# Rechtbank Amsterdam, 24-06-2026 (C/13/785130)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:7471
- Date: 2026-06-24
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A7471
- Canonical: https://overview.legal/posts/184628

## Summary

Inzageverzoek (195 Rv). Voldoende aannemelijk dat gegevens waarvan afgifte wordt verlangd nodig zijn om legitieme portie te bepalen. De rechtbank wijst het inzageverzoek, met uitzondering van de stukken die al zijn aangeleverd, toe.

## Full text

RECHTBANK Amsterdam Civiel recht Zaaknummer: C/13/785130 / HA ZA 26-268 Vonnis in incident van 24 juni 2026 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , eisende partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident, (hierna: [eiser] ), advocaat: mr. L. Bosch, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats 2] , zowel in privé als in haar hoedanigheid als executeur van de nalatenschap van [erflaatster] , gedaagde partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident, (hierna: [gedaagde] ), advocaat: mr. M.C.G. Voogt. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 17 maart 2026, tevens houdende een incidentele vordering ex artikel 194 en 195 Rv, met producties, - de incidentele conclusie van antwoord van 6 mei 2026, met producties. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2 De feiten, voor zover van belang in incident 2.1. [erflaatster] (hierna: erflaatster) is op 29 januari 2024 overleden. Ten tijde van haar overlijden was zij getrouwd met [naam 1] (hierna: [naam 1] ). 2.2. [eiser] is de dochter van erflaatster uit een eerder huwelijk. [gedaagde] is de dochter van de zus van erflaatster. Partijen zijn nichten van elkaar. 2.3. Bij testament van 7 augustus 2023 heeft erflaatster [eiser] onterfd en [naam 1] benoemd tot haar enig erfgenaam, met een voorwaardelijke tweetrapsmaking met [gedaagde] als verwachter. De legitieme portie van [eiser] is opeisbaar na het overlijden van [naam 1] . Verder heeft erflaatster [gedaagde] aangewezen als (opvolgend) executeur, welke taak [gedaagde] heeft aanvaard. 2.4. [eiser] heeft op 3 september 2024 een beroep gedaan op haar legitieme portie en [gedaagde] verzocht een kopie te sturen van verschillende bescheiden in verband met de in te dienen aangifte erfbelasting en het vaststellen van de legitimaire massa. 2.5. Op 29 november 2025 is [naam 1] overleden. 2.6. Op 8 januari 2026 heeft de financieel adviseur van [gedaagde] , de heer [naam 2] , een aantal stukken aan [eiser] verstrekt. Hierna heeft de advocaat van [eiser] meermaals om (aanvullende) stukken verzocht. 3 De vorderingen in de hoofdzaak 3.1. [eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. De omvang van de legitimaire massa van erflaatster vaststelt en vervolgens de legitieme portie van [eiser] vaststelt; II. [gedaagde] veroordeelt tot uitbetaling van de legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster, te vermeerderen met de wettelijke rente; III. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten. 4 Het geschil in incident 4.1. [eiser] vordert in het incident dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: [gedaagde] gebiedt om haar taak als executeur na te komen en binnen een in goede justitie te bepalen termijn aan [eiser] verstrekt: IB aanslagen van erflaatster van de laatste vijf jaar; bankafschriften van alle rekeningen van erflaatster van de afgelopen zeven jaar; taxatie van de woningen per datum overlijden door een onafhankelijke taxateur; huurovereenkomsten en huuropbrengsten van alle woningen waarvan erflaatster (mede)eigenaar is; factuur van de ontruimingskosten; de aangifte en de aanslag erfbelasting (indien beschikbaar); opgave inboedel en sieraden, dan wel alle informatie die is benodigd ter vaststelling van de legitimaire massa in de nalatenschap van erflaatster en de legitieme portie van [eiser] , zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat zij hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 50.000,00. 4.2. [gedaagde] refereert zich in het incident aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat zij de rechtbank verzoekt haar een redelijke termijn te geven voor het aanleveren van de ontbrekende informatie, waarbij de gevorderde dwangsommen en de proceskostenveroordeling worden afgewezen. Zij brengt daarnaast de volgende stukken in het geding: concept aangifte erfbelasting 2024; definitieve aanslagen inkomstenbelasting van erflaatster in de jaren 2019 t/m 2023; de huurovereenkomsten van de woningen gelegen aan de [adressen] ; de afschriften van de (spaar)rekening van erflaatster met rekeningnummer [rekeningnummer] in de periode van 1 januari 2018 t/m 1 februari 2024. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling in incident 5.1. Op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194 lid 1 recht op heeft, kan de rechter de wederpartij bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt en daarbij de voorwaarden bepalen waaronder, de wijze waarop en de termijn waarbinnen de betreffende gegevens moeten worden verstrekt (artikel 195 Rv). 5.2. Op grond van artikel 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Degene die over de gegevens beschikt, is verplicht daarvan desverzocht inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij (a) hem een verschoningsrecht in de zin van artikel 165 lid 2 Rv toekomt of (b) gewichtige redenen zich daartegen verzetten. 5.3. Vaststaat dat [eiser] en [gedaagde] beiden betrokken zijn bij de nalatenschap van erflaatster, zodat tussen hen een rechtsbetrekking bestaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] voldoende concreet vermeld om welke informatie het haar te doen is en daarbij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij die informatie nodig heeft om haar legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster te kunnen bepalen. Dit maakt dat [eiser] voldoende belang heeft bij het verkrijgen daarvan. Verder is niet gebleken dat [gedaagde] niet over de verlangde informatie beschikt. De stelling van [gedaagde] dat zij de taxatierapporten en de afschriften van de bankrekening van erflaatster bij ABN-AMRO nog niet heeft ontvangen, maakt dat niet anders. Het beschikken over gegevens in de zin van artikel 194 Rv moet namelijk zo worden uitgelegd dat daaronder ook de situatie kan worden verstaan dat de aangesproken partij de gegevens niet fysiek ter beschikking heeft, maar deze wel gemakkelijk van een derde kan verkrijgen. Nu [gedaagde] heeft toegelicht dat zij verwacht de bankafschriften en de taxatierapporten op korte termijn te ontvangen, gaat de rechtbank ervanuit dat aan dit vereiste is voldaan. 5.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan de voorwaarden voor het recht op inzage, afschrift of uittreksel in de zin van artikel 194 lid 1 Rv voldaan. Van gewichtige redenen die zich tegen het verstrekken van de stukken verzetten, is niet gebleken. Integendeel, [gedaagde] heeft verklaard dat zij zich niet tegen de verstrekking van de verzochte informatie verzet. Bovendien heeft [eiser] als legitimaris ex artikel 4:78 van het Burgerlijk Wetboek recht op alle informatie die nodig is om de legitieme portie te berekenen. Gelet hierop zal de rechtbank [gedaagde] bevelen de stukken de waarvan [eiser] afgifte verlangd te verstrekken, met uitzondering van hetgeen hierna onder 5.5 en 5.6 vermeld en de stukken die [gedaagde] reeds bij haar incidentele conclusie van antwoord heeft aangeleverd. 5.5. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] geen aparte opgave heeft gedaan van de huuropbrengsten. Nu [eiser] na het overleggen van de nadere stukken beschikt over de huurovereenkomsten en bankafschriften, gaat de rechtbank ervan uit dat hierover voldoende duidelijkheid is verschaft. Indien dit niet het geval is, kan [eiser] zich hierover uitlaten in de hierna te nemen akte. 5.6. [eiser] vordert tot slot opgave van de inboedel en sieraden van erflaatster. [gedaagde] heeft verklaard dat de inboedel van erflaatster en [naam 1] na haar overlijden door [naam 1] is meegenomen, dat de kleding van erflaatster is weggedaan en dat zij niet over sieraden beschikte. In de woning zijn geen goederen met economische restwaarde aangetroffen. Nu [eiser] geen concrete goederen heeft benoemd, gaat de rechtbank er vooralsnog vanuit dat de verklaring van [gedaagde] afdoende is. Termijn 5.7. [gedaagde] heeft de rechtbank verzocht haar een redelijke termijn te geven om de informatie aan te leveren, maar niet toegelicht welke termijn haar redelijk voorkomt. De rechtbank acht in dit geval een termijn van vier weken na de datum van dit vonnis redelijk. [gedaagde] heeft immers al geruime tijd de gelegenheid gehad [eiser] van de informatie te voorzien. Daar komt bij dat [gedaagde] zelf naar voren heeft gebracht dat zij verwacht de stukken die zij nog niet onder zich heeft op korte termijn te ontvangen. Geen dwangsom 5.8. Hoewel [eiser] [gedaagde] al meermaals om de informatie heeft verzocht, zal de rechtbank geen dwangsom verbinden aan het verstrekken daarvan. Dit aangezien [gedaagde] al een (aanzienlijk) deel van de informatie heeft verstrekt en zij zich bereid heeft getoond ook de overige informatie aan te leveren. Indien en voor zover [gedaagde] de gegevens niet verstrekt, kan de rechtbank daaraan bij de beoordeling van de vordering in de hoofdzaak de gevolgtrekkingen verbinden die zij geraden acht. Proceskosten 5.9. Vanwege de familierechtelijke betrekking tussen partijen, worden de proceskosten gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Hoe nu verder? 5.10. Omdat [eiser] haar verzoek op inzage heeft gedaan met het oog op haar positie in de hoofdzaak, krijgt zij eerst de mogelijkheid zich erover uit te laten of de na dit vonnis verstrekte informatie aanleiding geeft tot aanvulling van haar vordering. Daarna krijgt [gedaagde] de gelegenheid om verweer te voeren. 6 De beslissing De rechtbank, in het incident 6.1. veroordeelt [gedaagde] , voor zover zij die informatie niet reeds heeft aangeleverd, om uiterlijk binnen vier weken na de datum van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken: de IB aanslagen van erflaatster van de laatste vijf jaar; de bankafschriften van alle rekeningen van erflaatster van de afgelopen zeven jaar; de taxatierapporten van de woningen per datum overlijden door een onafhankelijke taxateur; de huurovereenkomsten van alle woningen waarvan erflaatster (mede)eigenaar is; de factuur van de ontruimingskosten; de aangifte en de aanslag erfbelasting (indien beschikbaar); 6.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 6.3. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 6.4. wijst het meer of anders gevorderde af, in de hoofdzaak 6.5. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 5 augustus 2026 voor het nemen van een akte door [eiser] over wat is vermeld onder 5.10, waarna de zaak weer op de rol van vier weken daarna zal komen voor conclusie van antwoord van [gedaagde] , 6.6. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/184628 · 2026-07-30
