# Rechtbank Amsterdam, 22-07-2026 (13-132155-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:7668
- Date: 2026-07-22
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A7668
- Canonical: https://overview.legal/posts/184607

## Summary

Belgisch vervolgings-EAB. Lijstfeit. Accessoire overlevering. Terugkeergarantie. Detentieomstandigheden Antwerpen. Overlevering toegestaan.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-132155-26 Datum uitspraak: 22 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 26 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 4 mei 2026 door de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1994 op Curaçao (Nederlandse Antillen), inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] , verblijfadres: [verblijfadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 juli 2026, in aanwezigheid van mr. A. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H. Sytema, advocaat in 's-Gravenhage. De raadsman heeft zich ten aanzien van het EAB gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een afzonderlijk bevel tot aanhouding bij verstek afgeleverd door de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 4 mei 2026, met referentie: OR kabinet 4 referte 2025/062. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid 4.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW (feit A) De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft feit A aangewezen als zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: - moord, doodslag en zware mishandeling. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft met betrekking tot feit B het lijstfeit ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling aangekruist. Het EAB vermeldt verder dat op wederrechtelijke vrijheidsberoving naar Belgisch recht een strafmaximum van 2 jaar staat. De rechtbank stelt daarom vast dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Om die reden zal de dubbele strafbaarheid van dit feit worden getoetst. 4.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist (feit B) Overlevering kan worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hier ten aanzien van feit B aan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven. 4.3 Accessoire overlevering (feit C) De rechtbank stelt vast dat feit C niet aan het vereiste van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, OLW voldoet, nu op dat feit naar Belgisch recht een strafmaximum van zes maanden staat. Dit feit voldoet dus niet aan het vereiste dat op een feit waarvoor de overlevering wordt verzocht in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. Dit feit is wel strafbaar naar Nederlands recht en levert op: mishandeling. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op grond van het bepaalde in artikel 7, zesde lid, OLW ook voor dit feit de overlevering kan worden toegestaan. Het EAB heeft immers betrekking op feiten A en B die wel voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, OLW. Overlevering kan daarom voor dit feit gelijktijdig worden toegestaan met feiten A en B. De rechtbank overweegt dat door accessoire overlevering alle beschuldigingen tegen de opgeëiste persoon hierdoor tegelijk kunnen worden afgedaan. Dit is in het belang van een effectieve rechtspleging en – omdat mogelijk een strafoplegging volgt na overlevering – het belang om straffeloosheid zoveel mogelijk te voorkomen. Dat alle beschuldigingen tegelijk worden afgedaan is naar het oordeel van de rechtbank ook in het belang van de opgeëiste persoon. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in België. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland. De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer hij na overlevering in België wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, afdeling Turnhout, heeft op 27 mei 2026 de volgende garantie gegeven: “Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [de opgeëiste persoon] . Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. De rechtbank stelt vast dat er bij brief van 28 mei 2026, afkomstig van de Directeur-generaal bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, de volgende algemene detentiegarantie is gegeven: “1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Antwerpen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon\ in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” De rechtbank gaat aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, nu het gevaar van een dergelijke behandeling met deze garantie voor hem is weggenomen doordat hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 282 en 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] , aan de Onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. M. Scheeper en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 ( O.G. (Europees aanhoudingsbevel voor een onderdaan van een derde land) ), punt 64. ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/184607 · 2026-07-30
