachte in de onderhavige zaak kunnen worden gebruikt in het strafrechtelijk onderzoek tegen deze verdachte, waarna deze data zijn verstrekt aan de zaaksofficier van justitie in het onderhavige onderzoek. Op grond van de inhoud van het dossier inclusief de door de verdediging overgelegde stukken oordeelt het hof dat niet aannemelijk is geworden dat het Nederlandse OM en/of de Nederlandse politie strafvorderlijk betrokken is/zijn geweest bij de verkrijging van de data betreffende gebruikers van ANØM in Nederland. Dat volgens de verdediging uit een non-fictieboek van een Amerikaanse onderzoeksjournalist en mededelingen (in de pers) van (een) (politie)functionaris(sen) het tegendeel zou blijken, wat hiervan verder zij, legt naar het oordeel van het hof in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal. Aldus hanteert het hof als uitgangspunt dat de ANØM-data naar aanleiding van een rechtshulpverzoek van de Amerikaanse opsporingsdiensten met de toepassing van een opsporingsbevoegdheid in Litouwen zijn verkregen. Vervolgens zijn een deel van deze data spontaan, dus langs de weg van de klassieke rechtshulp, door de Amerikaanse opsporingsdiensten aan het Nederlandse OM en/of de Nederlandse politie verstrekt. Daaraan ging geen rechtshulpverzoek van Nederland vooraf. - Het interstatelijk vertrouwensbeginsel Het hof stelt in verband met het voorgaande het volgende voorop. Waar het gaat om de beoordeling van verweren die betrekking hebben op de rechtmatigheid van onderzoekshandelingen die hebben plaatsgevonden in het buitenland, verschillen de aard en de omvang van de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van die onderzoekshandelingen naargelang deze onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten, dan wel onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. In het geval dat de onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten – daarvan is doorgaans sprake in het kader van de klassieke rechtshulp – en het daarbij tevens gaat om de autoriteiten van een staat die tot het EVRM is toegetreden, geldt dat het niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter behoort om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die in het desbetreffende land gelden voor het uitvoeren van dat onderzoek. Om deze redenen worden de beslissingen van de buitenlandse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen, gerespecteerd en wordt ervan uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Dat is uitsluitend anders als in het desbetreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht. In dat geval beoordeelt de Nederlandse strafrechter – aan de hand van de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde beoordelingsfactoren, waaronder het belang van het geschonden voorschrift en het concreet voor de verdachte en ook na aanwending van het rechtsmiddel in het betreffende buitenland nog resterende nadeel – of die onherroepelijke vaststelling aanleiding geeft tot het verbinden van een rechtsgevolg aan het betreffende verzuim. Het vorenstaande brengt in relatie tot het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 8, eerste lid, van het EVRM, met zich dat de Nederlandse strafrechter niet beoordeelt of in het recht van het land onder wiens verantwoordelijkheid het onderzoek is verricht, al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de eventueel bij het verrichten van het onderzoek gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op respect voor zijn privéleven, en ook niet of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn, zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 8 van het EVRM. Het hof stelt vast dat noch in Litouwen, noch in de VS onherroepelijk is komen vast te staan dat de verkrijging van de ANØM-data niet in overeenstemming met de daarvoor aldaar geldende rechtsregels is verricht. Het hof is dan ook – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat op de verkrijging van de data betreffende gebruikers van ANØM in Nederland het interstatelijk vertrouwensbeginsel onverkort van toepassing is. Dat geldt zowel ten aanzien van Litouwen, dat is toegetreden tot het EVRM, als ten aanzien van de VS. Hoewel de VS niet zijn toegetreden tot het EVRM, zijn zij wel verdragspartij bij het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR). Dat verdrag garandeert op eenzelfde wijze de mensenrechten die in de onderhavige zaak van belang zijn, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter. Dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel van toepassing is, brengt met zich dat het niet tot de taak van het hof behoort om te toetsen of de wijze waarop de ANØM-data (betreffende gebruikers in Nederland) op verzoek van de Amerikaanse opsporingsdiensten in Litouwen zijn verkregen, strookt met de rechtsregels die gelden in die landen. In het bijzonder is het niet de taak van het hof om te beoordelen of in het Litouwse en Amerikaanse (straf)recht al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestaat voor de eventueel gemaakte inbreuken op het recht van ANØM-gebruikers op respect voor hun privéleven, en ook niet of die inbreuken geacht kunnen worden noodzakelijk te zijn. Gelet op het voorgaande, zal het hof de beslissingen van de Litouwse en Amerikaanse autoriteiten die aan de verkrijging van de ANØM-data (betreffende gebruikers in Nederland) ten grondslag liggen, respecteren en gaat het hof ervanuit dat die verkrijging rechtmatig is verricht. Het beginsel van wederzijdse erkenning, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in artikel 82 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, voor zover dit reeds een andere inhoud zou hebben dan het interstatelijk vertrouwensbeginsel, geldt gelet op de hiervoor weergegeven feiten en juridische argumenten eveneens onverkort. Daar komt nog bij hetgeen hierna wordt overwogen over de niet-toepasselijkheid van de EOB-richtlijn in deze zaak. Wel zal het hof toetsen of het gebruik van de ANØM-data in de onderhavige zaak voor het bewijs in overeenstemming is met het recht van de verdachte op een eerlijk proces, als vastgelegd in artikel 6 van het EVRM. Het oordeel van het hof hieromtrent wordt verderop in dit arrest besproken. - Artikel 31 van de EOB-richtlijn Door de verdediging is een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 31 van de EOB-richtlijn. Het hof is van oordeel dat de EOB-richtlijn, zoals de naam reeds doet vermoeden, enkel van toepassing is op (Europese) strafzaken waarin een Europees onderzoeksbevel aan de orde is. Dat is in de onderhavige zaak niet het geval. Het rechtshulpverzoek van de Amerikaanse autoriteiten aan Litouwen kwalificeert immers niet als een Europees onderzoeksbevel in de zin van de EOB-richtlijn. Het hof is dan ook van oordeel dat de EOB-richtlijn in zijn algemeenheid en artikel 31 van deze richtlijn in het bijzonder niet van toepassing is/zijn op de onderhavige zaak. Of het bepaalde in artikel 31 van de EOB-richtlijn is nageleefd, doet derhalve niet ter zake. Als het hof er evenwel met de verdediging en ten faveure van de verdediging van uitgaat dat artikel 31 van de EOB-richtlijn in de onderhavige zaak wel van toepassing is, dan stelt het hof het volgende voorop. Artikel 31, eerste lid, van de EOB-richtlijn richt zich op de situatie waarin de bevoegde autoriteit van een bepaalde EU-lidstaat ten behoeve van de uitvoering van een onderzoeksmaatregel toestemming heeft gegeven voor de interceptie van telecommunicatie van een persoon van wie het communicatieadres in gebruik is op het grondgebied van een andere EU-lidstaat en de interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat. In een dergelijk geval moet eerstgenoemde lidstaat de bevoegde autoriteit van laatstgenoemde lidstaat van de interceptie in kennis stellen. Uit het arrest van het HvJ EU van 30 april 2024 volgt dat artikel 31 van de EOB-richtlijn niet alleen beoogt te waarborgen dat de soevereiniteit van de in kennis gestelde lidstaat wordt geëerbiedigd, maar ook dat het in die lidstaat gewaarborgde beschermingsniveau met betrekking tot de interceptie van telecommunicatie niet in gevaar wordt gebracht. Aangezien een maatregel tot interceptie van telecommunicatie een inmenging vormt in het in artikel 7 van het Handvest verankerde recht op de eerbiediging van het privéleven en van de communicatie van de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, zo overweegt het HvJ EU, wordt met artikel 31 van de EOB-richtlijn ook de bescherming beoogd van de rechten van gebruikers op wie een dergelijke maatregel is gericht. Dit doel strekt zich uit tot het gebruik van de gegevens ten behoeve van strafvervolging in de in kennis gestelde lidstaat. Het voorgaande betekent dat als sprake is van interceptie van telecommunicatie zonder dat daarbij de voorschriften van artikel 31 van de EOB-richtlijn worden nageleefd, de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, wordt aangetast in zijn rechten, en dat dit een relevant gezichtspunt kan vormen bij de beantwoording van de vraag of en, zo ja, welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan de niet-naleving van die voorschriften. In dit verband kan van belang zijn of het – in het licht van de feiten en omstandigheden van het concrete geval – te verwachten zou zijn geweest dat, als de intercepterende lidstaat wel tijdig de autoriteit van de andere lidstaat in kennis had gesteld van de interceptie, door die autoriteit tegen die interceptie bezwaar zou zijn gemaakt. Het hof stelt vast dat de Litouwse autoriteiten de Nederlandse autoriteiten niet in kennis hebben gesteld van de ‘interceptie’ van data van ANØM-gebruikers in Nederland, onder wie de verdachte in de onderhavige zaak. Daarmee is (in zoverre) niet voldaan aan het bepaalde in artikel 31 van de EOB-richtlijn. Het hof is evenwel van oordeel dat aan dit verzuim geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden. Daarbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen. Ten eerste acht het hof van belang dat in Nederland in soortgelijke zaken als de onderhavige, waarin cryptocommunicatiediensten EncroChat en Sky ECC een rol speelden, machtigingen zijn afgegeven door rechters-commissarissen voor het binnendringen in een geautomatiseerd werk (artikel 126uba Sv) en/of voor het tappen van telecommunicatie (artikel 126t Sv). Ook in die zaken was voorafgaand aan het afgeven van de machtigingen niet (telkens) sprake van concrete verdachten en/of concrete strafbare feiten. In het verlengde hiervan acht het hof het aannemelijk dat de bevoegde Nederlandse autoriteiten, als deze op grond van artikel 31 van de EOB-richtlijn in kennis waren gesteld van de ‘interceptie’ in Litouwen van data van Nederlandse ANØM-gebruikers, geen bezwaar zouden hebben gemaakt tegen deze ‘interceptie’. Bekend was immers dat de (Nederlandse) ANØM-gebruikers zich vermoedelijk schuldig maakten aan ernstige strafbare feiten. ‘Interceptie’ van de data van ANØM-gebruikers was noodzakelijk om (de daders van) deze feiten op te sporen en was bovendien evenredig aan dat doel. Ten tweede acht het hof het volgende van belang. Met artikel 31 van de EOB-richtlijn is onder meer beoogd om de rechten van gebruikers op wie een maatregel van interceptie is gericht, te beschermen. Het gaat daarbij in het bijzonder om het in artikel 7 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) verankerde recht op eerbiediging van het privéleven en van communicatie. Het hof wijst erop dat het buiten het zicht van de autoriteiten kunnen communiceren over het plannen, beramen en plegen van strafbare feiten geen belang is dat door voornoemde rechten wordt beschermd. Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat de verdachte met verschillende accounts gebruik heeft gemaakt van de cryptocommunicatiedienst ANØM. Ook de in het dossier vermelde medeverdachten maakten gebruik van ANØM. Uit de ANØM-berichten in het dossier leidt het hof af dat de verdachte en zijn medeverdachten de ANØM-berichtendienst op een verwaarloosbare uitzondering na uitsluitend gebruikten voor de communicatie over drugsgerelateerde activiteiten. Immers, de chatgesprekken in het dossier hebben zonder uitzondering betrekking op de productie en export van synthetische drugs en diverse daarmee samenhangende criminele activiteiten. In de onderhavige zaak is nauwelijks gebleken van privécommunicatie via ANØM. Hoogstens zijdelings en altijd in het kader van zijn criminele activiteiten heeft de verdachte zeer sporadisch een privéaangelegenheid benoemd, zoals de datum van zijn verjaardag of een foto van een pizzaoven en een te leggen vloer verzonden. Gelet op het voorgaande alsook op hetgeen hiervoor onder ‘De werking en kenmerken van ANØM’ over ANØM in het algemeen is overwogen, is het hof van oordeel dat de verdachte, als gevolg van een eventuele niet-naleving van de voorschriften van artikel 31 van de EOB-richtlijn door Litouwen, niet of nauwelijks in zijn recht op eerbiediging van het privéleven en van communicatie, zoals vastgelegd in artikel 7 van het Handvest, is geschaad. Het feit dat naast de digitale communicatie via het ANØM-toestel tevens zicht kon worden verkregen op metadata, zoals IMEI-nummers en locatiegegevens, maakt dit oordeel niet anders, terwijl het hof dienaangaande, zoals later in dit arrest zal blijken, in een mogelijk tekort aan rechtsbescherming op dit vlak zal voorzien. De verwerking en analyse van de data betreffende ANØM-gebruikers in Nederland Zoals hiervoor onder ‘De verkrijging van de ANØM-data’ reeds is overwogen, is het Nederlandse OM, naar aanleiding van informatie van de Amerikaanse autoriteiten over ANØM, op 26 maart 2021 het opsporingsonderzoek ‘26Eagles’ gestart. Uit de brief van het Landelijk Parket d.d. 11 juni 2021 volgt dat onderzoek ‘26Eagles’ een voorbereidend strafrechtelijk onderzoek is naar niet-geïdentificeerde verdachten die zich vermoedelijk schuldig maakten aan het in georganiseerd verband beramen en plegen van ernstige strafbare feiten. Vanaf 23 maart 2021 ontvingen de Nederlandse autoriteiten driemaal per week van de Amerikaanse opsporingsdiensten een set met volledig ontsleutelde data betreffende niet-geïdentificeerde gebruikers van ANØM in Nederland. Binnen het onderzoek ‘26Eagles’ zijn deze data door Nederlandse opsporingsambtenaren verwerkt en geanalyseerd. Uit de hiervoor genoemde brief van het Landelijk Parket volgt dat voor het onderzoek aan de ANØM-data de volgende uitgangspunten zijn gehanteerd: 1. De data worden onderzocht met toepassing van zoeksleutels, zoals a. informatie over ANØM-gebruikers (en hun contacten en eventueel daar weer de contacten van) uit lopende onderzoeken naar criminele samenwerkingsverbanden; b. zoektermen (steekwoorden) en/of afbeeldingen die naar hun aard wijzen op ernstige criminele activiteiten in georganiseerd verband. 2. Het onderzoek moet zo worden ingericht dat achteraf reproduceerbaar en verifieerbaar is welke resultaten/dataset de zoekslag heeft opgeleverd. 3. Bij het onderzoek aan de data wordt recht gedaan aan het verschoningsrecht van geheimhouders waaronder advocaten. Communicatie van en met geheimhouders wordt zoveel mogelijk actief uitgefilterd. Hoewel dit niet expliciet uit het dossier, inclusief de twee brieven van het Landelijk Parket over (de verwerking en analyse van) de ANØM-data, blijkt, gaat het hof ervanuit dat de door de VS ontvangen ANØM-data werden opgeslagen op (een) elektronische gegevensdrager(s) en/of geautomatiseerd werk(en) en vanaf die elektronische gegevensdrager(s) en/of dat geautomatiseerd werk(en) werden ingezien en onderzocht. Op grond van artikel 126dd Sv hebben de officieren van justitie die de leiding hadden over onderzoek ‘26Eagles’ bepaald dat de in dat onderzoek verkregen ANØM-data betreffende de verdachte in de onderhavige zaak kunnen worden gebruikt in het strafrechtelijk onderzoek tegen deze verdachte, waarna deze data (digitaal) zijn verstrekt aan de zaaksofficier van justitie in het onderhavige onderzoek. Ten aanzien van het onderzoek door Nederlandse politieambtenaren met betrekking tot de data van ANØM-gebruikers in Nederland stelt het hof het volgende voorop. De algemene wettelijke bevoegdheden van opsporingsambtenaren bieden voldoende legitimatie voor een onderzoek aan voorwerpen – waaronder ook elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken – als de met dat onderzoek samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd. De wet vereist in zo’n geval geen voorafgaande rechterlijke toetsing of tussenkomst van de officier van justitie. Van zo’n beperkte inbreuk kan – naast onderzoek dat slechts strekt tot het identificeren van de gebruiker – bij het verrichten van onderzoek aan een elektronische gegevensdrager of een geautomatiseerd werk bijvoorbeeld sprake zijn als een opsporingsambtenaar een bij een verdachte aangetroffen elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk bekijkt en daarbij enkele beperkte waarnemingen doet over het feitelijk gebruik daarvan op dat moment of direct daaraan voorafgaand, bijvoorbeeld door na te gaan welke contacten de gebruiker van een telefoon kort tevoren heeft gelegd. Van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is echter al geen sprake meer als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek aan de smartphone (of andere elektronische gegevensdrager of geautomatiseerd werk) inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s, de browsergeschiedenis, de inhoud van via die smartphone uitgewisselde communicatie, en gevoelige gegevens). Als politie en justitie in zo’n geval onderzoek willen verrichten aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, dan is voor dat onderzoek – behalve in spoedeisende gevallen – een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. Deze toetsing vergt een beoordeling of de inbreuk die door het onderzoek wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, is gerechtvaardigd mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek aan de elektronische gegevensdrager of het geautomatiseerde werk voor de waarheidsvinding. - Vormverzuim en gevolgen vormverzuim Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof vast dat de ANØM-data betreffende de verdachte door Nederlandse opsporingsambtenaren zijn verwerkt en geanalyseerd zonder dat daaraan een rechterlijke toetsing vooraf was gegaan. Voor de verwerking en analyse van deze ANØM-data was aldus geen rechterlijke machtiging verstrekt. Het hof is van oordeel dat een dergelijke machtiging, gelet op het hiervoor weergegeven juridische kader, wel vereist was. Op voorhand was namelijk te voorzien dat door de verwerking en analyse van de ANØM-data, die werden ingezien via (een) elektronische gegevensdrager(s) en/of geautomatiseerde werk(en), inzicht zou kunnen worden verkregen in verkeers- en locatiegegevens, maar ook in andersoortige gegevens (zoals foto’s en de inhoud van communicatie). Een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene was aldus voorzienbaar. Gelet op het voorgaande, is sprake geweest van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek dat niet meer hersteld kan worden. Bij de vraag of en, zo ja, welk rechtsgevolg aan dit vormverzuim dient te worden verbonden, heeft het hof rekening gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat door dat verzuim is veroorzaakt. Het hof stelt vast dat het geschonden voorschrift, de verplichting betreft om onderzoek aan elektronische gegevensdrager(s) en/of geautomatiseerde werk(en) dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene(n) met zich brengt, voorafgaand door een rechter(-commissaris) te laten toetsen. Het hiervoor weergegeven juridische kader vindt zijn basis in rechtspraak van het HvJ EU, in het bijzonder het arrest van dat hof d.d. 4 oktober 2024. Dit arrest heeft betrekking op Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/184581 · 2026-07-30
