# Raad van State, 29-07-2026 (202500724/1/A3)

- Type: Case Law
- Source: Raad van State
- Identifier: ECLI:NL:RVS:2026:4415
- Date: 2026-07-29
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARVS%3A2026%3A4415
- Canonical: https://overview.legal/posts/184594

## Summary

Bij brief van 24 maart 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg op verzoek van [wederpartij] een dossier toegestuurd dat het college heeft opgesteld in het kader van de Wet basisregistratie personen. Bij brief van 20 januari 2023 heeft het college aan [wederpartij] laten weten dat het op grond van een adresonderzoek voornemens is om haar uit te schrijven uit de basisregistratie persoonsgegevens. Daarop heeft [wederpartij] verzocht om inzage in dat adresonderzoek. Omdat het college volgens [wederpartij] niet alle informatie over dat adresonderzoek naar haar heeft opgestuurd in de brief van 24 maart 2023, heeft zij tegen die brief bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 augustus 2023 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het volgens het college in het bezwaarschrift niet duidelijk is omschreven waartegen het bezwaar is gericht. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaarschrift een voldoende omschrijving bevat van het besluit waartegen het is gericht.

## Full text

202500724/1/A3. Datum uitspraak: 29 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Tilburg, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-­West-­Brabant van 20 december 2024 in zaak nr. 23/10017 in het geding tussen: het college en [wederpartij]. Procesverloop Bij brief van 24 maart 2023 heeft het college op verzoek van [wederpartij] een dossier toegestuurd dat het college heeft opgesteld in het kader van de Wet basisregistratie personen (Wet brp). Bij besluit van 21 augustus 2023 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 20 december 2024 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 21 augustus 2023 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen. Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. [wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [wederpartij] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 maart 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.M.J. van den Biggelaar, en [wederpartij], bijgestaan door mr. D.P.W.H. Cremers, advocaat in Tilburg, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Bij brief van 20 januari 2023 heeft het college aan [wederpartij] laten weten dat het op grond van een adresonderzoek voornemens is om haar uit te schrijven uit de basisregistratie persoonsgegevens (brp). Daarop heeft [wederpartij] verzocht om inzage in dat adresonderzoek. Omdat het college volgens [wederpartij] niet alle informatie over dat adresonderzoek naar haar heeft opgestuurd in de brief van 24 maart 2023, heeft zij tegen die brief bezwaar gemaakt. Bij besluit van 21 augustus 2023 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het volgens het college in het bezwaarschrift niet duidelijk is omschreven waartegen het bezwaar is gericht. 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het bezwaarschrift een voldoende omschrijving bevat van het besluit waartegen het is gericht. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het verzoek van [wederpartij] een inzageverzoek is in de zin van artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en de brief van 24 maart 2023, anders dan het college ten overvloede in het besluit op bezwaar heeft opgemerkt, wel een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft daarom het college opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Aan deze opdracht heeft het college geen gehoor gegeven. Hoger beroep 3. Volgens het college ontbreekt in de eerste plaats een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar van [wederpartij] is gericht. Daarom had de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar in stand moeten laten. Een dergelijk gebrek kan bovendien niet achteraf worden hersteld, omdat het op het moment van het bezwaar duidelijk moet zijn waartegen dat is gericht. In de tweede plaats betoogt het college dat het verzoek van [wederpartij] geen inzageverzoek is in de zin van artikel 15 van de AVG (AVG-verzoek). Daarom is de brief van 24 maart 2023 ook geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen bezwaar open staat. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend. Tot slot heeft de rechtbank volgens het college de proceskosten verkeerd berekend. Aangezien [wederpartij] zelf - en dus zonder gemachtigde - het beroepschrift heeft ingediend heeft de rechtbank hier ten onrechte één punt voor toegekend. Deze kosten komen namelijk niet voor vergoeding in aanmerking, aldus het college. Beoordeling hoger beroep 4. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college het bezwaar van [wederpartij] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij kan zich vinden in de onder 4.1 opgenomen overweging van de uitspraak van de rechtbank. Wat het college heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. 5. Wat betreft de vraag hoe het verzoek van [wederpartij] gekwalificeerd moet worden overweegt de Afdeling als volgt. Uit de bewoordingen van het verzoek blijkt dat zij heeft verzocht om verstrekking van documenten die op haar betrekking hebben. Het gaat haar namelijk om het verkrijgen van documenten waarin informatie staat over het adresonderzoek dat heeft plaatsgevonden in het kader van haar uitschrijving uit de brp. Dit betekent dat het college het verzoek had moeten aanmerken als een verzoek in de zin van artikel 5.5 van de Wet open overheid (Woo). Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4001. Weliswaar staat in het verzoek van [wederpartij] dat het geen Woo-verzoek is, maar zoals hiervoor overwogen gaat het om de bewoordingen van het verzoek en niet om de door betrokkene gegeven duiding van het verzoek. De rechtbank heeft het verzoek dus ten onrechte aangemerkt als een AVG-verzoek. Het betoog slaagt. 6. Verder voert het college terecht aan dat de rechtbank de proceskostenvergoeding te hoog heeft vastgesteld. De rechtbank heeft de vergoeding vastgesteld op € 1.750,00. Daarbij heeft zij één punt toegekend voor het verschijnen op zitting en één punt voor het indienen van een beroepschrift. Op grond van artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen alleen de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking. De Afdeling stelt vast dat [wederpartij] het beroepschrift zelf - en dus zonder gemachtigde - heeft ingediend. Dit betekent dat de rechtbank geen punt had mogen toekennen voor het indienen van een beroepschrift. Het betoog slaagt. Conclusie 7. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank de proceskosten heeft vastgesteld op € 1.750,00. Voor het overige zal de uitspraak van de rechtbank worden bevestigd. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling de proceskosten vaststellen op € 875,00. Verder moet het college met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling een nieuw besluit nemen. Daarvoor krijgt het college zes weken. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 december 2024 in zaak nr. 23/10017, voor zover de rechtbank het college heeft veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.750,00; III. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met het verschijnen op zitting opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; IV. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige. Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier. w.g. Van Ravels lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Wezep griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026 844-1146

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/184594 · 2026-07-30
