# Rechtbank Rotterdam, 15-07-2026 (C/10/711579/ 25-1075)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Rotterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBROT:2026:8716
- Date: 2026-07-15
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBROT%3A2026%3A8716
- Canonical: https://overview.legal/posts/184591

## Summary

Partijen zijn gescheiden in 2023, en zijn het niet eens over de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden (met finaal verrekenbeding. In april 2025 zijn in een proces-verbaal van zitting afspraken gemaakt. Daarna is de woning verkocht. Uit de opbrengst zijn eerst beslagleggers betaald. Uit het restant, dat de notaris heeft overgemaakt aan de advocaat van de man, zijn daarna diverse andere schuldeisers voldaan. Omdat partijen er niet uitkomen hoe de rest verdeeld moet worden, beslist de rechtbank daarover.

## Full text

RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/711579 / HA ZA 25-1075 Vonnis van 15 juli 2026 in de zaak van [de man] , te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, advocaat: mr. L.A. Jansen, tegen [de vrouw] , te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, advocaat: eerst: mr. R. van Noord, later: mr. J.W. Prinsen. Partijen worden hierna [de man] en [de vrouw] genoemd. 1 De zaak in het kort [de man] en [de vrouw] zijn getrouwd geweest en in 2023 gescheiden. Zij zijn het niet eens over de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden. In april 2025 is er een zitting geweest en partijen hebben toen een vaststellingsovereenkomst gesloten die is neergelegd in het proces-verbaal van de zitting. Hun gezamenlijke woning is daarna verkocht. De notaris heeft uit de netto-verkoopopbrengst betalingen aan beslagleggers gedaan en het resterende bedrag daarna overgemaakt op de derdengeldrekening van de advocaat van [de man] , mr. Jansen, die daaruit diverse andere schuldeisers heeft voldaan. Omdat partijen er niet uitkomen hoe het restant verdeeld moet worden, beslist de rechtbank daar nu over. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, met producties 1 tot en met 30; - de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met niet-genummerde producties; - de conclusie van antwoord in reconventie; - de bief van mr. Jansen van 17 april 2025 met productie 31 van [de man] ; - het B-formulier van mr. Van Noord van 22 april 2025 met een bijgewerkt overzicht van de kosten ter verdeling; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 22 april 2025, met daarin een vaststellingsovereenkomst tussen partijen en de beslissing om de zaak te verwijzen naar de parkeerrol; - de brief van mr. Jansen van 4 november 2025, met producties 32 tot en met 54, met het verzoek de zaak op te brengen en een nieuwe mondelinge behandeling te bevelen; - het bericht van de rechtbank van 12 december 2025 waarbij een nieuwe mondelinge behandeling is bevolen; - het bericht van de rechtbank van 14 april 2026 met een zittingsagenda; - de brief van mr. Prinsen van 21 april 2026 waarin hij meldt de zaak te hebben overgenomen van mr. Van Noord; - de brief van mr. Prinsen van 21 april 2026 met producties 0 tot en met XXI; - de brief van mr. Prinsen van 24 april 2026 zonder producties, met een reactie op de brief van mr. Jansen van 4 november 2025; - de mondelinge behandeling van 28 april 2026. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [de man] en [de vrouw] zijn gehuwd geweest van [datum 1] tot en met [datum 2] . 3.2. [de vrouw] heeft een dochter uit een eerdere relatie, [dochter van de vrouw] . 3.3. Voorafgaand aan hun huwelijk hebben partijen huwelijkse voorwaarden gesloten. Daarin hebben zij iedere gemeenschap van goederen uitgesloten (artikel 1), geen jaarlijks verrekenbeding afgesproken (artikel 9) en een finaal verrekenbeding afgesproken. Artikel 11 bepaalt: “ 1. Bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding en bij scheiding van tafel en bed wordt tussen de echtgenoten afgerekend alsof de echtgenoten in gemeenschap van goederen waren getrouwd.” 3.4. [de man] is gedetineerd geweest van [datum 3] tot en met [datum 4] . 3.5. Bij beschikking voorlopige voorziening van 7 november 2022 heeft de familierechter bepaald dat [de vrouw] met ingang van 7 november 2022 het uitsluitend gebruik toekwam van de echtelijke koopwoning aan [adres 1] te [plaats] (hierna: de woning). De woning vormde een eenvoudige gemeenschap tussen partijen. 3.6. Er zijn daarnaast diverse bezittingen en schulden. Partijen dreven een tweetal ondernemingen, [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. 3.7. Ter zitting van 22 april 2025 hebben partijen de volgende afspraken gemaakt, die zijn neergelegd in het proces-verbaal van de zitting (hierna ook: de vaststellingsovereenkomst): “1. Partijen zullen de woning aan [adres 1] te [plaats] (hierna: de woning) zo spoedig mogelijk te koop zetten. Partijen zullen daartoe samen een verkoopopdracht geven aan De Zeeuw Makelaardij in [plaats] . Omtrent de verkoop van de woning spreken partijen het volgende af: - indien partijen over de vaststelling van de vraag- of laatprijs of over enige andere kwestie in verband met de verkoop van de woning geen overeenstemming kunnen bereiken, zal ieder der partijen gerechtigd zijn een bindend advies aan de verkoopmakelaar te vragen en zullen partijen aan dat advies uitvoering geven; - beide partijen zullen meewerken aan elke rechtshandeling die nodig is om tot verkoop en levering van de woning te komen, zoals het tekenen van de overeenkomst van opdracht met de verkoopmakelaar, de koopovereenkomst en de akte van levering; - beide partijen zullen meewerken aan alle feitelijke handelingen die nodig zijn om te komen tot verkoop van de woning, zoals het openstellen van de woning voor het maken van foto’s door de verkoopmakelaar en voor bezichtigingen; - de hypotheekschuld zal worden afgelost uit het saldo van de spaarpolis en de verkoopopbrengst van de woning; - alle schulden waarvoor beslag op de woning is gelegd zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning; - de lasten in verband met de woning na de datum van deze zitting en de achterstand in de betaling van die lasten, voor zover niet onder schulden in deze overeenkomst genoemd, zullen uit de verkoopopbrengst van de woning worden betaald. [de vrouw] zal zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen twee weken een overzicht van de lopende lasten aan [de man] geven; - de kosten in verband met de verkoop en de levering van de woning, waaronder de kosten van de makelaar en eventuele verkoopkosten, zullen eveneens worden betaald uit de verkoopopbrengst; - het resterende deel van de verkoopopbrengst zal aan de notaris in depot worden gegeven. Partijen spreken af dat de woning tot aan de levering niet door één van hen bewoond zal worden. Ook spreken partijen af dat er alleen onderhoud aan de woning gepleegd zal worden als partijen het daar samen over eens zijn. Over de spaarpolis komen partijen overeen dat [de vrouw] in verband met betalingen op die polis na 22 juli 2022 een vordering heeft op [de man] van € 4.000,- die zal worden betaald uit het depot op de wijze bepaald in artikel 5. 2. [de man] zal tot aan de datum van ondertekening van de verkoopovereenkomst van de woning namens partijen mogen onderhandelen met schuldeisers om te proberen een regeling met die schuldeisers te treffen. [de man] zal geen regeling treffen zonder de instemming van [de vrouw] . 3. Uit het depot zullen worden betaald alle hierna te noemen schulden (het betreft uitsluitend schulden die in de procedure zijn besproken): - de schuld aan Eneco in verband met de woning; - de schuld aan MijnDomein; - de schuld aan CZ; - de schulden aan Heineken; - de schuld aan Vodafone; - de schuld aan de gemeente Rotterdam wegens terugvordering bbz-uitkering. Partijen zijn het erover eens dat deze schulden door hen beiden 50/50 gedragen moeten worden. [de man] zal binnen een maand de actuele stand opvragen van de schulden aan Eneco, MijnDomein, CZ en Heineken. [de vrouw] zal binnen een maand de actuele stand opvragen van de schuld aan Vodafone. Zodra de omvang van deze schulden vaststaat, zullen de advocaten van partijen aan de notaris opdracht geven om een bedrag gelijk aan die schulden uit het depot uit te keren aan mr. Jansen. Vervolgens zal mr. Jansen ervoor zorgen dat de betreffende schuldeisers worden betaald. 4. Naast de hiervoor genoemde schulden zijn er ook schulden waarover partijen het eens zijn dat die door hen beiden 50/50 gedragen moeten worden, en waarvan [de vrouw] stelt dat zij die al geheel of gedeeltelijk betaald heeft. Dit betreft de volgende schulden: - de schuld aan Aksa Media met betrekking tot [bedrijf 3] ; - de schuld aan Vattenfall met betrekking tot [bedrijf 3] ; - de schuld aan Ministry of Beauty met betrekking tot [bedrijf 3] ; - de schuld aan Marco Warmte; - de schuld aan Pascal Service; - de schuld aan Bol.com in verband met de zwembadpomp; - de hypotheekachterstand op 14 juli 2022; - de schuld aan Armeare met betrekking tot [bedrijf 3] ; - de schuld aan Hallostroom in verband met de woning; - de schuld aan NLE in verband met de woning; - de schuld aan de [school dochter van de vrouw] ; - de vaste lasten in verband met de woning, niet zijnde lasten die elders in deze overeenkomst als schuld worden genoemd; - de schulden aan de belastingdienst die staan vermeld op het door [de vrouw] bij haar conclusie van antwoord in het geding gebrachte overzicht; - de schuld die wordt geïncasseerd door Intrum, niet zijnde de schuld aan Vattenfall; - de schuld aan de dierenarts Bernisse; - de schuld aan Van Gemert ; - de schuld aan [dochter van de vrouw] in verband met geld dat van haar spaarrekening is gehaald om schulden voor gas, water en licht en schulden in verband met de auto te betalen, niet zijnde de elders in deze overeenkomst genoemde schulden aan Eneco, NLE en Hallostroom; - de schuld aan [dochter van de vrouw] met betrekking tot haar salaris over de maanden april t/m juli 2022. Met betrekking tot deze schulden komen partijen overeen dat [de vrouw] binnen een maand en in één keer stukken zal aanleveren aan [de man] waaruit het bestaan van die schuld blijkt en waaruit haar betaling van (een deel van) die schuld blijkt. Als [de vrouw] stukken aanlevert waaruit het bestaan van die schuld blijkt, zijn partijen het erover eens dat die schuld door partijen 50/50 gedragen wordt. Als [de vrouw] stukken aanlevert waaruit blijkt dat zij (een deel van) die schuld betaald heeft, is [de man] het ermee eens dat [de vrouw] een vordering op hem heeft gelijk aan de helft van het door [de vrouw] betaalde bedrag. Dit laatste geldt ook voor de schuld aan SVHW die door de notaris zal worden voldaan omdat SVHW beslaglegger is. Voor wat betreft schulden als hiervoor genoemd die 50/50 gedeeld moeten worden, en die nog niet geheel zijn betaald, zullen de advocaten van partijen aan de notaris opdracht geven om een bedrag gelijk aan die schulden uit het depot uit te keren aan mr. Jansen. Vervolgens zal mr. Jansen ervoor zorgen dat de betreffende schuldeisers worden betaald. Omtrent schulden als hiervoor genoemd, waarvan komt vast te staan dat [de vrouw] daarvan een deel of alles heeft betaald, komen partijen overeen dat [de vrouw] een vordering op [de man] heeft ter grootte van de helft van het door haar betaalde bedrag. Deze vordering zal verrekend worden bij de uitkering van het depot nadat alle schulden als hiervoor omschreven zijn betaald. 5. Nadat alle schulden als hiervoor bedoeld zijn betaald, zullen de advocaten van partijen aan de notaris opdracht geven om een bedrag gelijk aan de helft van het restant wat in depot staat, verminderd met het bedrag dat [de vrouw] van [de man] te vorderen heeft wegens door haar betaalde schulden en vermeerder met € 2.500 ter zake van de inboedel, aan [de man] uit te keren, en het restant aan [de vrouw] uit te keren. 6. Partijen zullen geen nieuwe schulden en vorderingen in de afrekening betrekken, anders dan de in deze overeenkomst genoemde schulden en vorderingen. 7. Over de inboedel spreken partijen af dat [de vrouw] deze mag houden en dat zij daarvoor € 2.500,- aan [de man] verschuldigd is. Dit bedrag zal door [de vrouw] uit haar deel van het depot worden betaald zodra dat depot tot uitkering komt. 8. Over de bankrekeningen spreken partijen af dat ieder de bankrekeningen houdt die hij heeft en dat partijen elkaar daarvoor niks verschuldigd zijn. 9. Over de beide BV’s spreken partijen af dat [de vrouw] ervoor zal zorgen dat deze worden geliquideerd via de procedure van de zogenaamde turbo-liquidatie. 10. Over de BMW 535d spreken partijen af dat [de man] te dier zake geen vordering heeft op [de vrouw] . 11. Na de volledige uitvoering van deze overeenkomst zal de afrekening tussen partijen zoals vastgelegd in de huwelijkse voorwaarden volledig zijn afgewikkeld. 12. Deze overeenkomst is niet vatbaar voor ontbinding wegens niet-nakoming. 13. De zaak wordt verwezen naar de parkeerrol. Ieder van partijen kan, indien er een geschil is over de uitvoering van deze regeling, verzoeken dat de zaak weer op de gewone rol wordt geplaatst. Die partij moet daarbij aangeven wat de stand van zaken tussen partijen is, over welke kwestie de rechtbank zich nog moet uitlaten, en wat die partij voorstelt voor het verdere verloop van de procedure.” 3.8. De woning is verkocht. De levering heeft plaatsgevonden op 23 september 2025. De notaris heeft een nota van afrekening opgesteld. De notaris heeft uit de verkoopopbrengst enkele schuldeisers - voornamelijk beslagleggers - betaald en heeft vervolgens, in weerwil van de afspraak tussen partijen, het resterende bedrag ad € 124.693,16 op de derdengeldrekening van Schep Advocaten, het kantoor van mr. Jansen, overgemaakt. Mr. Jansen heeft daaruit een aantal andere schuldeisers van partijen betaald, waarna € 93.670,06 resteert (hierna: het depot). 3.9. Partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over de verdeling van het geld in het depot. 4 Het geschil in conventie en in reconventie 4.1. [de man] heeft oorspronkelijk bij dagvaarding gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad: “De huwelijkse voorwaarden af te wikkelen als volgt : I. De vrouw te veroordelen de woning staande en gelegen aan [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats] , [gemeente] , binnen twee maanden na het wijzen van onderhavig vonnis te verlaten en te ontruimen van haar eigen goederen onder afgifte van de sleutels van de woning en ontruimd te houden, aan man ter vrije beschikking te stellen, althans een zodanig datum te bepalen, op straffe van een dwangsom ad € 500,00 per dag of gedeelte voor zover de vrouw zich niet houdt aan deze veroordeling; II. De man te machtigen tot het te gelde maken van de woning aan [adres 1] te ( [postcode 1] ) [plaats] , in die zin dat hij als deelgenoot en als vertegenwoordiger van de vrouw, zelfstandig en dus buiten de vrouw om gemachtigd zal zijn tot het verrichten van handelingen die kunnen leiden tot de verkoop en levering van de woning, waarbij het navolgende geldt: A. makelaar [naam makelaar] te ( [postcode 2] ) [adres 2] wordt gevraagd om te bemiddelen bij verkoop en levering van de woning van partijen en daarbij een vraagprijs te hanteren zoals geadviseerd door de makelaar, indien de makelaar adviseert tot een lagere vraagprijs, zal het advies van de makelaar worden gevolgd; B. op het moment dat partijen geen overeenstemming bereiken over een bod op de woning, beslist makelaar [naam makelaar] of het bod door partijen moet worden geaccepteerd; C. de woning wordt zo spoedig mogelijk na verkoop geleverd; D. met de verkoopsom wordt de hypothecaire geldlening waarmee de woning is bezwaard, afgelost alsmede de schulden en worden de verkoopkosten van de woning voldaan, te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schulden ter zake de Nederlandse voorschotbank, Eneco, Tonit, Zelfstroom Zonnepanelen, LAVG mijn domein, CZ, SVHW. III. de vrouw te veroordelen tot het onvoorwaardelijk opvolgen van de schriftelijke aanwijzingen van de makelaar en dus al datgene te verrichten respectievelijk na te laten wat op instructie van de makelaar noodzakelijk is om tot verkoop en eigendomsoverdracht van de woning te komen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat de vrouw na betekening van het vonnis hieraan niet haar medewerking verleent; IV. te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag dient te betalen ad € 7.500,00 voor wat betreft de inboedel, althans te bepalen dat partijen de inboedel bij helfte dienen te delen; V. te bepalen dat de vrouw de ondernemingen [bedrijf 1] B.V. (kvk nummer [nummer 1] ) en De [bedrijf 2] B.V. (kvk nummer [nummer 2] ). heeft voortgezet met ingang van 26 september 2022; VI. te bepalen dat ieder der partijen de eigen bankrekening met het saldo daarop behoudt zonder nadere verrekening; VII. te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag dient te betalen ad € 3.000,00 voor wat betreft de auto; VIII. te bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man draagplichtig is voor de schuld aan Heineken genoemd onder VI sub H en I; IX. Met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding, althans de proceskosten tussen partijen te compenseren.” 4.2. [de vrouw] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [de man] . In reconventie heeft [de vrouw] gevorderd dat € 31.692,36 aan haar wordt toegewezen. 4.3. [de man] heeft verweer gevoerd tegen de vordering van [de vrouw] en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van [de vrouw] in haar vorderingen in reconventie, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [de vrouw] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 4.4. [de man] heeft bij brief van 4 november 2025 zijn eis in conventie gewijzigd en heeft daarvan ter zitting van 28 april 2026 akte gevraagd. Primair vordert [de man] - na de wijziging van zijn eis - dat het bedrag van het depot (€ 93.670,06) als volgt wordt uitbetaald: “ [de vrouw] heeft een vordering op [de man] ad € 4.000,00 voor spaarpolis. [de man] op [de vrouw] ad € 2.500 voor inboedel. Per saldo krijgt [de vrouw] dus € 1.500,00 meer. € 93.670,06 /2 = € 46.835,03 - € 1.500,00= € 45.335,03 aan [de man] en € 48.335,03 aan [de vrouw] ” en subsidiair: “dat het saldo van de derdengeldrekening wordt verdeeld: € 50.564,13 aan [de man] en € 43.105,93 aan [de vrouw] .” met veroordeling van [de vrouw] in de proceskosten. 4.5. [de vrouw] heeft gereageerd op de stellingen in de brief van [de man] van 4 november 2025, en te kennen gegeven dat zij zich niet kan verenigen met de wijze van verdeling van het depotbedrag zoals door [de man] - na eiswijziging - gevorderd. 4.6. De rechtbank zal hierna, voor zover nodig, op de stellingen van partijen ingaan. 5 De beoordeling in conventie en reconventie Processuele beslissingen 5.1. De rechtbank staat de eiswijziging van [de man] in zijn brief van 4 november 2025, zie hiervoor onder 4.4, toe omdat deze tijdig is gedaan en [de vrouw] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank laat ook de eerste brief van 24 april 2026 van mr. Prinsen toe: deze is weliswaar te kort voor de zitting ingediend maar bevat geen producties en mr. Jansen maakt er geen bezwaar tegen. Deze brief wordt aangemerkt als spreekaantekeningen van mr. Prinsen voor de zitting. De rechtbank laat de tweede brief van mr. Prinsen van 24 april 2026, met aanvullende producties, buiten beschouwing. Mr. Jansen maakt bezwaar tegen deze brief en de daarbij gevoegde producties omdat zij onvoldoende tijd heeft gehad om de brief en de producties te bestuderen. De rechtbank acht dit bezwaar terecht. Juridisch kader 5.2. Het geschil tussen partijen betreft in wezen de verdeling van een gemeenschap. Het bedrag in depot komt immers aan partijen gezamenlijk toe. In artikel 3:185 BW is bepaald dat, als deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming komen, zij de rechter kunnen benaderen om de wijze van verdeling of de verdeling zelf vast te stellen. De rechter moet naar billijkheid rekening houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen door partijen over en weer is gevorderd. De rechter behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. De primaire vordering van [de man] 5.3. [de man] vordert primair dat het bedrag in depot tussen partijen wordt verdeeld zonder rekening te houden met eventuele vorderingen van [de vrouw] , omdat [de vrouw] zich niet heeft gehouden aan het bepaalde in artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst (zij zou binnen een maand en in één keer stukken aanleveren aan [de man] waaruit het bestaan van de in artikel 4 genoemde schulden blijkt en waaruit haar betaling van (een deel van) die schulden blijkt, en dat heeft zij niet gedaan). In wezen vordert [de man] dus gedeeltelijke ontbinding van de vaststellingsovereenkomst wegens een tekortkoming in de nakoming van [de vrouw] . Daarvan kan echter geen sprake zijn omdat in artikel 12 van de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat de overeenkomst niet vatbaar is voor ontbinding wegens niet-nakoming. [de man] kan dus uitsluitend nakoming vorderen. Dat betekent dat de rechtbank de subsidiaire vordering van [de man] moet beoordelen (te weten dat het saldo van de derdengeldrekening wordt verdeeld: € 50.564,13 aan [de man] en € 43.105,93 aan [de vrouw] ), alsmede de vordering van [de vrouw] in reconventie. De rechtbank moet in dat kader alle vorderingen van partijen over en weer beoordelen. 5.4. De vorderingen van partijen over en weer, zijn in te delen in de volgende categorieën: vorderingen van [de vrouw] in verband met de door de notaris betaalde schulden; vorderingen van [de vrouw] in verband met de door mr. Jansen betaalde bedragen; vorderingen van [de vrouw] op grond van artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst; vorderingen van [de man] genoemd in de brief van mr. Jansen van 4 november 2025. 5.5. De rechtbank zal de vorderingen van partijen hierna per categorie bespreken. Vorderingen van [de vrouw] in verband met de door de notaris betaalde schulden 5.6. In de vaststellingsovereenkomst onder artikel 1, derde gedachtestreepje, is door partijen afgesproken dat “alle schulden waarvoor beslag op de woning is gelegd zullen worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning.” De woning is verkocht en de notaris heeft volgens de nota van afrekening uit de koopsom van € 450.000,- - na eerst diverse eigenaarslasten te hebben verrekend - vier beslagleggers betaald: De Nederlandse Voorschotbank B.V. (€ 44,520,66), Zelfstroom Zon Huur II B.V. (€ 9.798,36), Tonit Afrekensystemen B.V. (€ 5.084,07) en SVHW (€ 8.312,23). Daarnaast is uit de verkoopopbrengst volgens deze nota van afrekening de hypotheekschuld bij ING Bank N.V. afgelost, en zijn de diverse notariële en kadasterkosten en de kosten van de makelaar betaald. De Nederlandse Voorschotbank B.V. 5.7. De notaris heeft uit de verkoopopbrengst van de woning € 44.520,66 aan De Nederlandse Voorschotbank betaald. [de vrouw] heeft geen bezwaar tegen deze betaling maar stelt dat [de man] deze schuld in hun onderlinge verhouding moet dragen omdat dit een schuld is uit een eerdere relatie van [de man] . Volgens [de vrouw] is [de man] deze schuld bovendien lichtvaardig aangegaan en heeft hij daardoor de (fictieve) gemeenschap tussen partijen benadeeld. [de vrouw] stelt dat [de man] op grond van artikel 1:164 BW de daardoor aangerichte schade aan de gemeenschap moet vergoeden. 5.8. [de man] stelt dat er geen reden is om deze schuld niet als gemeenschapsschuld te behandelen. Ook wijst [de man] erop dat de (regres)vordering van [de vrouw] niet is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst, en dat tussen partijen in diezelfde vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat zij geen nieuwe schulden en vorderingen in de afrekening zullen betrekken. [de vrouw] voert hiertegen aan dat die afspraak niet ziet op interne vorderingen. 5.9. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt. Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden afgesproken bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding met elkaar af te rekenen alsof zij in gemeenschap van goederen waren getrouwd. De huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt in 2014, zodat met “gemeenschap van goederen” in de huwelijkse voorwaarden niets anders bedoeld kan zijn dan de wettelijke gemeenschap van goederen zoals die toen gold. Dat betekent dat partijen met elkaar moeten afrekenen alsof zij in volledige gemeenschap van goederen waren gehuwd. Tot een dergelijke gemeenschap behoren ook schulden die de echtgenoten vóór het huwelijk zijn aangegaan. Voor schulden aangegaan tijdens eerdere relaties geldt geen uitzondering. De schuld aan De Nederlandse Voorschotbank valt dus in de fictieve gemeenschap tussen partijen en moet door partijen ieder bij helfte worden gedragen. Nu de schuld geheel ten laste van de gemeenschap (de verkoopopbrengst van de woning) is voldaan, heeft [de vrouw] niet meer dan haar deel daarvan gedragen en heeft zij uit dien hoofde geen vordering op [de man] . 5.10. Aan [de vrouw] komt ook geen vordering toe op grond van het bepaalde in artikel 1:164 BW. Die bepaling ziet immers op schulden die kort na of in het zicht van de echtscheiding zijn aangegaan, en daarvan is hier geen sprake. Het betreft een schuld die voor het huwelijk is aangegaan. In het midden kan dus blijven of de vordering van [de vrouw] een “nieuwe vordering” is als bedoeld in artikel 6 van de vaststellingsovereenkomst. Tonit 5.11. De notaris heeft uit de verkoopopbrengst van de woning € 5.084,07 betaald aan Tonit Afrekensystemen B.V. (hierna: Tonit). [de vrouw] heeft geen bezwaar tegen deze betaling maar stelt dat zij al eerder € 4.673,44 op deze schuld had afbetaald en dat zij uit dien hoofde een regresvordering heeft op [de man] ten bedrage van € 2.336,72. Ter onderbouwing van haar vordering heeft [de vrouw] e-mails overgelegd van Jongejan Wisseborn Gerechtsdeurwaarders van 26 maart 2025 en 22 mei 2025, waarin staat dat op de schuld aan Tonit op dat moment € 4.673,44 was afgelost, waarvan € 3.738,52 was betaald aan de deurwaarder en € 934,92 aan Tonit. 5.12. [de man] heeft ter zitting van 22 april 2025 erkend dat [de vrouw] een regresvordering heeft voor zover zij aantoonbaar betalingen heeft verricht op deze schuld. Volgens [de man] is het bedrag van € 3.738,52 echter niet betaald door [de vrouw] maar in mindering gebracht op de schuld omdat partijen twee kassa’s hebben ingeleverd bij Tonit. Ter zitting van 28 april 2026 heeft [de man] voorts aangevoerd dat sprake is van een nieuwe schuld die niet in het overzicht (opgenomen in artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst) staat, en dat de brief van de deurwaarder vragen oproept. 5.13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de man] zijn verweer tegen deze vordering van [de vrouw] onvoldoende onderbouwd. Uit de e-mail van de deurwaarder van 22 mei 2025 blijkt dat de betalingen van € 3.738,52 en € 934,92 in mindering zijn gebracht op de schuld die resteerde ná inlevering van de kassa’s. Het bedrag van € 3.738,52 ziet dus niet op de ingeleverde kassa’s. Daarmee staat - als onvoldoende gemotiveerd betwist - vast dat dit bedrag, evenals het bedrag van € 934,92, door [de vrouw] is afgelost. [de vrouw] heeft dus € 4.673,44 méér afgelost op deze gemeenschappelijk schuld dan [de man] , zodat [de vrouw] een regresvordering van € 2.336,72 op [de man] heeft. Hieraan doet niet af dat deze schuld niet in artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst is opgenomen. Immers, [de man] heeft reeds ter zitting van 22 april 2025 erkend dat [de vrouw] een regresvordering heeft voor zover zij aantoonbaar betalingen heeft verricht op deze schuld, zodat redelijkerwijs niet van een nieuwe schuld of vordering als bedoeld in artikel 6 van de vaststellingsovereenkomst kan worden gesproken. SVHW 5.14. De notaris heeft uit de verkoopopbrengst van de woning ook een bedrag van € 8.312,23 aan SVHW betaald. [de vrouw] heeft geen bezwaar tegen deze betaling maar stelt dat zij uit dien hoofde een vordering heeft op [de man] . In haar (tweede) brief van 21 april 2026 stelt [de vrouw] dat twee van de aanslagen van SVHW die door de notaris zijn betaald (ten bedrage van totaal € 3.084,34) betrekking hebben op de periode na de echtscheiding. In haar brief van 24 april 2026 stelt zij dat die twee aanslagen geen betrekking hebben op de woning, maar op de woning van [de man] . [de vrouw] stelt ook dat zij vóór de verkoop van de woning al € 750,- op de schuld aan SVHW heeft afgelost. [de man] heeft ter zitting betwist dat de betreffende twee aanslagen betrekking hebben op zijn eigen woning. 5.15. De twee betreffende aanslagen staan vermeld in de door [de vrouw] in het geding gebrachte brief van SVHW aan de notaris in verband met de verkoop van de woning. In die brief is een overzicht van openstaande aanslagen van SVHW opgenomen. Boven dat overzicht staat vermeld: “In verband met de verkoop van de woning [adres 1] te [plaats] stuur ik u een overzicht van de openstaande aanslagen.”. Daaruit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat de twee betreffende aanslagen betrekking hebben op de woning. Dat de twee aanslagen betrekking hebben op de periode na de echtscheiding van partijen, doet niet af aan de draagplicht van [de vrouw] . [de vrouw] heeft dus in verband met het bedrag dat de notaris heeft betaald aan SVHW geen vordering op [de man] . 5.16. [de vrouw] heeft wel een vordering op [de man] in verband met haar betaling van € 750,- aan SVHW. Die vordering is door [de man] niet betwist. [de vrouw] heeft uit dien hoofde een vordering van € 375,- op [de man] . Vorderingen van [de vrouw] in verband met de door mr. Jansen betaalde bedragen 5.17. Partijen hebben in artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst afgesproken dat de daar genoemde schulden 50/50 door hen gedragen worden en dat de actuele standen zouden worden opgevraagd met de bedoeling deze uit de verkoopopbrengst van de woning te voldoen. Mr. Jansen zou vervolgens voor betaling van de genoemde schuldeisers zorgen. 5.18. Mr. Jansen heeft diverse schulden voor partijen afgewikkeld door ze te voldoen uit het van de notaris ontvangen bedrag: - de schuld aan MijnDomein door betaling van € 750,- tegen finale kwijting op 14 oktober 2025; - de schuld aan CZ door betaling van € 9.541,58 op 10 oktober 2025; - de schuld aan Heineken door betaling van € 10.000,- tegen finale kwijting op 17 oktober 2025; - de schuld aan Vodafone door betaling van € 850,- tegen finale kwijting op 14 oktober 2025. De schuld aan CZ 5.19. Mr. Jansen heeft € 9.541,58 aan CZ betaald. [de vrouw] heeft zich in haar brief van 24 april 2026 akkoord verklaard met die betaling. Ter zitting heeft [de vrouw] alsnog bezwaar gemaakt tegen die betaling. De rechtbank begrijpt dat [de vrouw] betwijfelt of de schuld aan CZ daadwerkelijk € 9.541,58 bedroeg en betwijfelt of mr. Jansen daadwerkelijk € 9.541,58 aan CZ heeft betaald. [de man] heeft echter als productie 36 een betalingsverzoek van CZ van € 9.541,58 en een betalingsbewijs aan CZ van € 9.541,58 overgelegd. In het licht hiervan lag het op de weg van [de vrouw] om haar bezwaar nader te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan, zodat de rechtbank aan dit bezwaar voorbijgaat. De hoogte van de schuld en de betaling van de schuld staan daarmee vast. De schuld aan CZ moet volgens de vaststellingsovereenkomst door partijen 50/50 worden gedragen. Nu deze schuld door mr. Jansen uit het van de notaris ontvangen bedrag is betaald, heeft geen van partijen dus een vordering op de ander in verband met die betaling. D e schuld aan de gemeente Rotterdam 5.20. Terzake de schuld aan de gemeente Rotterdam (terugvordering van uitkeringen onder de Transitie Bbz en Tozo) heeft mr. Jansen € 5.381,52 aan de gemeente betaald. [de man] heeft bewijs van die betaling overgelegd, alsmede twee brieven van de gemeente Rotterdam; één met betrekking tot de openstaande vorderingen op [de man] (totaal € 5.381.52) en één met betrekking tot de openstaande vorderingen op [de vrouw] (totaal € 5.381,52). In beide brieven staan dezelfde vijf vorderingsnummers met dezelfde ontstaansdata, dezelfde omschrijvingen en dezelfde bedragen vermeld. Volgens [de vrouw] is sprake van twee schulden van € 5.381,52 en moet dus nog € 5.381,52 aan de gemeente worden betaald uit het depot. Volgens [de man] is dat niet het geval en gaat het om één en dezelfde schuld omdat de vorderingsnummers, ontstaansdata en omschrijvingen hetzelfde zijn. 5.21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de vrouw] haar stelling dat sprake is van twee verschillende schulden aan de gemeente onvoldoende onderbouwd. Het ligt immers niet voor de hand dat de gemeente voor verschillende vorderingen op verschillende personen dezelfde vorderingsnummers hanteert. Bovendien waren uitkeringen onder de Transitie Bbz en de Tozo gezinsuitkeringen, zodat denkbaar is dat de gemeente de terugvordering beschouwt als een schuld waarvoor beide partijen hoofdelijk (dus ieder voor het geheel) aansprakelijk zijn. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de schuld van partijen aan de gemeente door de betaling van mr. Jansen is afgelost, en dat het niet nodig is om uit het depot nogmaals € 5.381,52 aan de gemeente te betalen. Vorderingen van [de vrouw] op grond van artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst Aksa Media 5.22. [de vrouw] stelt dat zij € 3.379,45 heeft betaald ter aflossing van de schuld aan Aksa Media, en legt een e-mail over van Van der Vleuten &amp; Van Hooff, gerechtsdeurwaarders en incasso, van 20 mei 2025 (productie I van [de vrouw] ), waarin staat: “Er is in totaal een bedrag van € 3.379,45 betaald aan ons kantoor”. Volgens [de vrouw] moet [de man] de helft van dat bedrag aan haar vergoeden. 5.23. [de man] plaatst vraagtekens bij het bedrag omdat in de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie een bedrag van € 1.477,57 wordt genoemd. Ook stelt [de man] dat niet duidelijk is wanneer de betalingen door [de vrouw] hebben plaatsgevonden. [de man] stelt dat hij vóór zijn detentie, dus vóór 14 juli 2022, geen eigen bankrekening had, en dat toen alles werd betaald van de rekening van [de vrouw] , die eigenlijk een gemeenschappelijke rekening was waarop ook zijn inkomsten werden gestort. Als er betalingen vóór 14 juli 2022 zijn gedaan, dan zijn die betalingen volgens [de man] dus uit gemeenschappelijke middelen gedaan. [de vrouw] stelt dat het er niet toe doet wanneer de betalingen precies hebben plaatsgevonden omdat in artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat [de man] aan haar de helft zal vergoeden van de bedragen die zij aantoonbaar heeft betaald op de schulden genoemd in dat artikel 4. 5.24. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst staat dat als [de vrouw] stukken aanlevert waaruit blijkt dat zij (een deel van) de in dat artikel genoemde schulden heeft betaald, zij een vordering op [de man] heeft gelijk aan de helft van het door [de vrouw] betaalde bedrag. Er staat niet dat dit alleen geldt voor betalingen die [de vrouw] na 14 juli 2022 heeft verricht. Echter, tot en met de zitting van 22 april 2025, dus tot en met het tekenen van de vaststellingsovereenkomst, heeft [de vrouw] haar regresvorderingen op [de man] beperkt tot de helft van de bedragen die zij ná 14 juli 2022 heeft afgelost. Bij conclusie van eis in reconventie vorderde [de vrouw] de helft van € 19.190,78 van [de man] , op de grond dat zij na 14 juli 2022 dat bedrag (€ 19.190,78) had afgelost. Voorafgaand aan de zitting op 22 april 2025 heeft [de vrouw] een nieuw overzicht overgelegd van de door haar na 14 juli 2022 verrichte betalingen. Volgens dat overzicht heeft [de vrouw] na 14 juli 2022 € 23.319,- afgelost. Onderaan dat overzicht staat: “€ 23319 dit is allemaal door mij reeds betaald sinds 14-7-2022 en zou [de man] ook voor de helft hebben moeten betalen. € 11659,50 wi1 ik dan ook bij deze vorderen op meneer [de man] ”. De rechtbank leidt hieruit af dat het, zoals [de man] stelt, bij de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst inderdaad de bedoeling van partijen was dat [de vrouw] alleen regres op [de man] heeft voor betalingen die zij na 14 juli 2022 heeft gedaan. [de vrouw] moet dus betalingsbewijzen aanleveren waaruit blijkt dat betaling na 14 juli 2022 heeft plaatsgevonden. Zonder dergelijke bewijzen is [de man] op grond van de vaststellingsovereenkomst niet gehouden tot betaling. 5.25. [de vrouw] heeft een e-mail overgelegd van deurwaarderskantoor Van Vleuten en Van Hooff van 19 augustus 2024 waaruit blijkt dat de schuld inzake Aksa Media op dat moment € 1.477,57 bedroeg. Aangezien vaststaat (dat blijkt uit de e-mail van Van der Vleuten &amp; Van Hooff van 20 mei 2025) dat de schuld inmiddels geheel is afgelost, staat ook vast dat [de vrouw] ten minste € 1.477,57 na 19 augustus 2024, en dus na 14 juli 2022 heeft betaald op deze schuld. Uit de stukken blijkt niet dat [de vrouw] na 14 juli 2022 méér dan dat bedrag heeft afgelost op deze schuld. De rechtbank gaat daarom uit van een bedrag van € 1.477,57. [de vrouw] heeft voor de helft van dat bedrag, dus voor € 738,79, een regresvordering op [de man] . Vattenfall 5.26. [de vrouw] stelt dat zij € 350,- heeft betaald op de schuld aan Vattenfall en dat zij dus voor € 175,- regres heeft op [de man] . [de man] stelt dat niet duidelijk is of die betaling vóór of na 14 juli 2022 heeft plaatsgevonden en dat hij daarom niet tot bijdragen gehouden is. De rechtbank volgt [de man] op dit punt. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.24, heeft [de vrouw] uitsluitend een vordering op [de man] indien zij betalingsbewijzen overlegt waaruit blijkt dat betaling na 14 juli 2022 heeft plaatsgevonden. Dat heeft zij niet gedaan. De rechtbank wijst deze vordering daarom af. 5.27. [de vrouw] stelt ook dat van de schuld aan Vattenfall nog een bedrag van € 450,- openstaat. De rechtbank gaat ervan uit dat [de vrouw] bedoelt te vorderen dat dit bedrag ten laste van het depot wordt betaald. Hiertegen is door [de man] geen verweer gevoerd. De rechtbank zal daarom bepalen dat de openstaande schuld aan Vattenfall van € 450,- plus rente en kosten uit het depot moet worden betaald. Ministry of Beauty 5.28. [de vrouw] stelt dat zij € 1.992,13 heeft betaald op de schuld aan Ministry of Beauty (die werd geïncasseerd door incassobureau Armeare), en dat zij dus voor € 996,07, regres heeft op [de man] . [de man] erkent dat [de vrouw] een bedrag van € 692,45 heeft betaald op deze schuld na 14 juli 2022 en dat hij de helft van dat bedrag aan [de vrouw] moet vergoeden. [de man] betwist echter dat [de vrouw] de rest van deze schuld na 14 juli 2022 heeft betaald, en betwist daarom dat [de vrouw] een vergoedingsrecht heeft in verband met de rest van de schuld. De rechtbank volgt [de man] op dit punt. Gelet op hetgeen is overwogen in 5.24, heeft [de vrouw] uitsluitend een vordering op [de man] indien zij betalingsbewijzen overlegt waaruit blijkt dat betaling na 14 juli 2022 heeft plaatsgevonden. Dat heeft zij voor wat betreft het bedrag boven € 692,45 niet gedaan. De rechtbank wijst deze vordering daarom af voor wat betreft het bedrag boven € 692,45. [de man] moet (€ 692,45 : 2 =) € 346,23 aan [de vrouw] vergoeden. Marco Warmte 5.29. [de vrouw] stelt dat zij diverse rekeningen van Marco Warmte heeft betaald. Zij heeft een e-mail van Marco Warmte overgelegd van 13 januari 2026 waaruit blijkt dat zij een factuur van € 75,63, betreffende een servicebezoek in maart 2023, heeft betaald, en dat nog twee facturen openstaan, te weten een factuur van 31 januari 2020 betreffende een servicebezoek in januari 2020 (€ 142,78) en een factuur van 27 januari 2025 betreffende een servicebezoek op 27 januari 2025 (€ 276,29). [de vrouw] wil dat de twee openstaande facturen worden betaald ten laste van het depot, en dat [de man] aan haar de helft van de door haar betaalde factuur vergoedt. 5.30. [de man] erkent dat de openstaande factuur voor het servicebezoek in 2020 door partijen 50/50 moet worden gedragen en dat deze dus ten laste van het depot moet worden betaald. [de man] betwist dat de facturen voor de servicebezoeken in 2023 en 2025 deels door hem moeten worden gedragen, omdat hij in die periode niet in de woning woonde. Dat [de vrouw] de rekening van het servicebezoek in 2023 heeft betaald, is niet betwist door [de man] . 5.31. Partijen zijn in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen dat de schuld aan Marco Warmte door hen 50/50 zal worden gedragen. Noch uit de stukken, noch uit hetgeen is besproken ter zitting van 22 april 2025 blijkt dat partijen bedoeld hebben deze schuld slechts gezamenlijk te dragen voor zover die is ontstaan voordat [de man] de woning heeft verlaten. Ook is gesteld noch gebleken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als de schuld aan Marco Warmte, voor zover die is ontstaan nadat [de man] de woning heeft verlaten, voor de helft door [de man] zou worden gedragen. De schuld aan Marco Warmte moet dus door partijen 50/50 gedragen worden. 5.32. Uit het voorgaande volgt dat de twee openstaande facturen van Marco Warmte ten laste van het depot betaald moeten worden. De rechtbank zal dit meenemen in de verdeling van het depot. De rechtbank zal daarom bepalen dat deze facturen (totaal € 419,07) plus rente en kosten uit het depot moeten worden betaald. De door [de vrouw] betaalde factuur moet door [de man] voor de helft aan [de vrouw] vergoed worden. [de man] moet dus (€ 75,63 : 2 =) € 37,82 aan [de vrouw] betalen. Pascal Service 5.33. [de vrouw] stelt dat een schuld van € 145,20 aan Pascal Service ten laste van het depot betaald moet worden, en overlegt een factuur van Pascal Service ten bedrage van € 145,20 voor het ontstoppen van het riool op 3 juli 2024. [de man] betwist dat deze factuur ten laste van het depot betaald moet worden omdat het een hele andere schuld is dan de schuld genoemd in artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst. 5.34. In artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat de schuld aan Pascal Service, voor zover die nog niet is betaald, ten laste van het depot moet worden betaald. Zoals [de man] terecht stelt, en zoals ook door [de vrouw] ter zitting van 28 april 2026 is erkend, betreft dit echter niet de schuld die [de vrouw] nu ten laste van het depot wil brengen. De schuld bedoeld in de vaststellingsovereenkomst betreft een factuur die door [de vrouw] bij conclusie van eis in reconventie is omschreven als “€ 145,20 ivm kapot in tuin onderhoud woning al heel lang kapot voor dat [de man] in detentie ging”. De door [de vrouw] overgelegde factuur betreft het ontstoppen van het riool op 3 juli 2024, bijna twee jaar nadat [de man] in detentie ging. Dit is dus een andere schuld dan de schuld waarover partijen in de vaststellingsovereenkomst overeenstemming bereikt hebben. Afgesproken is in de vaststellingsovereenkomst dat partijen geen nieuwe schulden in de afrekening zullen betrekken. Deze schuld kan dus niet ten laste van het depot worden betaald. Bol.com – zwembadpomp 5.35. [de vrouw] stelt dat zij op 8 juli 2024 € 118,50 heeft betaald aan Bol.com voor een nieuwe zwembadpomp en vordert dat [de man] de helft van dat bedrag aan haar vergoedt. [de man] stelt dat deze kosten uitsluitend voor rekening van [de vrouw] komen omdat zij moest zorgen voor het onderhoud van het huis en het zwembad toen hij er niet meer woonde. 5.36. Deze schuld is door [de vrouw] opgevoerd bij conclusie van eis in reconventie, en in de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat [de man] de helft van deze schuld moet vergoeden aan [de vrouw] als [de vrouw] aantoont dat zij deze schuld betaald heeft. [de vrouw] heeft een betalingsbewijs overgelegd waaruit blijkt dat zij deze schuld heeft betaald. [de man] moet dus op grond van de vaststellingsovereenkomst de helft van deze schuld, dat is € 59,25, aan [de vrouw] vergoeden. 5.37. Aan het voorgaande doet niet af dat [de vrouw] de zwembadpomp heeft vervangen toen [de man] niet meer in de woning woonde. Noch uit de stukken, noch uit hetgeen is besproken ter zitting van 22 april 2025 blijkt dat partijen bedoeld hebben de kosten van de zwembadpomp slechts gezamenlijk te dragen als die pomp is vervangen voordat [de man] de woning heeft verlaten. Ook is gesteld noch gebleken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als de kosten van de zwembadpomp voor de helft door [de man] zou worden gedragen. Hypotheekachterstand op 14 juli 2022 5.38. Bij conclusie van eis in reconventie heeft [de vrouw] gesteld (zonder onderbouwing van stukken) dat de hypotheekachterstand op 14 juli 2022 € 4.072,82 bedroeg en dat zij dat bedrag heeft betaald. [de vrouw] vorderde daarom € 2.036,41 van [de man] . In haar brief van 21 april 2026 stelt [de vrouw] dat de hypotheekachterstand op 14 juli 2022 € 4.728,09 bedroeg. Bij die brief heeft zij bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat zij in augustus, september en oktober 2022 in vijf verschillende bedragen totaal € 4.753,09 van haar privérekening heeft overgemaakt naar de gezamenlijke rekening van partijen, met als omschrijving “Hypotheek” of “ [nummer 3] aflossing rente leningdeel”, en dat zij op 10 september 2022 € 25,- van die gezamenlijke rekening heeft overgemaakt naar haar privérekening. Per saldo tellen de betalingen dus op tot € 4.753,09. [de vrouw] stelt dat dat bedrag is gebruikt om de hypotheekachterstand per 14 juli 2022 te betalen. Zij vordert daarom nu € 2.376,55 van [de man] . 5.39. [de man] betwist dat met het bedrag van € 4.753,09 een hypotheekachterstand per 14 juli 2022 is betaald. Omdat [de vrouw] geen stukken heeft overgelegd waaruit dit blijkt, komt haar volgens [de man] geen vordering toe op grond van de vaststellingsovereenkomst. 5.40. In artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat de hypotheekachterstand per 14 juli 2022 door partijen 50/50 zal worden gedragen en dat [de vrouw] een vergoedingsrecht heeft jegens [de man] indien zij stukken aanlevert waaruit het bestaan van die achterstand blijkt, en waaruit blijkt dat zij die achterstand geheel of gedeeltelijk heeft betaald. Uit de stukken die [de vrouw] heeft aangeleverd blijkt niet van het bestaan van een achterstand op 14 juli 2022 en evenmin dat zij die achterstand heeft betaald. [de vrouw] heeft daarom geen vordering op [de man] in verband met de betaling van “de hypotheekachterstand op 14 juli 2022” als bedoeld in artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst. 5.41. Gesteld noch gebleken is dat met het bedrag van € 4.753,09 reguliere hypotheektermijnen zijn betaald die na 14 juli 2022 verschuldigd zijn geworden. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van de vraag of het bedrag van € 4.753,09 is besteed aan “vaste lasten in verband met de woning niet zijnde lasten die elders in deze overeenkomst als schuld worden genoemd” als bedoeld in artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst (zie hierover punt 5.50). 5.42. Uit het voorgaande volgt dat de vaststellingsovereenkomst geen grond biedt voor een vordering van [de vrouw] op [de man] in verband met de gestelde betaling van € 4.753,09. Die vordering zal daarom worden afgewezen. Hallostroom – termijnbetalingen 5.43. [de vrouw] vordert de helft van € 1.661,- van [de man] op de grond dat zij dat bedrag aan leasetermijnen heeft betaald aan Hallostroom. Ter onderbouwing van haar vordering overlegt [de vrouw] screenshots van diverse betalingen. [de man] voert aan dat uit niets blijkt dat dit betalingen van een schuld sinds 14 juli 2022 zijn zodat aan [de vrouw] geen regres toekomt. 5.44. In artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat de schuld aan Hallostroom door partijen 50/50 zal worden gedragen. Met “de schuld aan Hallostroom” in dat artikel is bedoeld de schuld die [de vrouw] had opgenomen in haar overzicht van door haar betaalde schulden sinds 14 juli 2022. In dat overzicht staat als schuld aan Hallostroom vermeld: “€ 153,00 achterstand van 3 maanden op 14-7-2022”. Bedoeld is dus de per 14 juli 2022 bestaande achterstand jegens Hallostroom, als daar sprake van is. Uit de door [de vrouw] overgelegde stukken blijkt niet dat op 14 juli 2022 sprake was van een achterstand, en evenmin dat het bedrag van € 1.661,- is betaald ter aflossing van die achterstand. [de vrouw] heeft dus geen vergoedingsrecht jegens [de man] wegens aflossing van “de schuld aan Hallostroom” als bedoeld in de vaststellingsovereenkomst. 5.45. De rechtbank merkt op dat [de vrouw] diverse betalingen die onderdeel zijn van het bedrag van € 1.661,- ook opvoert als door haar betaalde “vaste lasten” als bedoeld in artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst, en dat zij op die grond ook vergoeding van de helft van die betalingen vordert. Er is dus sprake van een dubbeltelling. Of aan [de vrouw] op die grond een vordering toekomt, wordt hierna in 5.48 besproken. Schuld NLE 5.46. [de vrouw] stelt dat zij € 110,- van [de man] te vorderen heeft wegens de door haar betaalde schuld van € 220,- aan NLE. Dat wordt door [de man] erkend. De rechtbank zal deze vordering van [de vrouw] verwerken in de verdeling van het depot. [school dochter van de vrouw] - de school van [dochter van de vrouw] 5.47. [de vrouw] stelt dat zij twee facturen van de school van dochter [dochter van de vrouw] , ten bedrage van totaal € 1.681,50, heeft betaald, en zij vordert daarom € 840,75 van [de man] . [de man] stelt dat uit niets blijkt dat [de vrouw] dit bedrag betaald heeft. [de man] erkent dat hij voor de helft draagplichtig is voor de factuur van 6 september 2021 (€ 641,50). Hij betwist dat hij moet bijdragen aan de factuur van 11 september 2022 omdat partijen toen feitelijk al uit elkaar waren en omdat dit een nieuwe vordering is. 5.48. In artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst is afgesproken dat de schuld aan de [school dochter van de vrouw] door partijen 50/50 zal worden gedragen. Met “de schuld aan de [school dochter van de vrouw] ” in dat artikel is bedoeld de schuld die [de vrouw] had opgenomen in haar overzicht van door haar betaalde schulden sinds 14 juli 2022. In dat overzicht staat als schuld aan de [school dochter van de vrouw] vermeld: “€ 641,50 achterstand op 14-7-2022 schooljaar 2021”. Met “de schuld aan de [school dochter van de vrouw] ” in artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst is dus bedoeld de per 14 juli 2022 bestaande schuld van € 641,50, dus de factuur van 6 september 2021. De factuur van 11 september 2022 is hiermee niet bedoeld. Dat is een nieuwe schuld als bedoeld in artikel 6 van de vaststellingsovereenkomst. Partijen hebben afgesproken nieuwe schulden niet in de afrekening te betrekken. De rechtbank zal daarom de factuur van 11 september 2022 niet in de verdeling van het depot betrekken. 5.49. Met betrekking tot de factuur van 6 september 2021 heeft [de vrouw] geen betalingsbewijs overgelegd. [de vrouw] heeft daarom op grond van de vaststellingsovereenkomst geen vergoedingsrecht j

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/184591 · 2026-07-30
