# Rechtbank Rotterdam, 01-07-2026 (ROT 25/5742)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Rotterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBROT:2026:8552
- Date: 2026-07-01
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBROT%3A2026%3A8552
- Canonical: https://overview.legal/posts/184617

## Summary

Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo); weigering verklaring van geen bezwaar; de minister kon zich redelijkerwijs op het standpunt stellen dat ten aanzien van eiser onvoldoende gegevens beschikbaar zijn; beroep ongegrond.

## Full text

RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/5742 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [plaatsnaam], eiser (gemachtigde: mr. M.A. Visser), en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de minister (gemachtigden: mr. M. Zijlstra en mr. S. Rozema). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de weigering van de minister om aan eiser een verklaring van geen bezwaar af te geven op basis van de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo). Eiser is het niet met de weigering eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat ten aanzien van eiser onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om een oordeel te kunnen geven over de vraag of er voldoende waarborgen zijn dat eiser onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen . Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verklaring van geen bezwaar. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 24 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 juni 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser is op 11 september 2024 door TUI Airlines Nederland B.V. (TUI) aangemeld bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) voor een veiligheidsonderzoek in verband met het vervullen van de vertrouwensfunctie van First Officer (piloot). Een verklaring van geen bezwaar is vereist om de vertrouwensfunctie te kunnen uitoefenen. 3.1. Met het primaire besluit van 24 februari 2025, dat de minister in het bestreden besluit van 18 juni 2025 heeft gehandhaafd, heeft de minister de verklaring van geen bezwaar geweigerd, omdat er onvoldoende gegevens zijn om een oordeel te kunnen geven over de vraag of er voldoende waarborgen zijn dat eiser onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Om te kunnen beoordelen of een verklaring van geen bezwaar kan worden afgegeven, worden de gegevens van in beginsel een periode van acht jaar bekeken, voorafgaand aan de datum van aanmelding voor het onderzoek. De beoordeling ziet op gegevens zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a tot en met d, van de Wvo. Uit het veiligheidsonderzoek is gebleken dat eiser in de periode 6 januari 2017 tot 19 augustus 2019 in Iran heeft verbleven. De AIVD wisselt met de inlichtingen- en veiligheidsdienst van Iran geen persoonsgegevens uit ten behoeve van veiligheidsonderzoeken, wegens het ontbreken van de daarvoor benodigde samenwerkingsrelatie. Hierdoor heeft de minister geen inzicht in de benodigde justitiële en politieke gegevens voor de periode dat eiser in Iran verbleef en is niet de volledige beoordelingsperiode van acht jaar inzichtelijk. Standpunt eiser 4. Eiser is het niet eens met de weigering van de verklaring van geen bezwaar. Hij voert daartoe aan dat hij op voldoende betrouwbare en verifieerbare wijze de ontbrekende periode inzichtelijk heeft gemaakt. Eiser verwijst daarbij naar de chronologische uiteenzetting die hij heeft opgemaakt. Daarnaast doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Hij is ermee bekend dat andere Iraniërs wel een verklaring van geen bezwaar hebben ontvangen. Bovendien heeft de Bezwarencommissie Veiligheidsonderzoeken in andere zaken omtrent een verklaring van geen bezwaar genoegen genomen met een langere ontbrekende periode dan dat in het geval van eiser aan de orde is. Verder dient de belangenafweging in het voordeel van eiser uit te vallen. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft eiser gezegd dat hij weer bij AirBaltic aan de slag zou kunnen. Na de hoorzitting is echter gebleken dat dit niet mogelijk is, en dat hij ook niet bij andere luchtvaartmaatschappijen aan de slag kan, omdat zijn dienstverband bij TUI is beëindigd vanwege het ontbreken van een verklaring van geen bezwaar. Wettelijk kader 5. De voor deze zaak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Mocht de minister redelijkerwijs de verklaring van geen bezwaar weigeren? 6. De rechtbank stelt voorop dat de minister bij de beoordeling of onvoldoende gegevens als bedoeld in artikel 8 van de Wvo aanwezig zijn beoordelingsruimte heeft. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het bestuursorgaan van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt, in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of de minister redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen. 7. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister redelijkerwijs de verklaring van geen bezwaar kon weigeren omdat ten aanzien van eiser onvoldoende gegevens aanwezig zijn om te kunnen beoordelen of eiser onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Voor het onderzoek heeft de minister de gegevens over de acht jaar direct voor de datum van aanmelding nodig. Eiser verblijft sinds 19 augustus 2019 in Nederland. Voor die tijd heeft hij in Iran verbleven. Tussen partijen is niet in geschil dat gegevens ontbreken over een periode van ongeveer twee jaar van de terugkijktermijn. Dit is een veel langere periode dan de zes maanden die wordt genoemd in de toelichting op de Beleidsregel. Tussen de AIVD en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van Iran bestaat geen samenwerkingsrelatie, waardoor geen justitiële en politieke gegevens van eiser over de ontbrekende periode konden worden uitgewisseld. Dit heeft tot gevolg dat over de periode waarin eiser in Iran verbleef, geen inzicht kan worden verkregen in de benodigde justitiële en politieke gegevens. 7.1. Op grond van artikel 4, onder c, van de Beleidsregel houdt de minister bij de beoordeling of het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft opgeleverd vanwege verblijf of verblijven buiten Nederland onder meer rekening met de bestemming en het al dan niet bestaan van een samenwerkingsrelatie tussen de betrokken veiligheidsdiensten en de duur, frequentie en tijdvak van het verblijf. De rechtbank is van oordeel dat de minister in zijn afweging zwaar heeft mogen laten meewegen dat Iran onder de aandacht staat van de AIVD en dat voor ongeveer een kwart van de beoordelingsperiode justitiële en politieke gegevens ontbreken. Eiser heeft zowel in bezwaar als in beroep uitgebreid uiteengezet hoe zijn opleiding tot piloot is verlopen en op welke momenten van de beoordelingsperiode hij in Iran, Nederland of elders in Europa was. De rechtbank kan het standpunt van de minister echter volgen dat hij deze gegevens onvoldoende kan verifiëren, gelet op het ontbreken van de samenwerkingsrelatie tussen de AIVD en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van Iran. De door eiser aangeleverde gegevens kunnen daarom niet in de plaats komen van, of een voldoende alternatief bieden voor, de ontbrekende justitiële en politieke gegevens. De minister heeft op de zitting toegelicht dat vanwege deze omstandigheden, ook geen nader onderzoek is gedaan naar de persoonlijke gedragingen van eiser. Dit zou namelijk een grote inbreuk op de privacy van eiser zijn, terwijl al is komen vast te staan dat er onvoldoende gegevens van eiser zijn. De minister was niet verplicht om naar de persoonlijke gedragingen van omstandigheden van eiser te kijken. 7.2. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Eiser heeft namelijk onvoldoende met concrete voorbeelden onderbouwd dat de minister in gelijke gevallen wel een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven. 7.3. In wat eiser heeft aangevoerd, had de minister verder geen aanleiding hoeven zien om hem in afwijking van het geldende beleid of op grond van het evenredigheidsbeginsel alsnog een verklaring van geen bezwaar te verstrekken. De rechtbank begrijpt dat de weigering van de verklaring van geen bezwaar grote gevolgen voor eiser heeft. Eiser heeft op de zitting verteld dat hij 16 jaar van zijn leven heeft gewijd aan zijn opleiding en baan als piloot en nooit bij incidenten betrokken is geweest. Eiser werkt op dit moment noodgedwongen in een distributiecentrum van een supermarktketen omdat hij vanwege het ontbreken van een verklaring van geen bezwaar niet aan de slag komt in de luchtvaartsector, niet als piloot maar ook niet als ondersteunend personeel. Eiser heeft verder aangevoerd dat TUI hem gelijk, maar uiterlijk in augustus 2026, weer in dienst wil nemen als hij een verklaring van geen bezwaar heeft. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser een groot belang heeft bij het (snel) verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar, maken deze omstandigheden niet dat de minister daaraan meer gewicht had moeten toekennen dan aan het belang van de nationale veiligheid. Het staat eiser vrij om op een later moment, bijvoorbeeld als zijn verblijfsperiode in Iran buiten de terugkijktermijn valt, nogmaals een verklaring van geen bezwaar aan te vragen. Deze aanvraag zal, zo is ter zitting besproken, dan op zijn eigen merites door de minister worden beoordeeld. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de afgifte van een verklaring van geen bezwaar in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, rechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: relevante wet- en regelgeving Wet veiligheidsonderzoeken (geldend ten tijde van het bestreden besluit) Artikel 7 1. Alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, wordt ten aanzien van de betrokken persoon door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst een veiligheidsonderzoek ingesteld. 2. Het veiligheidsonderzoek omvat het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie. Hierbij wordt uitsluitend gelet op: a. justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en gegevens als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES alsmede van gegevens als bedoeld in de Wet politiegegevens en van gegevens verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak op Bonaire, Sint Eustatius en Saba; b. gegevens betreffende deelneming of steunverlening aan activiteiten die de nationale veiligheid kunnen schaden; c. gegevens betreffende lidmaatschap van of steunverlening aan organisaties die doeleinden nastreven, dan wel ter verwezenlijking van hun doeleinden middelen hanteren, die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde; d. gegevens betreffende overige persoonlijke gedragingen en omstandigheden, naar aanleiding waarvan betwijfeld mag worden of de betrokkene de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen. Artikel 8 Een verklaring kan slechts worden geweigerd, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven. Beleidsregel veiligheidsonderzoeken 2021 Artikel 2 Beoordelingsperiodes 1. Bij een veiligheidsonderzoek op niveau A worden de gegevens over in beginsel een periode van tien jaar direct voorafgaande aan de aanmelding van de betrokkene voor het veiligheidsonderzoek beoordeeld. Bij een veiligheidsonderzoek op niveau B geldt in beginsel een periode van acht jaar. Bij een veiligheidsonderzoek op niveau C geldt in beginsel een periode van vijf jaar. […] Artikel 4 Onvoldoende gegevens Van onvoldoende gegevens als bedoeld in artikel 8 en 10 van de wet is sprake indien: (…) c. het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft opgeleverd over de in artikel 2 bedoelde beoordelingsperiode vanwege verblijf of verblijven buiten Nederland van betrokkene en/of diens partner. Bij de beoordeling of het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft opgeleverd vanwege verblijf of verblijven buiten Nederland wordt rekening gehouden met: 1°. de bestemming(en); 2°. het al dan niet bestaan van een samenwerkingsrelatie tussen de AIVD dan wel de MIVD met de collega-dienst van het land of de landen van het verblijf of de verblijven; 3°. de duur, frequentie en tijdvak van het verblijf of de verblijven; 4°. de kwetsbaarheid van de specifieke functie en 5°. de reden van het verblijf of de verblijven. Artikel 5 Persoonlijke gedragingen en omstandigheden Bij de beoordeling van gegevens als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder d, van de wet wordt in ieder geval gelet op de criteria eerlijkheid, onafhankelijkheid, loyaliteit, integriteit en veiligheidsbewustzijn. Toelichting op de Beleidsregel veiligheidsonderzoeken 2021 Artikel 4 Onvoldoende gegevens […] Onderdeel c Zoals uit het algemeen deel van de toelichting al bleek, kan van onvoldoende gegevens ook sprake zijn indien betrokkene een periode buiten Nederland heeft verbleven. In beginsel wordt een verblijf in het buitenland van zes maanden of langer binnen de beoordelingsperiode aangemerkt als een ontbrekende periode. Hiervan is in ieder geval sprake indien betrokkene een aaneengesloten periode van zes maanden of langer in het buitenland heeft verbleven. Onder omstandigheden kunnen ook (kortere) verblijven in het buitenland die in totaliteit de zes maanden overstijgen in de beoordeling worden betrokken. Het dient hierbij te gaan om de situatie dat er gedurende meerdere jaren een aantal aaneengesloten maanden per jaar wordt verbleven in het buitenland. In deze beide gevallen wordt het buitenlandverblijf getoetst aan de hand van de beoordelingsfactoren en kunnen aanvullende gegevens worden opgevraagd bij betrokkene. Ook wanneer een betrokkene weliswaar ingeschreven staat in de BRP, maar deze inschrijving niet overeenkomt met de feitelijke verblijfplaats in het buitenland, vraagt de UVO aan betrokkene om meer informatie aan te leveren om zijn feitelijk verblijf inzichtelijk te maken. […] Samenwerkingsrelaties met collega-diensten De UVO is gehouden om de justitiële en politieke gegevens te betrekken in het veiligheidsonderzoek. Indien een betrokkene buiten Nederland heeft verbleven zijn deze gegevens over die periode niet beschikbaar bij de UVO. Om toch inzicht te krijgen in de vereiste justitiële en politieke gegevens, wordt door de diensten – indien mogelijk – navraag gedaan bij de collega-dienst van het land waar betrokkene langer dan zes maanden heeft verbleven. Uitwisseling van persoonsgegevens kan uitsluitend plaatsvinden indien een zodanige samenwerking bestaat dat dit verantwoord kan gebeuren. Bij de uitwisseling van persoonsgegevens moet de AIVD of MIVD op een vergelijkbaar verzoek van de betreffende collega-dienst ook gegevens kunnen verstrekken. Dit is niet altijd wenselijk. Bij (het aangaan van) een samenwerkingsrelatie wordt een afweging gemaakt op basis van een aantal criteria, zoals naleving van mensenrechten en democratische inbedding van de collega-dienst. In artikel 88 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 worden deze criteria genoemd. Op basis van die criteria wordt met regelmaat beoordeeld of een samenwerking mogelijk is en/of blijft en of in die samenwerking persoonsgegevens kunnen worden uitgewisseld. Indien dit niet is vastgesteld, is het – mede in het kader van de veiligheid van de vertrouwensfunctionaris – niet wenselijk en verantwoord dergelijke gegevens te verstrekken en mede te delen welke persoon op een vertrouwensfunctie in Nederland wordt geplaatst. Op grond van artikel 23 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 kunnen de AIVD en de MIVD geen overzicht verstrekken van de collega-diensten waarmee in het kader van veiligheidsonderzoeken (persoons)gegevens worden uitgewisseld. Tegen de achter grond van de eisen die worden gesteld aan de samenwerking met een andere inlichtingen- en veiligheidsdienst wordt een betrokkene, mede gelet op zijn eigen veiligheid, sterk afgeraden om met buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten contact te zoeken voor informatie. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2902. Zoals opgenomen in artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel veiligheidsonderzoek 2021 (de Beleidsregel). Zoals opgenomen in artikel 7, tweede lid, onder d van de Wvo en artikel 5 van de Beleidsregel.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/184617 · 2026-07-30
