# Rechtbank Amsterdam, 21-07-2026 (13-143689-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:7614
- Date: 2026-07-21
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A7614
- Canonical: https://overview.legal/posts/184615

## Summary

Vervolgings-EAB uit België. Tussenuitspraak. Artikel 2 OLW: de omschrijving van de pleegplaats is voldoende duidelijk gelet op de aard van het feit, en de overlevering is gevraagd voor een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. Artikel 6 OLW: de opgeëiste persoon beroept zich op de gegeven terugkeergarantie. Artikel 11 OLW: het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon. Artikel 9 OLW: om te beoordelen of sprake is van een (voorgenomen) strafvervolging in Nederland ten aanzien van hetzelfde feit als waarvoor de uitvaardigende justitiële autoriteit de overlevering verzoekt, verzoekt de rechtbank de officier van justitie aanvullende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-143689-26 Datum uitspraak: 21 juli 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 22 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 11 mei 2026 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Vlaanderen, afdeling Dendermonde, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] , gedetineerd in het [justitieel complex] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Nieuwburg, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB, in samenhang gelezen met het A-formulier, vermeldt een aanhoudingsmandaat van 11 mei 2026, afgegeven door een examining magistrate at the Court of first instance of East Flanders, Dendermonde division. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB en het A-formulier. 4 Genoegzaamheid Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het EAB niet voldoet aan de vereisten van artikel 2 OLW. Uit de omschrijving van de feiten in onderdeel e) van het EAB ten aanzien van het eerste, derde, vierde en vijfde strafbare feit blijkt niet onder welke omstandigheden deze feiten zouden zijn gepleegd en wat de rol van de opgeëiste persoon zou zijn geweest. België is als pleegplaats genoemd in het A-formulier en de pleegplaats is hiermee onvoldoende gespecificeerd. Daarnaast is de tijdsperiode onvoldoende specifiek omschreven. Ten aanzien van het tweede strafbare feit, dat betrekking heeft op de manipulatie van informaticagegevens door gebruik van een phishingpanel , zijn de pleegplaats en pleegperiode onvoldoende duidelijk. Daarnaast hadden de slachtoffers van dit feit in het EAB moeten worden genoemd. Het is voor de opgeëiste persoon onvoldoende duidelijk voor welke feiten zijn overlevering wordt verzocht en hiermee is het specialiteitsbeginsel niet gewaarborgd. De overlevering moet voor alle feiten worden geweigerd. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de strafbare gedragingen uitgebreid zijn omschreven in het EAB. Het feit dat als pleegplaats België is vermeld, past bij de omstandigheid dat meer slachtoffers zijn gemaakt in hetzelfde land. De rol van de opgeëiste persoon is daarnaast omschreven. De slachtoffers van de vermoedelijke manipulatie van informaticagegevens hoeven niet worden genoemd in het EAB. Uit de omschrijving van de feiten blijkt dat de phishingmails zouden zijn verstuurd naar een Belgische verzekeringsmaatschappij, waarvan alleen personen met de Belgische nationaliteit lid kunnen zijn. Het EAB is genoegzaam. Oordeel van de rechtbank Het EAB moet gegevens bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. De rechtbank is van oordeel dat het EAB in deze zaak genoegzaam is. Met de omschrijving van de feiten in onderdeel e) van het EAB - in samenhang gelezen met het A-formulier - is namelijk voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt gevraagd en wat zijn betrokkenheid daarbij zou zijn geweest. Ten aanzien van het tweede strafbare feit overweegt de rechtbank dat de omschrijving van de pleegplaats, gelet op de aard van manipulatie van informaticagegevens, voldoende duidelijk is, omdat bij dergelijke feiten doorgaans meerdere slachtoffers zijn betrokken die zich bevinden op verschillende plaatsen in een land. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd voor een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Artikel 2 OLW staat niet aan overlevering in de weg. 5 Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: deelneming aan een criminele organisatie; witwassen van opbrengsten van misdrijven; informatiecriminaliteit. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt verder vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in België. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland. De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag ondergaan wanneer hij na overlevering in België wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het Parket van de procureur des Konings Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, heeft op 15 juni 2026 de volgende garantie gegeven: “Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de heer [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2002 te [geboorteplaats] (Nederland). Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 7 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, moet rechtbank beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat bij brief van 16 juni 2026, afkomstig van de adviseur-generaal bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie in Brussel de volgende algemene detentiegarantie is gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Nieuw Dendermonde indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillend dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.” De rechtbank gaat aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, nu het gevaar van een dergelijke behandeling met deze garantie voor hem is weggenomen doordat hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten. 8 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9 OLW: ne bis in idem Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW, omdat sprake zou zijn van overlap tussen de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht en de feiten die ten grondslag liggen aan de verdenking in het Nederlandse onderzoek. Ten aanzien van de tijdsperiode is zowel op basis van de concept tenlastelegging in het Nederlandse onderzoek als de periode zoals weergeven op de justitiële documentatie sprake van overlap. Uit het EAB volgt dat de genoemde handelingen overeenkomen met de handelingen die zijn vermeld op de concept-tenlastelegging. De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak aangehouden moet worden om nadere informatie op te vragen bij de Belgische autoriteiten en de mogelijkheid te verkennen dat de Belgische strafzaak aan Nederland wordt overgedragen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van overlap tussen de Belgische strafzaak en het in Nederland lopende strafrechtelijk onderzoek. Tussen de Nederlandse en Belgische autoriteiten heeft overleg plaatsgevonden over de omvang van de verdenkingen in beide landen. Het Belgische EAB en de Nederlandse concept-tenlastelegging zijn daarop aangepast. De omvang van de verdenking ten aanzien van het onderliggende feit is verschillend; enerzijds het faciliteren van fraude door anderen via het gebruik van phishingpanels door deze aan te bieden en te verkopen (Nederlandse zaak), en anderzijds het zelfstandig plegen van (bankhelpdesk)fraude via het zelf gebruikmaken van een phishingpanel (Belgische zaak). Verder is in de Belgische zaak sprake van slachtoffers terwijl er in de Nederlandse zaak geen slachtoffers zijn. Daarnaast zijn de pleegperiodes grotendeels verschillend, aangezien in de Nederlandse concept-tenlastelegging een pleegperiode is genoemd van 20 juli 2023 tot en met 12 augustus 2025, terwijl de in het A-formulier omschreven pleegperiode loopt van 15 mei 2025 tot het moment van aanhouding . Bovendien zijn de pleegplaatsen en de genoemde Telegram-accounts verschillend. De officier van justitie verzoekt de rechtbank de overlevering toe te staan. Oordeel van de rechtbank Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW kan overlevering van de opgeëiste persoon worden geweigerd voor een feit ter zake waarvan tegen hem een strafvervolging in Nederland gaande is. De rechtbank dient dan vast te stellen dat er in Nederland een strafvervolging tegen de opgeëiste persoon loopt en dat die strafvervolging betrekking heeft op hetzelfde feit als het EAB. Hoewel er een strafrechtelijk onderzoek loopt, vindt er naar de rechtbank begrijpt nog geen vervolging plaats in Nederland. De rechtbank maakt echter uit het interstatelijk overleg tussen België en Nederland over de omvang van de verdenking en uit het feit dat inmiddels een concept-tenlastelegging is opgesteld op, dat het Openbaar Ministerie concreet het voornemen heeft over te gaan tot vervolging van de opgeëiste persoon. Daarom zal in deze uitspraak ervan worden uitgegaan dat er vervolging in Nederland zal plaatsvinden. De rechtbank stelt op basis van de concept-tenlastelegging vast dat de opgeëiste persoon in Nederland verdacht wordt van het vervaardigen, verkopen, of het anderszins ter beschikking stellen of voorhanden hebben van phishingpanels in Nederland, over de periode 20 juli 2023 tot en met 12 augustus 2025. Blijkens de feitomschrijving in onderdeel e) van het EAB en het A-formulier wordt de opgeëiste persoon in België onder andere verdacht van manipulatie van informaticagegevens door middel van phishingpanels over de periode vanaf 15 mei 2025 tot heden. In het EAB is hierover onder meer het volgende opgenomen: “Na invoer van hun gegevens worden de slachtoffers automatisch doorgestuurd naar een bijkomende frauduleuze website die zich voordoet als hun bankomgeving, met als doel het ontvreemden van vertrouwelijke bank- en authenticatiegegevens. De aldus verkregen gegevens worden door de verdachten gebruikt om zich wederrechtelijk toegang te verschaffen tot bankrekeningen en deze frauduleus aan te wenden. Voor deze handelingen wordt gebruik gemaakt van een phishingpanel, zijnde een platform voor het opzetten en beheren van phishingcampagnes waarbij buitgemaakte gegevens in real-time worden verzameld en geëxploiteerd. Uit het onderzoek blijkt dat het gebruikte panel " [naam] " betreft, aangeboden via het Telegram-account " [account 1] ". Uit het EAB blijkt verder dat via een aan dit Telegram-account gekoppeld Paypal-account betalingen werden verricht aan de opgeëiste persoon. In de Nederlandse concept-tenlastelegging worden de namen van Telegram-accounts “ [account 2] en/of [account 3] ” genoemd. Aan de opgeëiste persoon wordt in de Belgische strafzaak verweten dat hij personen heeft opgelicht door middel van het gebruik van een phishingpanel via een Telegram-account met een andere, maar vergelijkbare naam als genoemd in de Nederlandse concept-tenlastelegging. De rechtbank stelt op grond van deze gegevens vast dat het aanbieden dan wel ter beschikking stellen van een phishingpanel een noodzakelijk onderdeel van de verdenking in zowel België als in Nederland lijkt te vormen, waarbij sprake is van een overlap in de periode van de verdenking in België en Nederland . De overlap is met name afhankelijk van het feitencomplex dat enerzijds aan de verdenking van het vervaardigen, verkopen, of het anderszins ter beschikking stellen of voorhanden hebben van de phishingpanels in Nederland, en anderzijds aan de verdenking van de manipulatie van informaticagegevens in België ten grondslag wordt gelegd. Gelet op het voorgaande is mogelijk sprake van een (voorgenomen) strafvervolging in Nederland ten aanzien van hetzelfde feit als waarvoor de uitvaardigende justitiële autoriteit de overlevering verzoekt. Om dit te kunnen beoordelen verzoekt de rechtbank de officier van justitie daarom de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: 1. Strekt de verdenking van de manipulatie van informaticagegevens in België, zoals in het EAB weergegeven, zich tevens uit tot het vervaardigen, verkopen of het anderszins ter beschikking stellen of voorhanden hebben van een phishingpanel zoals genoemd in de Nederlandse concept-tenlastelegging gedurende de periode die de Nederlandse verdenking en de Belgische verdenking elkaar overlappen, namelijk van 15 mei 2025 tot en met 12 augustus 2025? 2. Indien dit het geval is, kan de uitvaardigende justitiële autoriteit bevestigen dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd voor een feit dat ten grondslag ligt aan de verdenking zoals die is weergegeven in de Nederlandse concept-tenlastelegging, in aanmerking genomen dat sprake is van een overlap met de in de Nederlandse concept-tenlastelegging genoemde pleegperiode? 3. Indien de verdenking, naast de overlap in de periode, ook ziet op overlap in pleegplaatsen, kan de uitvaardigende justitiële autoriteit bevestigen dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd voor feiten die ten grondslag liggen aan de verdenking in de Nederlandse strafzaak? Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, in afwachting van de beantwoording van genoemde vragen, het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd. 9 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd in afwachting van de beantwoording door de uitvaardigende justitiële autoriteit van de door de rechtbank onder punt 8 geformuleerde vragen. BEPAALT dat de zaak uiterlijk op 4 augustus 2026 opnieuw wordt ingepland op een zitting . BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. L. Baroud en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. ( Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers ), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64. ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/184615 · 2026-07-30
