# Rechtbank Den Haag, 22-04-2026 (C/09/691998 / HA ZA 25-834)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:19396
- Date: 2026-04-22
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A19396
- Canonical: https://overview.legal/posts/184597

## Summary

Vordering tot inzage in de administratie van de VvE. Geen recht op inzage. Vorderingen worden afgewezen.

## Full text

RECHTBANK Den Haag Team handel Zaak- / rolnummer: C/09/691998 / HA ZA 25-834 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van [eiseres] te [woonplaats 1] , hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. C. Canters, eiseres, tegen 1 [gedaagde 1] te [woonplaats 2] , hierna te noemen: [gedaagde 1] , advocaat: mr. V.R. Pool, 2. VERENIGING VAN EIGENAARS [gedaagde 2] te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: [gedaagde 2] , advocaat: mr. S.J. Schultze, gedaagde partijen. 1 Waar gaat deze zaak over? 1.1. Deze zaak gaat over het recht op inzage in de administratie van [gedaagde 2] . Eiseres ( [eiseres] ) is lid van [gedaagde 2] . Zij is het niet eens met bepaalde uitgaven die in het verleden ten laste van [gedaagde 2] zijn gekomen. Zij vraagt in deze procedure inzage in alsmede afschrift van bankafschriften en grootboekrekeningen van [gedaagde 2] en van een privérekening, die voor uitgaven van [gedaagde 2] is gebruikt en op naam staat van [gedaagde 1] , één van de bestuurders van [gedaagde 2] . Eiseres beroept zich op artikel 41 lid 6 van het Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten 1992 (hierna: het Reglement) en op artikel 194 van het Wetboek van Rechtsvordering (hierna: Rv). 1.2. De rechtbank komt hierna tot het oordeel dat eiseres op grond van artikel 41 lid 6 van het Reglement noch op grond van artikel 194 Rv recht heeft op inzage in en afschrift van de gevraagde stukken. Dit betekent dat de vorderingen worden afgewezen. 2 De procedure 2.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 18 september 2025, met producties 1 t/m 14; - de conclusie van antwoord van 12 november 2025 van [gedaagde 1] , met producties 1 t/m 7; - de conclusie van antwoord van 12 november 2025 van [gedaagde 2] , met producties 1 t/m 18; - de akte van de zijde van [eiseres] van 27 februari 2026, met producties 15 t/m 17; - de door [eiseres] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ter zitting overgelegde pleitnotities; - de door [eiseres] ter zitting overgelegde akte wijziging van eis. 2.2. Op 12 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. 3 De feiten 3.1. Bij akte van splitsing van 26 oktober 1993 is het appartementencomplex gelegen aan de [straatnaam] [huisnummer 1] tot en met [huisnummer 2] (even nummers) en het [adres 1] te [plaats] in appartementsrechten gesplitst. Bij die gelegenheid is [gedaagde 2] opgericht. In de akte van splitsing is het Reglement van toepassing verklaard. 3.2. Artikel 41 lid 6 van het Reglement luidt: “Het bestuur is verplicht aan iedere eigenaar alle inlichtingen te verstrekken betreffende de administratie van het gebouw en het beheer van de fondsen welke die eigenaar mocht verlangen en hem op zijn verzoek inzage te verstrekken van alle op die administratie en dat beheer betrekking hebbende boeken, registers en bescheiden; het houdt de eigenaars op de hoogte van het adres en het telefoonnummer van het bestuur.” 3.3. Vanaf de oprichting van [gedaagde 2] is [administrateur] B.V. (hierna: [administrateur] ) de administrateur van [gedaagde 2] . 3.4. [gedaagde 1] is sinds 1998 één van de bestuurders van [gedaagde 2] . 3.5. Op 3 januari 2000 is op naam van [gedaagde 1] een bankrekening geopend ten behoeve van kleine uitgaven van [gedaagde 2] (hierna: de kleine kasrekening). 3.6. [eiseres] heeft in 2019 van haar broer het appartementsrecht geërfd dat recht geeft op het appartement gelegen aan de [adres 2] te [plaats] . Door dit appartementsrecht is [eiseres] van rechtswege lid van [gedaagde 2] . 3.7. Bij e-mail van 26 september 2022 heeft [projectleider] , projectleider van [administrateur] , (hierna: [projectleider] ) aan [eiseres] onder meer bericht: “Namens het bestuur wil ik u uitnodigen op het kantoor van [administrateur] in de middag van 18, 26 of 27 oktober van 14:00 uur tot uiterlijk 17:00 uur. Hierin willen wij u inzage geven in een aantal van de eerder gevraagde stukken, waarbij in acht genomen moet worden dat er niet verder terug gezocht zal worden dan de wettelijke 5 jaar, die hiervoor staat. Voor [administrateur] is het van belang, dat wij tijdig weten welke stukken nog relevant zijn voor u, zodat onze boekhoudafdeling deze stukken kan opzoeken, om een het proces voor alle partijen zo soepel mogelijk te laten verlopen.” 3.8. Bij e-mail van 13 oktober 2022 heeft [eiseres] aan [projectleider] onder meer bericht: “Wat betreft de informatie lijkt mij dat een bezoek aan uw kantoor daarvoor niet nodig is omdat naar mijn verwachting met een volledige uitleg van uw kant tezamen met een overzicht / kopie van boekingen en mutaties de gevraagde opheldering gegeven kan worden.” [eiseres] heeft in haar e-mail verder een aantal vragen gesteld over de administratie van [gedaagde 2] , onder meer over het gebruik van de kleine kasrekening. 3.9. Bij e-mail van 17 oktober 2022 heeft [projectleider] aan [eiseres] onder meer bericht: “Zie hieronder (in het rood) en bijgevoegd de antwoorden op uw vragen over de inzage in de financiële stukken.” Bij de e-mail van [projectleider] zijn 37 bijlagen gevoegd, waaronder grootboekrekeningen over de jaren 2016 tot en met 2021 van de posten ‘administratiekosten’, ‘hang en sluitwerk’, ‘klein onderhoud’, ‘lekkages’, ‘onderhoud dak’ en ‘diversen’. 3.10. Bij e-mail van 5 november 2022 heeft [eiseres] aan [projectleider] en [bestuurder] , bestuurder van [gedaagde 2] , (hierna: [bestuurder] ) diverse aanvullende vragen gesteld over de administratie van [gedaagde 2] . Zij heeft voorts verzocht om een uitdraai van verschillende posten uit de financiële administratie van [gedaagde 2] en heeft inzage verzocht in de administratie van de kleine kasrekening. 3.11. Bij e-mail van 15 november 2022 heeft [bestuurder] aan [eiseres] onder meer bericht: “Bijgaand de stukken welke u heeft gevraagd aan [administrateur] . Het Excel bevat 3 tabbladen. De historische uitdraai van relatie [nummer] zullen wij u vanuit privacy overwegingen niet geven. Zie verder hieronder in het rood aangegeven de antwoorden op de vragen die u aan het bestuur, de heer [gedaagde 1] en [administrateur] heeft gesteld. Wij denken u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.” [bestuurder] heeft daarbij financiële gegevens van [gedaagde 2] meegestuurd over de jaren 2003 tot en met 2021, zoals grootboekrekeningen (waaronder grootboekrekening 1100 die betrekking heeft op de kleine kasrekening), saldi van reservefondsen, kasboekgegevens en specificaties van toetredingskosten en uitgaven, inclusief die uit de kleine kasrekening. Ook heeft [bestuurder] aan [eiseres] een Excel-overzicht gestuurd van declaraties en transacties die zijn verricht, onder andere met de kleine kasrekening. Ten slotte heeft [bestuurder] een overzicht gestuurd van mutaties op de kleine kasrekening over de jaren 2021 en 2022. 3.12. Bij e-mail van 22 januari 2023 heeft [eiseres] aan [bestuurder] onder meer bericht: “Graag ontvang ik: - Inzage in de afschriften van de bankrekeningen op naam van [gedaagde 2] - Een toelichting over de achtergrond en de boekingen van mutaties, indien dit nodig zou zijn. - Informatie van het bestuur. Voorafgaande aan de afspraak ontvang ik graag: - kopieën van alle bankafschriften van de bankrekening die de heer [gedaagde 1] heeft aangehouden ten behoeve van [gedaagde 2] . Nu deze bankrekening is aangehouden in strijd met [gedaagde 2] - reglementen en duidelijk is dat er ook mutaties hebben plaatsgevonden in strijd met [gedaagde 2] -Regelementen, heb ik een gerechtvaardigd belang om niet alleen inzage in deze bankrekening te krijgen maar ook afschriften.” 3.13. Bij e-mail van 1 februari 2023 heeft [bestuurder] aan [eiseres] onder meer bericht: “Met betrekking tot uw verzoek voor inzage in onze administratie berichten wij u het volgende: Het bestuur reserveert 2 uur voor inzage van de stukken. Gezien de informatie die wij u recentelijk al hebben toegestuurd vinden wij dit tijdbestek meer dan redelijk. De inzage zal plaatsvinden bij ons bestuurslid de heer [naam] (appartement [huisnummer 3] ) in [plaats] . Ondergetekende zal hier ook bij aanwezig zijn. Wij zullen u nog informeren over de beschikbare data en tijden hiervoor. Wij zullen tijdens de inzage eventuele vragen zo goed mogelijk proberen te beantwoorden. Vragen die niet direct kunnen worden beantwoord zullen worden genotuleerd. Voor de inzage gelden de hiervoor vastgestelde voorwaarden: Er zullen vooraf geen stukken worden toegezonden. Er mogen geen foto’s van de stukken worden gemaakt. Er worden geen kopieën verstrekt van de stukken. Voor een praktisch verloop van de inzage vragen wij u om vooraf het volgende aan ons door te geven: Welke stukken u specifiek wilt zien en wat hiervan de reden is. De naam van de persoon die u meeneemt en in welke hoedanigheid hij/zij aanwezig is.” 3.14. Bij e-mail van 2 februari 2023 heeft [eiseres] aan [bestuurder] onder meer bericht: “Uit de reeds overgemaakt informatie is duidelijk geworden dat er jaarlijks aanzienlijke uitgaven zijn gedaan die geheel of deels niet ten laste van [gedaagde 2] ‘pot’ hadden mogen komen. Het gaat in ieder geval om de volgende -jaarlijkse- uitgaven: Kerstboom + fooi + ballen + kopjes koffie: Min EUR 190,- Nieuwjaarsreceptie: min. EUR 250 Fooien: min. EUR 50 Vergoeding bestuursleden naast door hen gedeclareerde onkosten: EUR 165 Vergoeding bestuurslid voor het buiten zetten en binnenhalen van containers: EUR 1.100 Vergoeding vrouwen bestuursleden voor schoonmaakwerkzaamheden: p.m. Totaal min EUR 1.755 per jaar. Nu deze uitgaven allemaal hun weg hebben gevonden via de ‘kleine kas’ zou ik binnen het beperkte tijdsbestek in deze fase graag alle originele bankafschriften van de kleine kas willen inzien van de afgelopen 20 jaar (zolang mijn broer en ik lid zijn van [gedaagde 2] ) alsook de administratie van deze kleine kas zoals die door [administrateur] in de ‘grote’ administratie is verwekt.” 3.15. Bij e-mail van 13 februari 2023 heeft [bestuurder] aan [eiseres] onder meer bericht: “Gezien de wettelijke bewaarplicht van 7 jaar voor de administratie van [gedaagde 2] krijgt u inzage in de originele bankafschriften van de kleine kas van 2015 tot heden. Los daarvan vinden wij uw verzoek om inzage van de administratie kleine kas van de afgelopen 20 jaar buitenproportioneel en ook niet noodzakelijk. De periode van 7 jaar geeft u een duidelijk beeld van de uitgaven welke met de kleine kas zijn gedaan. Ook krijgt u inzicht in de administratie van de kleine kas zoals deze door [administrateur] is verwerkt. Wij schatten in dat hiervoor het door ons gegunde tijdbestek van 2 uur voldoende zal zijn.” 3.16. Op 21 april 2023 heeft [eiseres] gedurende twee uur bij één van de bestuursleden van [gedaagde 2] thuis inzage gehad in bankafschriften van de kleine kasrekening over de periode 2015 tot 2022. 3.17. Bij e-mail van 21 april 2023 heeft [bestuurder] aan [eiseres] onder meer bericht: “Zoals afgesproken sturen wij u hierbij de ontbrekende afschriften van het boekjaar 2020/2021 over de periode juni-augustus.” 3.18. Bij e-mail van 25 april 2023 heeft [bestuurder] aan [eiseres] onder meer bericht: “Bijgaande de ontbrekende afschriften van 2018. Het bestuur is van mening dat u hiermee voldoende inzage heeft gehad in de kleine kas om een hier goed oordeel over te kunnen vormen. Wij zullen u dan ook geen verdere informatie meer toesturen. Voor alle duidelijkheid, het bestuur is unaniem van mening dat er in het verleden geen fouten zijn gemaakt.” 3.19. Bij e-mail van 25 april 2023 heeft [eiseres] aan het bestuur van [gedaagde 2] onder meer bericht: “Tijdens de inzage is gebleken dat er originele bankafschriften ontbraken. Onder meer de volgende bankafschriften ontbraken: - de maanden 9, 10 en 11 van 2015 - maand 9 van 2016 - maand 9 van 2017 - de maanden 4,5,6,7,8 en 9 van 2018 - de maanden 8 en 9 van 2019 - de maanden 8 en 9 van 2020 - de maanden 6,7 en 8 van 2021 - maand 9 van 2022 (…) Slechts enkele ontbrekende bankafschriften zijn reeds nagezonden maar de meeste nog niet.” 3.20. Bij e-mail van 27 april 2023 heeft [bestuurder] aan [eiseres] bericht: “Naar oordeel van het bestuur heeft u zich met de inzage en met de al eerder gestuurde informatie een goed beeld kunnen vormen van de financiële administratie van [gedaagde 2] . Naar aanleiding van uw laatste verzoek hebben wij nogmaals alle bankafschriften gecheckt welke tijdens de inzage op tafel lagen en hebben geconstateerd dat met de door ons nagestuurde bankafschriften u alle bankafschriften met af/bijschrijvingen van de kleine kas van de afgelopen 7 boekjaren hebt kunnen inzien.” 4 Het geschil 4.1. [eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om aan [eiseres] ( de rechtbank begrijpt: primair ) een afschrift dan wel ( de rechtbank begrijpt: subsidiair ) inzage te verstrekken van alle stukken waarin zij inzage wenst, namelijk: a. bankafschriften van [gedaagde 2] over de periode 2013 t/m 2020; b. bankafschriften van de privérekening van [gedaagde 1] die werd gebruikt ten behoeve van [gedaagde 2] over de periode 2013 t/m 2020 (de kleine kasrekening); zulks op straffe van een dwangsom, II. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om aan [eiseres] ( de rechtbank begrijpt: primair ) een afschrift dan wel ( de rechtbank begrijpt: subsidiair ) inzage te verstrekken van alle stukken waarin zij inzage wenst, namelijk: a. grootboekrekeningen van [gedaagde 2] over de periode 2013 t/m 2020; b. grootboekrekeningen van de privérekening van [gedaagde 1] die werd gebruikt ten behoeve van [gedaagde 2] over de periode 2013 t/m 2020 (de kleine kasrekening); zulks op straffe van een dwangsom, III. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veroordelen in de kosten en nakosten van deze procedure, vermeerderd met wettelijke rente. 4.2. [eiseres] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat het bestuur van [gedaagde 2] op grond van artikel 41 lid 6 van het Reglement verplicht is om op verzoek van [eiseres] afschrift van en inzage in de administratie van [gedaagde 2] te verstrekken. [eiseres] heeft tot op heden slechts een deel van de stukken mogen inzien. Het bestuur van [gedaagde 2] heeft in strijd met het Reglement de inzage van de overige stukken geweigerd. In de stukken waarvan [eiseres] wel inzage heeft gekregen, heeft zij onjuistheden geconstateerd. [eiseres] wil deze onjuistheden aan het licht brengen. Zij heeft dan ook recht en belang bij inzage. Ook wil zij afschriften van de stukken. De afschriften zijn cruciaal om de geconstateerde onjuistheden te onderbouwen. Het recht op inzage in en afschrift van de gevraagde stukken volgt ook uit artikel 194 Rv. Met het oog op de uitvoerbaarheid van een toewijzend vonnis is naast [gedaagde 2] ook [gedaagde 1] gedagvaard. Er wordt namelijk tevens inzage in danwel afschriften van zijn privérekening gevorderd, welke is gebruikt ten behoeve van de kleine kasrekening. 4.3. [gedaagde 1] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering en met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente. [gedaagde 1] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat artikel 41 lid 6 van het Reglement geen onbeperkt inzagerecht toekent. [eiseres] heeft bovendien al inzage gehad in een deel van de administratie. Hiermee is voldaan aan de verplichting die is opgenomen in artikel 41 lid 6 van het Reglement. Ook artikel 194 Rv kent geen onbeperkt recht op inzage. Aan de voorwaarden van artikel 194 Rv wordt in dit geval ook niet voldaan. De door [eiseres] verlangde informatie is onvoldoende bepaald. Voorts heeft [eiseres] onvoldoende belang bij haar verzoek. Voor zover [eiseres] recht heeft op (hernieuwde) inzage, dan verzoekt [gedaagde 1] om die inzage uitsluitend te verlenen voor zover de wettelijke bewaarplicht daartoe ruimte laat, zodat slechts inzage kan worden geboden over de periode van september 2018 tot en met 2020. 4.4. [gedaagde 2] voert verweer dat strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiseres] in haar vorderingen, dan wel afwijzing van de vorderingen en met veroordeling van [eiseres] in de (volledige) proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente. [gedaagde 2] legt daaraan – samengevat – ten grondslag dat [eiseres] geen belang bij haar vordering heeft in de zin van artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Voorts maakt [eiseres] misbruik van procesrecht. Zij dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vorderingen. Voor zover [eiseres] ook inzage verlangt in stukken die betrekking hebben op jaren vóórdat zij lid was van [gedaagde 2] , maakt zij misbruik van het inzagerecht als bedoeld in artikel 3:13 BW. De vorderingen dienen daarom wegens misbruik van recht te worden afgewezen. Voor zover er geen sprake is van misbruik van het inzagerecht, stelt [gedaagde 2] dat [eiseres] de verkeerde partij in rechte heeft betrokken. [gedaagde 2] betwist voorts dat [eiseres] recht heeft op inzage op grond van artikel 41 lid 6 van het Reglement. Dit inzagerecht is niet onbeperkt en [gedaagde 2] heeft een discretionaire bevoegdheid om te bepalen welke informatie zij verstrekt. Het inzagerecht van artikel 41 lid 6 van het Reglement omvat in elk geval niet het recht op afschriften. Aan de voorwaarden van artikel 194 Rv wordt ook niet voldaan. Voor zover dit wel het geval is, zijn er volgens [gedaagde 2] gewichtige redenen (als bedoeld in artikel 194 lid 2 Rv) die zich verzetten tegen het verstrekken van de gevraagde gegevens. 4.5. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling Voldoende belang als bedoeld in artikel 3:303 BW? 5.1. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde 2] is dat [eiseres] onvoldoende belang als bedoeld in artikel 3:303 BW heeft bij haar vorderingen. 5.2. Op grond van artikel 3:303 BW komt niemand een rechtsvordering toe zonder voldoende belang. De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen voldoende belang van een eisende partij bij zijn of haar vordering mag worden verondersteld. De rechter moet terughoudend zijn met het afwijzen van een vordering op de grond dat eiser daarbij geen of onvoldoende belang heeft. 5.3. Volgens [gedaagde 2] heeft [eiseres] geen controlerende functie binnen [gedaagde 2] en kan zij niet opkomen voor belangen van andere leden van [gedaagde 2] of van [gedaagde 2] zelf, omdat zij niet optreedt namens die entiteiten. Als er al sprake zou zijn van financiële onjuistheden, vormt dit nog geen grond voor een vordering die [eiseres] kan instellen. Alleen [gedaagde 2] kan aanspraak maken jegens het bestuur op terugbetaling aan de kas van aan [gedaagde 2] onttrokken gelden. [eiseres] handelt volgens [gedaagde 2] niet om een persoonlijk of juridisch belang te beschermen, maar procedeert enkel op principiële gronden. Daarmee ontbreekt een reëel belang in de zin van artikel 3:303 BW, aldus [gedaagde 2] . 5.4. [eiseres] voert aan dat zij het recht heeft om de financiële administratie van [gedaagde 2] in te zien, aangezien zij van rechtswege lid is van [gedaagde 2] . De administratie heeft betrekking op haar (mede)eigendom. Zij wil inzage of een afschrift zodat zij onjuistheden in de administratie van [gedaagde 2] aan de kaart kan stellen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt hierin een voldoende belang als bedoeld in artikel 3:303 BW besloten. Het belang van [eiseres] bestaat namelijk uit het aannemelijk maken van financieel wanbeleid binnen [gedaagde 2] . Naar het oordeel van de rechtbank voert het te ver om bij de beoordeling van dat belang te betrekken of [eiseres] op grond van de gevraagde informatie uiteindelijk zelfstandig een vordering zou kunnen instellen jegens [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] . Dat [eiseres] enkel zou procederen op principiële gronden is voorts ook niet gebleken. Het verweer van [gedaagde 2] faalt daarom. Misbruik van procesrecht? 5.5. [gedaagde 2] heeft een beroep gedaan op misbruik van procesrecht, op grond waarvan zij heeft verzocht om [eiseres] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen. 5.6. De rechtbank stelt voorop dat van misbruik van procesrecht sprake is als het instellen van een vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven, zoals in de situatie dat de eiser de vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. 5.7. Volgens [gedaagde 2] maakt [eiseres] misbruik van procesrecht omdat zij in eerdere procedures tegen [gedaagde 2] dezelfde verwijten aan de orde heeft gesteld, zij druk blijft uitoefenen op het bestuur en zij [gedaagde 2] financieel blijft belasten. Dit handelen is in strijd met de goede procesorde en de maatschappelijke zorgvuldigheid die van een procespartij mag worden verwacht, aldus [gedaagde 2] . [gedaagde 2] heeft echter geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat de vorderingen van [eiseres] evident ongegrond zijn en dat haar vorderingen om die reden achterwege hadden behoren te blijven. De stellingen van [gedaagde 2] kunnen dan ook niet de conclusie dragen dat sprake is van misbruik van procesrecht, zoals zij betoogt. Het verweer wordt verworpen. Dit betekent dat [eiseres] ontvankelijk is in haar vorderingen. Misbruik van het inzagerecht? 5.8. [gedaagde 2] stelt zich op het standpunt dat [eiseres] , voor zover zij ook inzage verlangt in stukken die betrekking hebben op jaren vóórdat zij lid was van [gedaagde 2] , misbruik maakt van het inzagerecht als bedoeld in artikel 3:13 BW. 5.9. Vooropgesteld wordt dat [eiseres] in beginsel de bevoegdheid heeft om haar vorderingen in rechte vast te laten stellen. Op grond van artikel 3:13 lid 1 BW kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar echter niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. Uit artikel 3:13 lid 2 BW volgt dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Ook hierbij past terughoudendheid. 5.10. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 2] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat [eiseres] misbruik van haar bevoegdheid tot inzage maakt. Volgens [gedaagde 2] gebruikt [eiseres] het inzagerecht niet voor het doel waarvoor dat recht is verleend, namelijk redelijke controle en transparantie binnen [gedaagde 2] , maar als drukmiddel en om procedures te forceren. De feiten die [gedaagde 2] daaraan ten grondslag legt, kunnen die conclusie echter niet dragen. [gedaagde 2] heeft enkel aangevoerd dat [eiseres] inzage wenst in (onder meer) stukken die betrekking hebben op de jaren vóór zij lid werd van [gedaagde 2] , dat zij al inzage in diverse stukken heeft gekregen, dat zij desondanks verzoeken en procedures blijft initiëren waarmee veel tijd van het bestuur van [gedaagde 2] gemoeid is, dat dit geen legitiem doel dient en dat de wijze waarop [eiseres] het inzagerecht uitoefent daardoor onevenredig belastend is voor [gedaagde 2] . Deze feiten en omstandigheden zijn echter, ook in onderling verband bezien, onvoldoende om misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW aan te nemen. Wel zullen deze feiten en omstandigheden hierna worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of [eiseres] recht en belang bij inzage in de gevraagde gegevens heeft. Het verweer wordt verworpen. Verkeerde partij in rechte betrokken? 5.11. [eiseres] baseert haar vorderingen tot inzage primair op nakoming van artikel 41 lid 6 van het Reglement. Omdat artikel 41 lid 6 van het Reglement een verplichting voor het bestuur van [gedaagde 2] behelst, stelt [gedaagde 2] zich op het standpunt dat [eiseres] haar vordering op grond van dit artikel had moeten instellen tegen het bestuur en niet tegen [gedaagde 2] . Door [gedaagde 2] te dagvaarden, heeft [eiseres] de verkeerde partij in rechte betrokken, aldus [gedaagde 2] . 5.12. De rechtbank overweegt als volgt. Juridisch gezien is het niet mogelijk het bestuur als losstaand ‘orgaan’ te dagvaarden, omdat het bestuur slechts de besluiten van [gedaagde 2] uitvoert waarvoor [gedaagde 2] als geheel de verantwoordelijkheid draagt. Het is [gedaagde 2] die de gezamenlijke appartementseigenaars in en buiten rechte als rechtspersoon vertegenwoordigt (zie artikel 5:124 en artikel 5:126 lid 5 BW), zodat [gedaagde 2] dan ook gedagvaard dient te worden waarbij zij wordt vertegenwoordigd door haar bestuur. Daarnaast is het mogelijk individuele bestuursleden in privé hoedanigheid te dagvaarden. Het verweer van [gedaagde 2] faalt dan ook. Recht op afschrift of inzage op grond van artikel 41 lid 6 van het Reglement? 5.13. De rechtbank stelt voorop dat artikel 41 lid 6 van het Reglement een verplichting behelst tot het verstrekken van inlichtingen en inzage en niet tot het verstrekken van afschriften zoals (primair) door [eiseres] is verzocht. De vordering tot het verstrekken van afschriften op grond van artikel 41 lid 6 van het Reglement is reeds om die reden niet toewijsbaar. Ten aanzien van de vordering tot inzage overweegt de rechtbank als volgt. 5.14. Hoewel artikel 41 lid 6 van het Reglement geen beperkingen vermeldt, is het recht op inzage dat in dit artikel van het Reglement is toegekend naar het oordeel van de rechtbank niet onbeperkt. Zo mag het effectief besturen van [gedaagde 2] niet worden belemmerd en dient het inzagerecht in beginsel te worden gebruikt overeenkomstig haar doel, te weten het creëren van transparantie en ter redelijke controle en betrokkenheid van de leden bij het functioneren van [gedaagde 2] . Het bestuur van [gedaagde 2] heeft in deze een discretionaire bevoegdheid en mag telkens een afweging maken welke informatie zij aan een eigenaar verstrekt die daarom verzoekt en ook in welke vorm zij dat doet. Het bestuur van [gedaagde 2] kan weigeren om documenten te verstrekken als dit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid of als dit de effectieve werking van het bestuur zou belemmeren. Dit vloeit mede voort uit artikel 2:8 BW. 5.15. [eiseres] stelt dat zij tot op heden slechts inzage heeft gehad in een deel van de administratie. Naderhand heeft zij per e-mail inzage verzocht in een deel van de administratie dat ontbrak. Daarvan is een deel nagezonden. [eiseres] wenst nu alsnog alle bankschriften en grootboekrekeningen van [gedaagde 2] en van de kleine kasrekening over de jaren 2013 tot en met 2020 in te zien. Zij wil de gevraagde stukken in samenhang met elkaar inzien en wil kunnen controleren of verschillende mutaties op elkaar aansluiten en of volgnummers kloppen, aldus [eiseres] . 5.16. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat er reeds is voldaan aan de verplichting van artikel 41 lid 6 van het Reglement. Desondanks blijft [eiseres] terugkomen met nieuwe vragen en verzoeken om aanvullende stukken, ook met betrekking tot stukken waarover zij al beschikt. Dit belemmert de effectieve werking van het bestuur. Er hoeft daarom geen verdere inzage te worden verstrekt, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . 5.17. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de vorderingen tot inzage op grond van artikel 41 lid 6 van het Reglement niet toewijsbaar. De rechtbank stelt vast dat het bestuur in de periode van september 2022 tot en met april 2023 uitgebreid met [eiseres] heeft gecorrespondeerd naar aanleiding van vragen van [eiseres] over de administratie van [gedaagde 2] en in het bijzonder over het gebruik en de verantwoording van de kleine kasrekening. Bij e-mail van 26 september 2022 is [eiseres] al uitgenodigd om inzage te verkrijgen in de financiële administratie van [gedaagde 2] , van welk uitnodiging zij op dat moment geen gebruik heeft gemaakt. Op 21 april 2023 heeft zij inzage gehad in een groot deel van de bankafschriften van de kleine kasrekening over de periode 2015-2022. Bij e-mails van 17 oktober 2022, 15 november 2022, 21 en 25 april 2023 is er voorts namens [gedaagde 2] een groot aantal stukken aan [eiseres] toegestuurd uit de administratie van [gedaagde 2] , waaronder de grootboekrekeningen van 2016 tot en met 2020 alsmede bankafschriften die op 21 april 2023 tijdens de inzage ontbraken. Daarmee heeft het bestuur van [gedaagde 2] voldaan aan haar verplichting tot het verstrekken van inzage als bedoeld in artikel 41 lid 6 van het Reglement. 5.18. De redelijkheid en billijkheid alsmede de effectieve werking van het bestuur van [gedaagde 2] verzetten zich naar het oordeel van de rechtbank tegen inzage in de gevraagde stukken. De rechtbank weegt in dat oordeel mee dat [eiseres] een (groot) deel van de gevraagde stukken al eerder heeft ingezien dan wel daarvan een afschrift heeft ontvangen, dat er met de behandeling van de verzoeken van [eiseres] door het bestuur van [gedaagde 2] veel tijd gemoeid is en dat het hier gaat om verzoeken van een individueel lid van [gedaagde 2] , dat geen deel uitmaakt van de kascommissie van [gedaagde 2] , dat inzage verlangt in financiële gegevens die betrekking hebben op een groot aantal reeds vastgestelde boekjaren van [gedaagde 2] (2013 tot en met 2020). Daarmee gebruikt [eiseres] het inzagerecht, zoals ook door [gedaagde 2] is betoogd, om reeds vastgestelde boekjaren opnieuw ter discussie te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het inzagerecht van artikel 41 lid 6 van het Reglement daarvoor geen grondslag. Het bestuur heeft dan ook in alle redelijkheid kunnen besluiten dat zij [eiseres] geen verdere inzage meer verleent of stukken verstrekt. Recht op afschrift of inzage op grond van artikel 194 Rv? 5.19. [eiseres] baseert haar vorderingen subsidiair op artikel 194 Rv. Dit artikel bepaalt dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft (artikel 194 lid 1 Rv). Voor een recht op afschrift moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet (1) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (2) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet (3) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (4) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken. Als degene die informatie van een ander verlangt aan deze voorwaarden voldoet, kan de rechter een daartoe strekkende vordering of verzoek alleen afwijzen als (a) degene die over de gegevens beschikt een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 165 lid 2 Rv toekomt of (b) gewichtige redenen zich tegen het geven van een afschrift verzetten (artikel 195 lid 1 Rv in samenhang met artikel 194 lid 2 Rv). 5.20. Artikel 194 Rv voorziet ook niet in een onbeperkt recht op inzage in of afschrift van stukken die een ander onder zich heeft. Zogenoemde ‘fishing expeditions’ moeten worden voorkomen. Het belang bij informatieverkrijging moet daarom voldoende duidelijk worden omschreven met een voldoende nauwkeurige afbakening van de verzochte informatie. Zo zal voor een verzoek om inzage een duidelijk verband tussen de verlangde informatie en een concrete vordering of verzoek naar voren moeten worden gebracht en zal het bestaan van die informatie ook voldoende aannemelijk moeten worden gemaakt. 5.21. De rechtbank stelt vast dat er tussen [eiseres] en [gedaagde 2] een rechtsbetrekking bestaat, nu [eiseres] lid is van [gedaagde 2] . Naar het oordeel van de rechtbank is de door [eiseres] verlangde informatie (rekeningafschriften en grootboekrekeningen van [gedaagde 2] en van de kleine kasrekening over de periode 2013 tot en met 2020) voldoende bepaald en vast staat ook dat [gedaagde 2] over deze informatie beschikt. De rechtbank is echter van oordeel dat [eiseres] onvoldoende belang heeft bij de gevraagde stukken. De rechtbank licht dit als volgt toe. 5.22. [eiseres] vraagt om inzage in een grote hoeveelheid stukken, wat op zichzelf al een aanwijzing oplevert dat zij bezig is met een fishing expedition. [eiseres] heeft naar het oordeel van de rechtbank bovendien haar stellingen dat zij voldoende belang heeft bij de door haar gevraagde stukken onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal dat hierna nader toelichten. 5.23. [eiseres] streeft ernaar om ‘onjuistheden’ in de administratie van [gedaagde 2] (de rechtbank begrijpt: financieel wanbeleid) aan het licht te brengen die zij heeft geconstateerd tijdens eerdere inzage. Die onjuistheden onderbouwt [eiseres] – samengevat – met de volgende feiten en omstandigheden: Er zijn uitgaven ten laste van [gedaagde 2] gedaan, waaronder uitgaven aan cadeaubonnen, wijnen, fooien, kerstartikelen, een nieuwjaarsborrel en postzegels en kaarten, terwijl deze uitgaven niet zijn goedgekeurd door de ledenvergadering en ook niet in het Reglement zijn genoemd als gemeenschappelijke kosten. Er zijn overboekingen gedaan van de kleine kasrekening naar privérekeningen van bestuurders. Er ontbraken – zoals ook door [eiseres] aangegeven in haar e-mail van 25 april 2023 aan het bestuur van [gedaagde 2] – tijdens de inzage op 21 april 2023 diverse bankafschriften van de kleine kasrekening. Op één van de grootboekrekeningen die door het bestuur van [gedaagde 2] is verstrekt (met nummer 1100) komt de som van de bedragen aan de debet- en creditzijde niet overeen met de totaalsom. De totaalsom komt aanzienlijk hoger uit dan de optelsom van de afzonderlijke mutaties, waardoor het lijkt alsof er mutaties missen. 5.24. Met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is de rechtbank van oordeel dat de feiten en omstandigheden zoals genoemd onder 1 en 2 niet ten grondslag kunnen liggen aan het belangvereiste, omdat ze daarvoor niet relevant zijn. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten immers niet dat de kleine kasrekening is gebruikt voor uitgaven ten behoeve van [gedaagde 2] , dat de door [eiseres] onder 1 genoemde uitgaven ten laste van [gedaagde 2] zijn gekomen en dat er hiervoor bedragen zijn overgeboekt naar bankrekeningen van bestuursleden, die deze uitgaven hebben voorgeschoten. Deze uitgaven (1) en overboekingen (2) staan dus op zichzelf niet ter discussie. Om deze betalingen en overboekingen aan te kunnen kaarten, is de inzage in de bankafschriften en grootboekrekeningen van [gedaagde 2] en de kleine kasrekening dan ook niet vereist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd waarom zij desondanks dan toch belang heeft om op grond van deze feiten en omstandigheden inzage te krijgen in die bankafschriften en grootboekrekeningen. 5.25. Dat er bankafschriften (3) en mutaties (4) missen, is gemotiveerd betwist door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Volgens [gedaagde 1] zijn de bankafschriften die tijdens de inzage ontbraken nadien alsnog aan [eiseres] toegezonden bij e-mails van 21 en 25 april 2023. In de overige maanden die volgens [eiseres] ontbraken waren er geen transacties en dus ook geen bankafschriften, zodat deze ook niet verstrekt konden worden. Daarmee zijn alle bankafschriften aan [eiseres] verstrekt. Op grootboekrekening 1100 is het totaalbedrag volgens [gedaagde 1] niet enkel de optelsom van de mutaties in de op deze balans vermelde jaren (2017 tot en met 2021), maar de optelsom van de mutaties van de jaren 2014 tot en met 2021, aldus [gedaagde 1] . [eiseres] heeft haar stellingen, naar aanleiding van deze gemotiveerde betwisting, onvoldoende nader onderbouwd. Dat er bankafschriften en mutaties missen, kan dan ook niet worden vastgesteld. 5.26. Al met al is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn van financieel wanbeleid binnen [gedaagde 2] die inzage in de grote hoeveelheid door [eiseres] gevorderde stukken rechtvaardigen, terwijl [eiseres] in ieder geval een (groot) deel van die stukken bovendien al eerder heeft ingezien dan wel ontvangen. Daarmee ontbreekt niet alleen het vereiste belang bij inzage, maar is tevens sprake van een fishing expedition waarvoor artikel 194 Rv geen grondslag biedt. Conclusie 5.27. Op grond van artikel 41 lid 6 van het Reglement noch op grond van artikel 194 Rv heeft [eiseres] recht op inzage in en afschrift van de gevraagde stukken. Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. Proceskosten 5.28. [eiseres] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betalen. Zoals hiervoor reeds is overwogen (zie 5.5-5.7), heeft [eiseres] geen misbruik van procesrecht gemaakt. Voor een volledige proceskostenveroordeling, zoals gevorderd door [gedaagde 2] , is dan ook geen grondslag. 5.29. De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op: - griffierecht € 331,00 - salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.826,00 5.30. De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op: - griffierecht € 714,00 - salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.209,00 5.31. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. wijst de vorderingen van [eiseres] af, 6.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde 1] van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.3. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde 2] van € 2.209,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.4. veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 6.5. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. L. Amperse en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026. ECLI:NL:GHAMS:2014:1485. Zie in vergelijkbare zin: ECLI:NL:RBROT:2025:5688 en ECLI:NL:RBNHO:2017:3136.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/184597 · 2026-07-30
