# Rechtbank Den Haag, 24-06-2026 (C/09/696207)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:19054
- Date: 2026-06-24
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A19054
- Canonical: https://overview.legal/posts/184622

## Summary

Persbericht OM was onrechtmatig. Verdachte kon op basis van persbericht worden geïdentificeerd. Verwijzing naar schadestaatprocedure. Voorschot op immateriële schadevergoeding.

## Full text

RECHTBANK Den Haag Team handel Zaaknummer: C/09/696207 / HA ZA 25-1123 Vonnis van 24 juni 2026 in de zaak van [eiser] te [woonplaats] , eiser, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. M.Ch. Kaaks, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (het Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. L. Sieverink. 1 Waar gaat deze zaak over? In deze zaak staat de vraag centraal of de Staat door de publicatie van een persbericht van de politie en het Openbaar Ministerie onrechtmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] omdat hij op basis van dit persbericht kon worden geïdentificeerd. Verder is aan de orde of het persbericht in strijd was met de Algemene verordening gegevensbescherming. 2 De procedure 2.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 1 december 2025, met producties 1 tot en met 15; de conclusie van antwoord, met 1 productie; de akte houdende aanvulling van eis, met productie 16; de akte houdende overlegging aanvullende producties 17 tot en met 22 van de zijde van [eiser] . 2.2. Op 19 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en zij hebben vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt. 3 De feiten 3.1. [eiser] is eigenaar van [horecagelegenheid] , een nachtclub in [plaats] . 3.2. Twee minderjarige bezoeksters van [horecagelegenheid] hebben aangifte gedaan tegen [eiser] . Zijn beschuldigen hem van aanranding en verkrachting in [horecagelegenheid] in de nacht van 24 op 25 november 2022. 3.3. Naar aanleiding van deze aangiftes heeft een opsporingsonderzoek plaatsgevonden. In dat kader is [eiser] op 13 januari 2023 en 3 maart 2023 als verdachte gehoord. 3.4. Op 31 maart 2023 heeft de politie [regio 1] op politie.nl een persbericht geplaatst over de verdenking en het lopende onderzoek (hierna: het persbericht). Het persbericht is door de politie ook via Twitter (thans geheten: X) verspreid. Het persbericht is in afstemming met het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) opgesteld. De volledige tekst van het persbericht luidde als volgt: Eigenaar nachtclub [plaats] verdacht van seksueel misbruik De politie doet onderzoek naar een eigenaar van een nachtclub in [plaats] . De man wordt verdacht van aanranding en verkrachting van twee minderjarige meisjes in de bewuste uitgaansgelegenheid. Over deze man waren eerder al vergelijkbare meldingen binnengekomen bij de politie. De man is aangehouden en is inmiddels als verdachte verhoord. De politie onderzoekt de zaak verder. Melding doen van seksueel misbruik Ben je slachtoffer van seksueel misbruik en wil je aangifte of een melding doen? Of wil je weten wat de politie doet om slachtoffers van seksueel misbruik te helpen? Bekijk informatie over seksueel misbruik . Ook kun je terecht bij het Centrum Seksueel Geweld. 3.5. Naar aanleiding van het persbericht zijn er in verschillende media artikelen verschenen over het strafrechtelijk onderzoek tegen [eiser] . In het [krant] werd op 31 maart 2023 een artikel geplaatst met – onder meer – de volgende tekst: Volgens diverse bronnen is de verdachte de eigenaar van [horecagelegenheid] . Dit is in feite de enige nachtclub in [plaats] . De club werd eerder gerund door dezelfde eigenaar onder de namen [bedrijfsnamen] . De politie bevestigt niets. De eigenaar van [horecagelegenheid] is niet bereikbaar via app of telefoon voor een reactie. Op 1 april 2023 werd in diezelfde krant een artikel geplaatst met de volgende inhoud: De nachtclubeigenaar die wordt verdacht van aanranding en verkrachting van twee minderjarige meisjes in zijn [plaats] zaak, is inderdaad de eigenaar van [horecagelegenheid] , [eiser] . [eiser] bevestigt dat zelf in een reactie. “Op dit moment kan ik alleen maar aangeven dat ik een eventuele rechtszaak met vertrouwen tegemoet zie”, is alles wat hij erover kwijt wil. In de week na de publicatie van het persbericht zijn in het [krant] in totaal zes artikelen verschenen waarin [eiser] werd gekoppeld aan de verdenking van aanranding en verkrachting van minderjarige meisjes. Ook nadien heeft het [krant] meerdere artikelen over [eiser] gepubliceerd waarin hij werd geassocieerd met het misdrijf verkrachting, ook nadat de verdenking van verkrachting al was geseponeerd. 3.6. [eiser] heeft de politie en het OM bij brief van 4 april 2023 aansprakelijk gesteld voor de materiële en immateriële schade die het persbericht heeft veroorzaakt doordat zijn identiteit hierdoor bekend is geworden bij de media. Na deze brief heeft nog verdere (telefonische en schriftelijke) communicatie tussen partijen plaatsgevonden. 3.7. In oktober 2023 heeft het OM de beslissing genomen om [eiser] alleen te vervolgen wegens het verleiden van een minderjarige tot het verrichten van seksuele handelingen. De beschuldiging van de andere minderjarige is geseponeerd wegens gebrek aan voldoende bewijs. Deze vervolgingsbeslissing is telefonisch meegedeeld aan [eiser] en is daarna ook (in reactie op vragen) gedeeld met de pers. Verschillende media hebben hier op 10 oktober 2023 berichten over geplaatst. 3.8. Bij brief van 14 november 2023 heeft het OM – voor zover hier van belang – het volgende aan [eiser] bericht: Ik stel voorop dat het persbericht van 31 maart 2023 in lijn is met het beleid van het OM inzake voorlichting over ontwikkelingen in strafrechtelijke onderzoeken. In de totstandkoming van de tekst van het persbericht heeft een zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden tussen enerzijds het algemeen belang van voorlichting en anderzijds het privacybelang van uw cliënt, op grond van rechtmatigheid, doelmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit. Ik zal dat hieronder verder toelichten. Het persbericht is in het kader van waarheidsvinding uitgebracht. Gelet op het onderzoeksbelang en eerdere soortgelijke meldingen bij de politie was het primaire doel van het bericht om de meldingsbereidheid bij eventuele andere slachtoffers te vergroten. De verdenking tegen uw cliënt betreft daarbij een ernstig feit, namelijk een zedenverdenking op basis van concrete aangiften. Het persbericht is op een dusdanige wijze opgesteld zodat de identiteit van uw cliënt niet rechtstreeks herleidbaar is. Daarbij merk ik op dat de leeftijd en woonplaats van uw cliënt niet zijn vermeld. Volstaan is met de vermelding dat het ging om een eigenaar van een nachtclub in [plaats] . Conform de Aanwijzing kan informatie gedeeld worden over het beroep van een persoon wanneer de delicten verband houden met dat beroep. Dat is hier het geval: uw cliënt wordt ervan verdacht strafbare feiten te hebben gepleegd in de club waarvan hij eigenaar is. Door te vermelden dat het om een nachtclubeigenaar ging, is gepoogd de situatie herkenbaar genoeg te maken voor eventuele andere slachtoffers. Daarbij is verder rekening gehouden met de omstandigheid dat er meerdere nachtclubs in [plaats] zijn, zodat de tekst van het bericht niet rechtstreeks herleidbaar is. Overige (niet rechtstreeks herleidbare) gegevens zijn verder niet genoemd. Volledigheidshalve merk ik op dat in het persbericht ook de onschuldpresumptie in acht is genomen. Zo wordt daarin gesproken van een verdenking en een verdachte en dat de politie de zaak verder onderzoekt. Het feit dat journalisten artikelen hebben geschreven met daarin meer informatie dan middels het persbericht is gepubliceerd, kan het OM niet worden aangerekend. Zoals hiervoor uiteengezet, is het persbericht in lijn met het geldende beleid. Gelet op het voorgaande ben ik van oordeel dat het persbericht niet onrechtmatig kan worden geacht. 3.9. [eiser] heeft deze rechtbank op 27 november 2023 verzocht om een voorlopig getuigengehoor te bevelen met betrekking tot de totstandkoming van het persbericht. Bij beschikking van 21 mei 2024 is dit verzoek toegewezen. De getuigenverhoren hebben plaatsgevonden op 11 september 2024, 7 februari 2025 en 16 juni 2025. In dat verband zijn verschillende functionarissen van het OM en de politie als getuigen gehoord, waaronder de zaaksofficier van justitie en de persvoorlichter van het arrondissementsparket Noord-Holland. 3.10. [eiser] is op 8 mei 2024 een civiele procedure gestart tegen de uitgever van het [krant] . Hij vorderde onder meer een verklaring voor recht dat de uitgever onrechtmatig jegens hem zou hebben gehandeld door hem publiekelijk te identificeren als de verdachte die geanonimiseerd was vermeld in het persbericht. De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 11 december 2024 alle vorderingen van [eiser] afgewezen. [eiser] is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan. 3.11. In augustus 2025 heeft het OM besloten om [eiser] niet (verder) te vervolgen wegens verleiding van een minderjarige tot het verrichten van seksuele handelingen. Aan die beslissing ligt ten grondslag dat niet kan worden vastgesteld dat de minderjarige door een dwangmiddel – bijvoorbeeld door misbruik van uit feitelijk verhoudingen voortvloeiend overwicht – is bewogen tot het plegen van seksuele handelingen. Hierover is [eiser] bij brief van 26 augustus 2025 geïnformeerd. Op diezelfde datum heeft het OM hierover ook een persbericht naar buiten gebracht. Daarin wordt ook melding gemaakt van de eerdere sepotbeslissing in 2023. 4 Het geschil 4.1. [eiser] vordert bij vonnis – samengevat en na wijziging van eis – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te verklaren voor recht dat de handelwijze van het OM en/of de politie, althans van de Staat, zoals omschreven in het lichaam van de dagvaarding, meer in het bijzonder door het opstellen en/of (doen) publiceren van het persbericht en/of het publiekelijk verdacht maken van [eiser] in het persbericht, jegens [eiser] onrechtmatig is; II. te verklaren voor recht dat de verwerking van de persoonsgegevens van [eiser] in het persbericht in strijd is met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en daardoor onrechtmatig jegens [eiser] ; III. de Staat te veroordelen tot vergoeding van materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; IV. de Staat te gebieden om de online publicatie van het persbericht binnen zeven dagen na dit vonnis te verwijderen en offline te plaatsen en te houden, waaronder op de websites politie.nl en X.com; V. ingetrokken op de mondelinge behandeling; VI. de Staat te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 5.000 voor elke dag dat niet wordt voldaan aan het gevorderde onder IV; VII. de Staat te veroordelen tot betaling van een voorschot op de immateriële schadevergoeding van € 25.000; VIII. de Staat te veroordelen tot vergoeding van de kosten van de voorlopige getuigenverhoren; IX. de Staat te veroordelen in de proceskosten en de nakosten. 4.2. De Staat voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de (na)kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. 5 De beoordeling 5.1. In deze zaak staat de vraag centraal of de Staat door de publicatie van het persbericht van 31 maart 2023 van de politie en het Openbaar Ministerie onrechtmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] . Voor zover [eiser] de Staat aansprakelijk heeft gesteld voor het handelen van de politie, geldt dat dit gedeelte van de vordering moet worden afgewezen, omdat de politie een van de Staat te onderscheiden rechtspersoon is. Over het handelen van het OM overweegt de rechtbank als volgt. 5.2. Het beleid van het OM met betrekking tot persvoorlichting over opsporing en vervolging is vastgelegd in de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging. Uitgangspunt van de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging is dat er in verband met de maatschappelijke opdracht van het OM een belang is bij een zichtbaar OM. Voorlichting hoort daar bij, zodat het publiek te weten komt dat strafbare feiten worden vervolgd, en ook dat dit transparant en daarmee controleerbaar gebeurt. Daarbij moet een balans gevonden worden tussen openheid en transparantie enerzijds en de belangen van een eerlijke procesgang en de privacy van betrokkenen anderzijds. Met betrekking tot zedenzaken kunnen nadere gezichtspunten worden ontleend aan de Aanwijzing zeden. Uit de Aanwijzing zeden volgt dat het OM in beginsel terughoudend is met het doen van mededelingen over seksuele misdrijven aan de media. Aanleiding om wel in de media over een strafzaak te berichten kan zijn het beperken van maatschappelijke onrust of het rechtzetten van een evident onjuiste beeldvorming. De Aanwijzing zeden bepaalt verder dat, juist in zedenzaken, zoveel mogelijk wordt voorkomen dat tot de persoon herleidbare informatie wordt gedeeld. 5.3. Uit de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging volgt dat voorlichting moet worden onderscheiden van opsporingsberichtgeving. Voorlichting en opsporingsberichtgeving kunnen in combinatie met elkaar worden ingezet, maar hebben elk hun eigen grondslag en doel. Wanneer in een (voorlichtings)bericht de hulp van het publiek wordt gevraagd bij het verkrijgen van informatie ten behoeve van de opsporing, dan is het beleid van toepassing zoals neergelegd in de Aanwijzing opsporingsberichtgeving. 5.4. Opsporingsberichtgeving is een opsporingsmiddel. Een opsporingsbericht geeft informatie over (mogelijke) strafbare feiten en personen die daar wetenschap van kunnen hebben met het doel om informatie te verkrijgen die relevant is voor de waarheidsvinding, de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen of het voorkomen van strafbare feiten. Wanneer in het opsporingsbericht tot een persoon herleidbare gegevens worden gebruikt, maakt de publicatie daarvan een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van die persoon (artikel 8 EVRM, artikel 10 Grondwet). Een dergelijke inbreuk is ten behoeve van strafvorderlijke belangen toegestaan onder de voorwaarde dat daaraan een zorgvuldige belangenafweging door bevoegde justitiële autoriteiten vooraf is gegaan. De vereisten van rechtmatigheid, proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid zijn hierbij leidend. Ook in dit geval biedt de Aanwijzing zeden nadere gezichtspunten. 5.5. Om de rechtmatigheid van het persbericht te beoordelen, dient de rechtbank dus eerst vast te stellen met welk doel het persbericht is uitgebracht. Het persbericht was gericht op waarheidsvinding 5.6. Volgens [eiser] diende het persbericht geen voorlichtingsbelang. Er was geen sprake van maatschappelijke onrust die diende te worden weggenomen. Uit de verklaringen die door de betrokken medewerkers van de politie en het OM zijn afgelegd, kan worden afgeleid dat het doel van het persbericht vooral was gelegen in het vinden van getuigen en andere slachtoffers. Volgens de Staat is het persbericht een voorlichtingsbericht, en geen opsporingsbericht. Met het persbericht was wel degelijk een voorlichtingsbelang gediend. De verdenking tegen [eiser] was gebaseerd op meerdere aangiften en betrof zeer ernstige zedenfeiten, te weten aanranding en verkrachting van minderjarige bezoeksters van de nachtclub van [eiser] . Gelet op de aard en ernst van de verdenking alsmede gelet op de maatschappelijke relevantie daarvan was er volgens de Staat alle aanleiding om het publiek actief te informeren over de gerezen verdenkingen en over de ontwikkeling in het opsporingsonderzoek tot dat moment. 5.7. De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens het voorlopig getuigenverhoor zijn meerdere betrokken medewerkers van de politie en het OM gevraagd naar de aanleiding voor het persbericht. [naam 1] , de rechercheur die bij de politie inhoudelijk verantwoordelijk was voor het onderzoek, heeft verklaard dat de politie wilde weten of er nog meer mogelijke slachtoffers waren, en dat de politie op zoek was naar getuigen van de gebeurtenissen in de nacht van 24 op 25 november 2022. De rechtbank begrijpt deze verklaring aldus dat gelet op eerdere meldingen die over [eiser] bij de politie waren binnengekomen, de politie voornamelijk wilde onderzoeken of er nog meer slachtoffers van soortgelijke incidenten waren. [naam 2] , de communicatieadviseur van de politie, heeft in gelijke zin verklaard. [naam 3] , de persvoorlichter van het OM, heeft verklaard dat het doel van het persbericht was de meldingsbereidheid vergroten van potentiële slachtoffers en publieksvoorlichting. [naam 4] , de zaaksofficier, heeft verklaard geen herinnering meer te hebben aan de overwegingen die aan het persbericht ten grondslag lagen. 5.8. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] hebben dus allen verklaard dat het doel van het persbericht, kort gezegd, het verhogen van de meldingsbereidheid van andere slachtoffers was. Het is op zich juist dat [naam 3] heeft verklaard dat met het persbericht ook de voorlichting van het publiek werd beoogd, maar de rechtbank gaat daar verder aan voorbij, omdat het op de weg van de Staat had gelegen om in deze procedure nader te concretiseren waar het voorlichtingsbelang dan uit bestond. De algemene stelling dat er gelet op de aard en ernst van de verdenking alle aanleiding was om het publiek te informeren is daarvoor onvoldoende. Voor iedere zedenzaak geldt immers dat dit een ernstig strafbaar feit oplevert, en het OM dient op grond van de Aanwijzing zeden nu juist bij seksuele misdrijven terughoudend te zijn met mededelingen aan de media. Als uitzonderingen op die terughoudendheid worden in de Aanwijzing zeden genoemd het beperken van maatschappelijke onrust of het rechtzetten van een evident onjuiste beeldvorming. De Staat heeft tijdens de mondelinge behandeling van 19 mei 2026 in dit verband bevestigd dat voorafgaand aan het persbericht nog niet publiekelijk bekend was dat twee minderjarigen aangifte van aanranding en verkrachting in [horecagelegenheid] hadden gedaan, en dat er op dat moment evenmin maatschappelijke onrust bestond rondom de persoon van [eiser] . Het valt in dit licht zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te begrijpen welk voorlichtingsbelang dan met het persbericht werd gediend. 5.9. De verklaringen van [naam 1] en [naam 2] sluiten verder aan bij de inhoud van de brief die het OM op 14 november 2023 aan (de advocaat van) [eiser] heeft gestuurd: “ Het persbericht is in het kader van waarheidsvinding uitgebracht. Gelet op het onderzoeksbelang en eerdere soortgelijke meldingen bij de politie was het primaire doel van het bericht om de meldingsbereidheid bij eventuele andere slachtoffers te vergroten .” De rechtbank kan de inhoud van de brief niet anders begrijpen dan dat ook het OM ervan uitging dat het persbericht is uitgebracht in het kader van waarheidsvinding en dat het primaire doel was het vergroten van de meldingsbereid bij andere slachtoffers van [eiser] . De Staat heeft er tijdens de mondelinge behandeling nog op gewezen dat in de brief wordt ingegaan op de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging, en dat hieruit volgt dat het OM ervan uitging dat het persbericht een voorlichtingsbericht was, maar dit doet geen afbreuk aan hetgeen het OM in de brief over het doel van het persbericht heeft opgenomen. Nu het persbericht is uitgebracht in het kader van waarheidsvinding, dient de rechtmatigheid van de publicatie te worden beoordeeld aan de hand van de Aanwijzing opsporingsberichtgeving. De Staat heeft verder nog betoogd dat voor veel voorlichtingsberichten geldt dat deze kunnen bijdragen aan een lopend opsporingsonderzoek, maar dat deze berichten daarmee nog geen opsporingsberichtgeving zijn, maar de Staat gaat er hiermee aan voorbij dat het primaire doel van het bericht in dit geval waarheidsvinding was. Indien een persbericht primair wordt ingezet in het kader van waarheidsvinding, kan het OM voor een dergelijk persbericht geen grondslag ontlenen aan de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging. Aanwijzing opsporingsberichtgeving 5.10. Volgens [eiser] is het persbericht in strijd met de Aanwijzing opsporing en vervolging. Deze Aanwijzing bepaalt dat de identiteit van een verdachte, na toestemming van de hoofdofficier van justitie, kan worden vrijgegeven op voorwaarde dat (i) sprake is van ernstige bezwaren of een veroordeling ter zake van een misdrijf met een strafbedreiging van acht jaar of en meer en (ii) dit dringend noodzakelijk is voor de opsporing. [eiser] heeft erop gewezen dat zowel [naam 4] als [naam 3] hebben verklaard dat geen overleg met de hoofdofficier van justitie heeft plaatsgevonden. Uit het feit dat hij in januari 2023 na zijn verhoor direct is heengezonden, leidt [eiser] af dat er bovendien geen sprake was van ernstige bezwaren tegen hem. Er bestond volgens [eiser] evenmin een dringende noodzaak voor het persbericht, nu er minder ingrijpende middelen voorhanden waren, zoals het horen van de bezoekers die op het desbetreffende besloten feest in [horecagelegenheid] aanwezig waren geweest. Volgens de Staat is er echter geen sprake geweest van het ‘vrijgeven van de identiteit van de verdachte’ en zijn de voorwaarden waar [eiser] naar verwijst daarom niet van toepassing. Aan het uitbrengen van het persbericht is een zorgvuldige beoordeling en afweging van alle belangen voorafgaan, aldus de Staat. 5.11. Tussen partijen is niet in geschil dat de politie, op verzoek van het OM, een concept voor het persbericht heeft opgesteld. Het OM heeft vervolgens, in samenspraak met de politie, de tekst van het persbericht op enkele punten gewijzigd. [naam 3] heeft als volgt over deze wijzigingen verklaard: “ Hier ging het om het concretiseren van de verdenking. De titel is seksueel misbruik en die titel is niet aangepast. In de tekst is uiteindelijk aanranding en verkrachting genoemd. Aanranding en verkrachting hebben we geconcretiseerd. Er stond eerst seksueel misbruik. We hebben het ook gehad over de kop. Hier wordt ook genoemd eigenaar nachtclub [plaats] . Het is niet gebruikelijk om het beroep van verdachte naar buiten te brengen. Dat gebeurt wel als de verdenking samenhangt met het beroep van verdachte. Het doel was om herkenning bij potentiële slachtoffers te vergroten. Er stond eerst in mijn herinnering uitgaansgelegenheid. Dat vonden we te ruim en daar is toen nachtclub van gemaakt nadat ik openbare bronnen geraadpleegd had om te zien dat meer dan 1 nachtclub in [plaats] was. Ik heb dat gegoogeld. We hebben ook de leeftijd en woonplaats weggelaten uit de oorspronkelijke tekst om eventuele herleidbaarheid te verminderen. Primair zijn leeftijd en woonplaats weggelaten om mogelijke herleidbaarheid te verminderen, maar de leeftijd is ook weggelaten om potentiële slachtoffers niet op het verkeerde been te zetten omdat die iemand óp basis van leeftijd ouder of jonger kunnen inschatten. ” De rechtbank leidt uit deze verklaring van [naam 3] af dat het persbericht is aangepast om voor potentiële slachtoffers duidelijk te maken dat de twee aangiften van aanranding en verkrachting zijn gedaan tegen [eiser] , met als doel om de bereidheid van deze potentiële slachtoffers te verhogen om melding te doen. Hetzelfde volgt uit de brief van het OM van 14 november 2023, waarin staat dat “ [d]oor te vermelden dat het om een nachtclubeigenaar ging, is gepoogd de situatie herkenbaar genoeg te maken voor eventuele andere slachtoffers ”. Hiermee staat ook vast dat het OM heeft beoogd dat in ieder geval voor deze groep derden het persbericht herleidbaar was tot de persoon van [eiser] . In die zin is er dus sprake geweest van het vrijgeven van de identiteit van de verdachte. Dit betekent dat de toestemming van de hoofdofficier van justitie was vereist voor het uitbrengen van het persbericht. Nu tussen partijen niet in geschil is dat deze toestemming niet is verleend, heeft het OM met het uitbrengen van het persbericht in strijd gehandeld met de Aanwijzing opsporing en vervolging. De rechtvaardiging voor de inzet van dit opsporingsmiddel heeft daarmee van meet af aan ontbroken. In zoverre heeft het OM onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld in de zin van 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). 5.12. [eiser] heeft ook nog gesteld dat het OM onrechtmatig heeft gehandeld omdat de passage in het persbericht dat over [eiser] al eerder vergelijkbare meldingen bij de politie waren binnengekomen onjuist en misleidend is, maar de rechtbank behoeft deze stelling niet nader te beoordelen. Nu vaststaat dat het OM met het uitbrengen van het persbericht onrechtmatig heeft gehandeld, heeft [eiser] geen belang bij de vraag of een afzonderlijke zin in het persbericht zelfstandig als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor de vraag of het OM met het uitbrengen van het persbericht heeft gehandeld in strijd met de AVG, nu niet is gesteld of gebleken dat [eiser] daar andere schade door heeft geleden. Causaal verband 5.13. Voor het bestaan van de verplichting tot schadevergoeding op grond van artikel 6:162 lid 1 BW is vereist dat sprake is van schade en causaal verband tussen de gestelde schade en het onrechtmatig handelen van de Staat. 5.14. [eiser] betoogt dat causaal verband aanwezig is en voert hiertoe het volgende aan. Het persbericht is eenvoudig tot [eiser] herleidbaar, omdat er in de praktijk slechts één horecagelegenheid is in [plaats] die zich als nachtclub presenteert. [eiser] is dezelfde dag nog in de reacties onder een Facebook-bericht van het [krant] door meerdere personen geïdentificeerd als verdachte, en het [krant] heeft de naam van [eiser] de volgende dag overgenomen in een artikel. Dit heeft geleid tot een stroom van publicaties, met grote materiële en immateriële schade tot gevolg. De publieke afkeer die is gewekt door het persbericht waarin [eiser] als verdachte van aanranding en verkrachting van minderjarige meisjes wordt gebrandmerkt houdt nu al jarenlang aan. Dit heeft [eiser] ernstig geschokt en hard in zijn persoon aangetast. Daarnaast heeft de berichtgeving volgens [eiser] geleid tot de gedwongen sluiting van zijn horecaondernemingen, met substantieel omzetverlies en inkomstenderving tot gevolg. 5.15. De Staat betwist daarentegen het causaal verband tussen het uitbrengen van het persbericht en de door [eiser] gestelde schade. De identificatie van [eiser] , en de daaruit voortvloeiende schade, was volgens de Staat niet een voorzienbaar gevolg van het persbericht. De informatie die in het persbericht over [eiser] is vermeld is beperkt gebleven tot zijn geslacht en zijn professionele hoedanigheid van eigenaar van een nachtclub in [plaats] . Voor het OM was niet te voorzien dat bepaalde personen, door de wijze waarop [eiser] al bij hen bekend stond, [eiser] zouden noemen in de reacties onder het Facebook-bericht. Het OM had evenmin kunnen voorzien dat [eiser] zijn identiteit aan het [krant] zou bevestigen. 5.16. Uit artikel 6:98 BW volgt dat voor het aannemen van het causaal verband vereist is dat de door [eiser] gestelde schade in redelijkheid aan het onrechtmatig handelen van de Staat kan worden toegekend. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen de feitelijke situatie (de vaststelling van hetgeen daadwerkelijk is voorgevallen) en de hypothetische situatie zonder de onrechtmatige gedraging (de vaststelling van hetgeen daadwerkelijk zou zijn gebeurd zonder de normschending). Indien [eiser] ook in die hypothetische situatie dezelfde schade zou hebben geleden, ontbreekt het causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van het OM en de door [eiser] opgevoerde schade. De rechtbank zal dit eerst vaststellen met betrekking tot de door [eiser] gestelde immateriële schade die, zo begrijpt de rechtbank, bestaat uit de aantasting in zijn eer en goede naam en aantasting op andere wijze in zijn persoon (artikel 6:106 sub b BW). 5.17. Gesteld noch gebleken is dat, als de procedure zoals voorgeschreven in de Aanwijzing opsporing en vervolging op een juiste wijze zou zijn gevolgd, een soortgelijk persbericht naar buiten zou zijn gebracht. De rechtbank zal daarom tot uitgangspunt nemen dat het OM in het hypothetische scenario in het geheel geen informatie aan de media zou hebben verstrekt. Dit betekent dat [eiser] dan ook niet door derden zou zijn geïdentificeerd als verdachte van aanranding en verkrachting van twee minderjarigen, en het [krant] zijn naam niet zou hebben vermeld in een publicatie. 5.18. De rechtbank verwerpt om de navolgende redenen de stelling van de Staat dat de identificatie van [eiser] , en de daaropvolgende aantasting van zijn persoon en eer en goede naam, geen voorzienbaar gevolg van het persbericht was. Het antwoord op de vraag welke gevolgen van het persbericht voor het OM redelijkerwijs voorzienbaar waren wordt in dit geval mede ingekleurd door de Aanwijzing zeden. In deze Aanwijzing zeden wordt onderkend dat sommige seksuele misdrijven tot grote maatschappelijke onrust leiden. Het OM is mede om deze reden terughoudend met het doen van mededelingen over seksuele misdrijven. Indien er wel een mededeling aan de media wordt gedaan, wordt rekening gehouden met de belangen van zowel het slachtoffer als de verdachte, waarbij zoveel mogelijk wordt voorkomen dat tot de persoon herleidbare informatie wordt gedeeld. In dit geval wordt in het persbericht vermeld dat door twee minderjarige meisjes aangifte is gedaan van aanranding en verkrachting, en wordt bovendien opgemerkt dat over deze man eerder soortgelijke meldingen bij de politie zijn binnengekomen. Het beeld dat bij het publiek kan ontstaan is dat een nachtclubeigenaar wordt verdacht van de verkrachting van meerdere minderjarige meisjes. Het ligt in de redelijke lijn der verwachtingen dat een dergelijk bericht tot veel maatschappelijke onrust zal leiden. Het OM diende zich in deze omstandigheden er redelijkerwijs op bedacht te zijn dat de maatschappelijke onrust zich zou richten op de persoon van de verdachte, en dat derden mogelijk zouden proberen om zijn identiteit te achterhalen. 5.19. Tussen partijen is niet in geschil dat er in [plaats] maar een beperkt aantal nachtclubs zijn. Dit betekent dat een derde de verdachte maar in een kleine kring behoefde te zoeken. In het midden kan blijven of [horecagelegenheid] destijds in de ogen van het publiek de enige nachtclub van [plaats] was (zoals wordt gesteld door [eiser] ) of dat er nog vier andere nachtclubs in [plaats] waren (zoals wordt gesteld door de Staat). Ook al zouden er in [plaats] destijds vijf nachtclubs zijn geweest, dan had het OM er gelet op de uiterst nauw omschreven groep van mogelijke verdachten op bedacht moeten zijn dat de naam van [eiser] als mogelijke verdachte zou worden genoemd, en dat dit door een nieuwsmedium zou worden opgepikt. [eiser] kon, anders dan de andere eigenaren van nachtclubs in [plaats] (voor zover die bestonden), zijn betrokkenheid bij het incident niet ontkennen. Dat [eiser] ervoor heeft gekozen om een dag na het verschijnen van het persbericht, en de publieke reacties op het Facebook-bericht van het [krant] , aan een journalist van het [krant] te bevestigen dat hij de verdachte was, maakt het voorgaande niet anders. Het [krant] had in een eerder artikel al bericht dat volgens diverse bronnen de verdachte de eigenaar is van [horecagelegenheid] , dat dit in feite de enige nachtclub in [plaats] was, en dat de eigenaar van deze nachtclub niet bereikbaar was voor commentaar. In feite was [eiser] hiermee in de media al als verdachte geïdentificeerd. Onder deze omstandigheden ligt het niet voor de hand dat, ook als [eiser] zich jegens het [krant] van verder commentaar zou hebben onthouden, de nadere berichtgeving rondom zijn persoon zou zijn voorkomen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat, ook in het geval [eiser] niet zou hebben bevestigd dat hij de verdachte was, dezelfde immateriële schade zou zijn ingetreden. 5.20. De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat er in ieder geval een causaal verband bestaat tussen het persbericht en de door [eiser] geleden immateriële schade. Nu voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] als gevolg van het onrechtmatig handelen van het OM schade heeft geleden, zal de zaak, zoals gevorderd, worden verwezen naar de schadestaatprocedure om de omvang van de schade vast te stellen. Voorschot op de schadevergoeding 5.21. [eiser] vordert bij wege van voorschot op de immateriële schadevergoeding betaling van een bedrag van € 25.000. Volgens de Staat heeft [eiser] de door hem gestelde immateriële schade onvoldoende geconcretiseerd en niet onderbouwd. Het gevorderde voorschot is bovendien veel te hoog. De Staat heeft erop gewezen dat voor reputatieschade in de rechtspraak niet vaak een bedrag van meer dan € 1.000 wordt toegekend. 5.22. [eiser] heeft toegelicht dat het persbericht tot een groot aantal mediapublicaties heeft geleid. Alleen al het [krant] heeft in de periode van 31 maart 2023 en juni 2025 meer dan twintig artikelen over hem gepubliceerd. De aard en ernst van de verdenkingen die in het persbericht zijn vermeld, hebben er - in de woorden van [eiser] - toe geleid dat hij is “ gecanceld .” De media-aandacht rondom zijn persoon en de publieke afkeer die tegen hem is ontstaan, houden inmiddels al jarenlang aan, ook nu alle verdenkingen jegens hem inmiddels zijn geseponeerd. [eiser] heeft in dit verband gewezen op een artikel in het [krant] van 12 augustus 2024 waaruit volgt dat in [plaats] een poster was opgedoken met een oproep tot het boycotten van [evenement] , een door [eiser] georganiseerd muziekfestival. [eiser] heeft verder gewezen op een artikel in het [krant] van 8 mei 2025 over een demonstratie tegen subsidieverlening voor [evenement] . Twee van de demonstranten droegen een spandoek bij zich met de tekst “ GEEN FEEST VOOR vermeende VERKRACHTERS ”. Tot slot heeft [eiser] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de gevel van zijn huis een aantal weken voor de mondelinge behandeling is beklad met het woord “ pedo ”. 5.23. De rechtbank stelt voorop dat door het persbericht en de golf van media-aandacht die direct daarop volgde, bekend is geworden dat [eiser] strafrechtelijk werd vervolgd voor zedenfeiten met minderjarigen als slachtoffer. Door het OM is niet weersproken dat een dergelijke verdenking, naar haar aard, grote gevoelens van afkeer in de samenleving oproept. Dit wordt ook onderstreept door het feit dat, al zijn de verdenkingen al jaren geleden geseponeerd, [eiser] nog steeds wordt geconfronteerd met negatieve aandacht. De rechtbank acht verder van belang dat [eiser] , als horecaondernemer en eigenaar van de grootste nachtclub van de stad, in de regio [regio 2] bovengemiddelde publieke bekendheid genoot. Het voorgaande brengt met zich dat [eiser] is aangetast in zijn eer en goede naam en in zijn persoonlijke levenssfeer. Gelet op de aard en ernst van de gebeurtenissen die als gevolg van het persbericht hebben plaatsgevonden en de impact hiervan op [eiser] , acht de rechtbank een voorschot op de immateriële schadevergoeding van € 15.000 passend. Causaal verband tussen het persbericht en de overige schadeposten 5.24. [eiser] stelt dat het persbericht ook de gedwongen sluiting van zijn horecagelegenheden tot gevolg heeft gehad. De rechtbank overweegt dat het causaal verband met betrekking tot deze schadepost veel minder voor de hand ligt. De Staat heeft er in dit verband op gewezen dat de burgemeester zich bij het besluit tot intrekking van de vergunningen niet heeft gebaseerd op het persbericht, of de publiciteit nadien, maar op meerdere bestuurlijke rapportages die zijn opgesteld door opsporingsambtenaren. Partijen dienen hun stellingen op dit punt verder uit te werken. De vraag in hoeverre het persbericht heeft bijgedragen aan de gedwongen sluiting van de horecagelegenheden dient daarom aan de orde te komen in de schadestaatprocedure. Verwijderen van het persbericht 5.25. [eiser] heeft verder gevorderd dat de Staat op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld om het persbericht binnen zeven dagen na datum van dit vonnis te verwijderen en offline te plaatsen. De rechtbank zal, nu het uitbrengen van het persbericht jegens [eiser] onrechtmatig was, de Staat veroordelen om het persbericht van de onder het OM beheer staande internetpagina’s en sociale media accounts te verwijderen, en verwijderd te houden. De Staat heeft in de processtukken aangegeven vrijwillig aan een mogelijke veroordeling door de rechtbank te voldoen. Voor het opleggen van een dwangsom bestaat daarom geen aanleiding. Voor zover [eiser] met zijn vorderingen heeft beoogd dat het persbericht ook van de website van de politie wordt verwijderd, geldt dat de Staat daartoe niet kan worden veroordeeld, omdat de Staat en de politie niet met elkaar te vereenzelvigen zijn. Kosten voorlopig getuigenverhoor 5.26. Bij de uitkomst van deze zaak past dat de kosten van het voorlopig getuigenverhoor voor rekening van de Staat komen. Het gaat om vergoeding van de advocaatkosten in verband met het opstellen van het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor en het bijwonen van de verhoren (aan eigen zijde). De rechtbank zal hiervoor in totaal 3 punten overeenkomstig het destijds toepasselijke liquidatietarief (tarief II tot en met 1/2/2026) toekennen. De taxen met betrekking tot de gehoorde getuigen bedragen blijkens de processen-verbaal nihil en komen dus verder niet aan de orde. Gelet op het voorgaande, berekent de rechtbank de kosten van het voorlopig getuigenverhoor op € 1.842 (3 x € 614) in totaal. De Staat zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan [eiser] . Proceskosten 5.27. De Staat is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 144,47 - griffierecht € 1.374 - salaris advocaat € 1.672 (2 punten × € 836, tarief III) - nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.379,47 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. verklaart voor recht dat de Staat (het OM) door het uitbrengen van het persbericht van 31 maart 2023 onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld; 6.2. veroordeelt de Staat tot vergoeding van de materiele en immateriële schade van [eiser] nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; 6.3. veroordeelt de Staat om bij wijze van voorschot op de immateriële schadevergoeding een bedrag aan [eiser] te betalen van € 15.000; 6.4. veroordeelt de Staat om binnen zeven dagen na de datum van dit vonnis het persbericht van 31 december 2023 van alle onder het beheer van het OM staande websites en/of sociale media accounts te verwijderen, en deze verwijderd te houden; 6.5. veroordeelt de Staat in de kosten van het voorlopig getuigenverhoor van € 1.842; 6.6. veroordeelt de Staat in de proceskosten van € 3.379,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als de Staat niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend; 6.7. verklaart dit vonnis, voor wat betreft de hierin opgenomen veroordelingen onder 6.2 tot en met 6.6, uitvoerbaar bij voorraad; 6.8. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026. 1366 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) Tijdens de relevante feiten was van toepassing artikel 26 van de Politiewet 2012. Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging, Staatscourant 2020, 44879. Aanwijzing zeden, Staatscourant 2016, 19414. De Aanwijzing zeden is sinds 1 juli 2024 vervangen door de Aanwijzing seksuele misdrijven. Aanwijzing opsporingsberichtgeving, Staatscourant 2017, 66539. Aanwijzing zeden, onder 1.6. Aanwijzing zeden, onder 1.6.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/184622 · 2026-07-30
