# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09-07-2026 (BRE 24/6350 en BRE 24/8144)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:6670
- Date: 2026-07-09
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A6670
- Canonical: https://overview.legal/posts/184625

## Summary

Verzoeken om verwijdering dan wel rectificatie op grond van artikel 28 van de Wpg. Dit recht is niet bedoeld om indrukken, meningen en conclusies te corrigeren of te verwijderen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de KMar de mutatie niet hoefde te wijzigen. Het verzoek om schadevergoeding in de zin van artikel 8:88 van de Awb wijst de rechtbank af. Het verzoek om immateriële schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de zaak met procedurenummer 24/8144 wijst de rechtbank toe. Deze overschrijding is geheel aan de rechtbank te wijten, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet het onderzoek in deze zaak te heropenen. Het beroep is ongegrond.

## Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Bestuursrecht zaaknummers: BRE 24/6350 en BRE 24/8144 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaken tussen [eiser] , uit [plaats 1] , eiser en de minister van Defensie, de minister. Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: De Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat, verweerder in het verzoek tot immateriële schadevergoeding. Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over twee verzoeken van eiser om verwijdering dan wel rectificatie van de verwerking van zijn persoonsgegevens door de Koninklijke Marechaussee (KMar) op grond van artikel 28 van de Wet Politiegegevens (Wpg). Eiser is het niet eens met de besluiten en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten van de minister. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft besloten de verzoeken gedeeltelijk af te wijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Eiser heeft de minister op 13 juli 2024 en 4 oktober 2024 verzocht om zijn politiegegevens uit het mutatierapport met nummer [nummer] van 31 juli 2019 (hierna: de mutatie) te verwijderen, dan wel te rectificeren. 2.1. De minister heeft op die verzoeken beslist op 8 augustus 2024 (bestreden besluit I) en op 4 november 2024 (bestreden besluit II). 2.2. Eiser heeft beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft de gronden aangevuld en heeft – voor het eerst – op 31 maart 2026 gereageerd op het verweerschrift. De rechtbank heeft de aanvullende gronden en reacties die eiser te laat heeft ingediend buiten beschouwing gelaten. 2.3. Het college heeft twee mutaties toegezonden aan de rechtbank, zodat zij hiervan onder geheimhouding kennis kon nemen. Eiser heeft hiervoor toestemming verleend. 2.4. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. 2.5. De minister heeft op verzoek van de rechtbank een geluidsopname overgelegd. 2.6. De rechtbank heeft de beroepen op 3 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. P. Toonders namens de minister. Eiser was niet aanwezig. 2.7. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd. 2.8. Na de sluiting van het onderzoek heeft eiser verzocht om heropening van het onderzoek vanwege een verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het onderzoek wordt niet heropend maar de rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding hierna onder overweging 8 bespreken. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van de bestreden besluiten 3. Eiser is op 31 juli 2019 staande gehouden door KMar-ambtenaren. Naar aanleiding hiervan is de mutatie opgesteld. 3.1. Op 13 juli 2024 heeft eiser de minister verzocht om de mutatie geheel te verwijderen, omdat hij ten onrechte zou zijn staande gehouden. Subsidiair heeft eiser verzocht om rectificatie van een aantal passages uit de mutatie. Ter onderbouwing van dit verzoek is een geluidsopname van het gesprek van 31 juli 2019 met de KMar-ambtenaren bijgevoegd. Eiser heeft zijn verzoek aangevuld. Het rectificatieverzoek ziet op de volgende onderdelen uit de mutatie: Het stoppen en langdurig nakijken van auto’s tijdens het passeren; Het enige tijd langs de kant van de weg staan; Betrokkene keek ons aan toen beklaagde/n in hun achteruitkijkspiegel keken; ‘Voorbijganger die ten tijde van staande houding passeerde in een auto gaf ons aan BE al tegen te zijn gekomen in [plaats 2] waar BE slaande en schoppende bewegingen zou hebben gemaakt’; Het aanspreken door de medewerkers van de KMar met de vraag wat hij daar deed moet verwijderd worden, omdat dat pas bij de 33ste seconde is gevraagd; ‘BE reageerde meteen verbaal agressief toen wij hem aanspraken en vroeg wat de reden van de staande houding was’; De reactie van de politie in de mutatie moet verwijderd worden; Het twee keer heen en weer oversteken moet aangepast worden naar ‘ik stak over en toen reed de betreffende marechaussee bus langs om vervolgens terug over te steken’; en De vraag om te legitimeren moet in de mutatie voorafgaand aan de vraag wat hij daar aan het doen was gezet worden. 3.2. De minister heeft het verzoek met het bestreden besluit I gedeeltelijk afgewezen. Hiertoe is overwogen dat niet is gebleken dat gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift zijn verwerkt, feitelijk onjuist zijn of het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend is. Er is geen aanleiding om het verwijderingsverzoek toe te wijzen. Ten aanzien van het rectificatieverzoek is besloten dat voordat de vraag over het legitimeren eventueel wordt toegevoegd aan de mutatie – zoals gewenst door eiser – eerst contact wordt opgenomen met de technische afdeling van de KMar om na te vragen of een mutatie in een archiefomgeving nog aangepast kan worden. Hierover zal nog contact worden opgenomen met eiser. Voor het overige wordt het rectificatieverzoek afgewezen. 3.3. Eiser heeft op 14 augustus 2024 rechtstreeks beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I (bekend onder procedurenummer 24/6350). De minister heeft ingestemd met dit beroep. 3.4. Op 4 oktober 2024 heeft eiser verzocht om het woord ‘agressief’ uit de mutatie te vervangen door ‘geïrriteerd’, omdat de KMar-ambtenaar het woord ‘agressief’ niet gebruikte. 3.5. De minister heeft met het bestreden besluit II besloten het verzoek af te wijzen. De minister overweegt dat het verzoek ziet op het laten wijzigen van een indruk. Dit valt niet onder het rectificatierecht op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wpg. Dat recht is alleen van toepassing op feitelijke onjuistheden. 3.6. Eiser heeft op 28 november 2024 rechtstreeks beroep ingesteld tegen het bestreden besluit II (bekend onder procedurenummer 24/8144). De minister heeft ingestemd met het rechtstreeks beroep. Omvang van het geding 4. Het geding is beperkt tot de beoordeling van de besluiten op de verzoeken van eiser tot rectificatie dan wel verwijdering van gegevens op grond van artikel 28 van de Wpg. Deze verzoeken hebben betrekking op de mutatie met nummer [nummer] van 31 juli 2019. Eiser heeft op verschillende momenten zijn gronden aangevuld en aanvullende stukken overgelegd. Voor zover eiser gronden heeft aangevoerd die zien op andere verzoeken, mutaties of besluiten, blijven deze buiten beschouwing. Wat voert eiser in beroep aan? 5. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat de mutatie verwijderd moet worden op grond van artikel 28 van de Wpg. Volgens hem ontbreekt de juridische grondslag. Op 21 december 2020 heeft de klachtencommissie van de KMar geoordeeld dat er geen gegronde reden was voor de medewerkers om te vragen of hij zich wilde legitimeren. 5.1. Subsidiair stelt eiser dat bepaalde onderdelen in de mutatie gerectificeerd moeten worden. Er zijn feitelijke onjuistheden opgenomen. Dat blijkt volgens eiser uit de geluidsopname. In bijzonder betwist eiser de zinsnede “BE viel op doordat hij naar elk voertuig dat voorbijreed stond te kijken”. Dat is onjuist volgens eiser, omdat uit de opname juist blijkt dat hij geen raar gedrag liet zien. Daarbij is het ook onjuist dat is opgenomen dat hij over de weg liep. Volgens eiser had in de mutatie moeten staan dat hij de weg overstak. Ook betwist eiser de omschrijving “verbaal agressief”. Ten eerste gaat het daarbij niet om een indruk, maar om een objectieve onjuistheid. Ten tweede is het eerder aannemelijk dat deze indruk niet is gewekt, omdat de KMar-ambtenaar het woord ‘agressief’ helemaal niet gebruikt heeft. Onder verwijzing naar artikel 16 van de Richtlijn 2016/680 stelt eiser dat het recht op rectificatie zich niet beperkt tot feitelijke onjuistheden, maar ook ziet op beschrijvingen die onjuist zijn vastgelegd. Met betrekking tot de beschrijving ‘agressief’ wijst eiser er nog op dat het opnemen daarvan in de mutatie disproportionele gevolgen heeft voor personen van kleur. De gevolgen van een onjuiste beschrijving zijn niet gelijk voor alle burgers. Verder betwist eiser de opname in de mutatie van de vermeende voorbijganger, omdat dit volgens hem een fictief persoon is. 5.2. Tot slot verzoekt eiser om een immateriële schadevergoeding. Heeft de minister terecht geconcludeerd dat de mutatie niet voor vernietiging in aanmerking komt? 6. De minister stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat het aanspreken en het staande houden onrechtmatig hebben plaatsgevonden. Uit de mutatie blijkt dat niet alleen de aanwezigheid van eiser op een weg in de buurt van een vliegbasis reden is geweest voor de staande houding. De minister wijst op de omschrijving van de (dagelijkse) politietaak zoals gegeven in artikel 3 van de Politiewet (Pw). Op grond van dit artikel valt daaronder enerzijds de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en anderzijds het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. De KMar-ambtenaren hebben eiser aangesproken op basis van de toen aanwezige feiten en omstandigheden die hen aanleiding gaven om in het kader van hun politietaak op te treden. De persoonsgegevens van eiser zijn daarop verwerkt in het kader van de dagelijkse politietaak van de KMar. Artikel 8 van de Wpg in samenhang met artikel 4 van de Pw vormt de verwerkingsgrondslag voor de KMar voor het verwerken van de persoonsgegevens van eiser. De minister heeft op de zitting in dit kader opgeworpen dat deze gegevens inmiddels zijn verwijderd, nu vijf jaar is verstreken na de eerste datum van verwerking. Dat betekent dat de betreffende mutatie uitsluitend nog in een archiefomgeving is opgeslagen en niet zonder meer toegankelijk is. 6.1. De rechtbank benadrukt allereerst dat iemand op grond van artikel 28, tweede lid, van de Wpg het recht heeft op vernietiging van de hem betreffende politiegegevens indien de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of als dat nodig is om te voldoen aan een wettelijke verplichting. De rechtbank is van oordeel dat de politiegegevens van eiser niet zijn verwerkt zonder juridische grondslag. Eisers politiegegevens zijn namelijk verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak. In de wet staat dat eisers politiegegevens in dat verband mogen worden verwerkt. Dat de onafhankelijke klachtencommissie heeft geoordeeld dat er geen gegronde reden was voor de KMar-ambtenaren om te vragen of eiser zich wilde legitimeren, maakt dat niet anders. Dit doet namelijk niet af aan de uitvoering van de dagelijkse politietaak van de KMar-ambtenaren op 31 juli 2019 en de verwerking van de gegevens die daarmee samenhangen. De grond slaagt niet. Heeft de minister terecht geconcludeerd dat de KMar de mutatie niet hoefde te wijzigen? 7. De minister stelt allereerst dat de door eiser gewenste wijziging van over de weg lopen naar de weg oversteken een verkapt rectificatieverzoek betreft, waardoor dit niet kan worden meegenomen in deze procedure. Volgens de minister heeft eiser enkel verzocht om rectificatie met betrekking tot het meerdere keren oversteken. Daarnaast stelt de minister dat verbale agressie anders is dan fysieke agressie. Het kan al gaan om een felle discussie. Bovendien betreft de beschrijving ‘verbaal agressief’ een indruk. Het feit dat uit de geluidsopname volgt dat tijdens de staande houding niet is gesproken van verbaal agressief gedrag, betekent niet dat die indruk niet gewekt kan zijn bij de betrokken ambtenaar van de KMar. De objectieve onjuistheid is dan ook niet aangetoond. Met betrekking tot de zinsnede “BE viel op doordat hij naar elk voertuig dat voorbijreed stond te kijken”, stelt de minister dat niet is opgenomen dat eiser langdurig naar auto’s heeft gekeken. Voor zover eiser verwijst naar de geluidsopname ter onderbouwing stelt de minister dat dit geen opname van observaties door ambtenaren van de KMar voorafgaand aan de benadering van eiser betreft. Daarom kan dit niet als bewijs worden gebruikt. Ten aanzien van de betreffende voorbijganger is daarnaast mogelijk dat dit gesprek niet te horen was op de geluidsopname omdat het buiten het bereik van het toestel waarmee werd opgenomen plaatsvond. Volgens de minister wil dat niet zeggen dat sprake is van een feitelijke onjuistheid op grond waarvan de gegevens zouden moeten worden gewijzigd. 7.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat het in artikel 28, eerste lid, van de Wpg neergelegde rectificatierecht niet bedoeld is om indrukken, meningen en conclusies waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Voor zover verzoeken betrekking hebben op feitelijke gegevens, is het aan de verzoeker om aannemelijk te maken dat deze gegevens onjuist zijn. 7.2. Gelet op de bewoordingen die zijn gebruikt in de mutatie en die door eiser zijn aangehaald is de rechtbank van oordeel dat er in de mutatie alleen professionele indrukken, meningen of conclusies zijn opgenomen. Wat in de mutatie is opgenomen is een weergave van de indrukken en conclusies van de KMar-ambtenaren die in het kader van de uitoefening van hun politietaak op 31 juli 2019 aanleiding zagen om op te treden. Voor zover de mutatie feitelijke gegevens bevat, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat deze onjuist zijn. Eiser heeft weliswaar uitgebreid uiteengezet waarom hij van mening is dat de mutatie feitelijke onjuistheden bevat, maar deze gegevens zijn gebaseerd op hoe de KMar-ambtenaren de staande houding hebben ervaren en hoe zij hebben gehandeld. Dat verschil van inzicht maakt echter nog niet dat gegevens zijn opgenomen die feitelijk onjuist zijn in de zin van artikel 28, eerste lid, van de Wpg. De rechtbank heeft na afloop van de zitting kennisgenomen van de overgelegde geluidsopname. Ook daarin ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn. De rechtbank wijst er verder op dat de minister tijdens de zitting heeft toegelicht dat de vraag over het legitimeren in de mutatie op 9 januari 2025 is aangepast en dat hierover contact is opgenomen met eiser. In zoverre is aan het verzoek van eiser tegemoetgekomen. De rechtbank ziet in de door eiser overgelegde aanvullende stukken dat hij heeft aangegeven zich onjuist bejegend te voelen en te ervaren dat hem onrecht is aangedaan. De rechtbank heeft begrip voor het feit dat deze kwestie eiser bezighoudt. Tegelijkertijd is de toetsing door de bestuursrechter in een zaak zoals deze beperkt tot de vraag of de minister gelet op artikel 28 van de Wpg, terecht heeft geweigerd de betreffende politiegegevens (verder) te wijzigen. Dat betekent ook dat niet de gehele gang van zaken of de bejegening door de KMar-ambtenaren als zodanig ter beoordeling aan de rechtbank voorligt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de KMar de mutatie (voor het overige) niet hoefde te wijzigen. Schadevergoeding 8. Eiser verzoekt om een immateriële schadevergoeding toe te kennen, omdat het bestreden besluit volgens hem onrechtmatig is. 8.1. De rechtbank overweegt dat op basis van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van, onder andere, een onrechtmatig besluit en een onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. 8.2. De rechtbank heeft onder 7.2 vastgesteld dat de bestreden besluiten niet onrechtmatig zijn. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af. 8.3. Eiser heeft op 20 mei 2026, dat wil zeggen na het sluiten van het onderzoek, verzocht om heropening van het onderzoek en verzocht om toekenning van immateriële schadevergoeding. Dit verzoek om heropening wijst de rechtbank af. 8.4. Ten aanzien van het verzoek voor zover dat ziet op het beroep in de zaak met procedurenummer 24/6350 overweegt de rechtbank dat de redelijke termijn is aangevangen met de indiening van het beroepschrift, nu er geen sprake was van een bezwaarfase. De behandeling van het beroep mag ten hoogste anderhalf jaar duren. Het beroepschrift is ingediend op 14 augustus 2024. De termijn van anderhalf jaar is verstreken op 14 februari 2026, dat wil zeggen vóór de zitting van 3 april 2026. In dat geval moet een verzoek om immateriële schadevergoeding uiterlijk ter zitting worden ingediend. Nu eiser het verzoek ná de zitting en dus het sluiten van het onderzoek heeft ingediend, wordt het verzoek om immateriële schadevergoeding in zoverre afgewezen. 8.5. Ten aanzien van het verzoek voor zover dat ziet op het beroep in de zaak met procedurenummer 24/8144 overweegt de rechtbank dat de redelijke termijn is aangevangen met de indiening van het beroepschrift, nu er geen sprake was van een bezwaarfase. De behandeling van het beroep mag ten hoogste anderhalf jaar duren. Het beroepschrift is ingediend op 28 november 2024. De termijn van anderhalf jaar is verstreken op 28 mei 2026, dat wil zeggen na de zitting van 3 april 2026 en het sluiten van het onderzoek, maar voordat uitspraak is gedaan op het beroep. Dit betekent dat eiser in de periode tot de datum van de uitspraak een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn kon indienen. Nu de overschrijding van de redelijke termijn met afgerond anderhalve maand geheel aan de rechtbank te wijten is, ziet de rechtbank geen aanleiding het onderzoek in deze zaak te heropening. De oorzaak van de vertraging ligt niet bij de minister zodat er geen reden is om de minister te horen over het verzoek van eiser. Verder is het verzoek voldoende duidelijk om er een beslissing over te nemen. 8.6. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met anderhalve maand is overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 500,-. Nu de overschrijding te wijten is aan de rechtbank, komt dit bedrag voor rekening van de Staat. 8.7. In beginsel bestaat er gelet op de toewijzing recht op veroordeling in de proceskosten voor eiser. Niet gebleken is dat er proceskosten zijn gemaakt. Verder bestaat er recht op vergoeding van het griffierecht. Deze vergoeding komt ten laste van de Staat. Conclusie en gevolgen 9. De conclusie is dat de beroepen ongegrond zijn omdat de minister terecht heeft besloten dat de KMar de mutatie niet hoefde te vernietigen dan wel te wijzigen. Eiser krijgt dus ongelijk en de beroepen zijn ongegrond. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen in de zaak met procedurenummer 24/8144. Eiser krijgt in die zaak het griffierecht terug. Niet is gebleken dat er proceskosten zijn gemaakt. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen ongegrond; - veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 500,00; - bepaalt dat de Staat aan eiser het door hem in beroep betaalde griffierecht van € 187,00 moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 9 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:58: Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen. Op deze bevoegdheid worden partijen in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:56, gewezen. Wet politiegegevens (Wpg) Artikel 8, voor zover relevant: 1. Politiegegevens kunnen worden verwerkt met het oog op de uitvoering van de dagelijkse politietaak gedurende een periode van één jaar na de datum van de eerste verwerking. Artikel 28, voor zover relevant: De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke rectificatie van de hem betreffende onjuiste politiegegevens te verkrijgen en, rekening houdend met het doel van de verwerking, het recht om onvolledige politiegegevens te laten aanvullen, onder meer door middel van een aanvullende verklaring. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen. De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onnodige vertraging vernietiging van de hem betreffende politiegegevens te verkrijgen indien de gegevens in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt of om te voldoen aan een wettelijke verplichting. In plaats van vernietiging draagt de verwerkingsverantwoordelijke zorg voor afscherming als: de juistheid van de gegevens door de betrokkene wordt betwist en de juistheid of onjuistheid niet kan worden geverifieerd, in welk geval de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene informeert voordat de afscherming wordt opgeheven, of de gegevens moeten worden bewaard als bewijsmateriaal. Zie artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Zie artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie artikel 8, eerste lid, van de Wpg. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024, ECLI:NL:2024:2602. Zie onder meer Centrale Raad van Beroep 8 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2511. Zie onder meer Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6799 en Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 26 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4278.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/184625 · 2026-07-30
