Rechtbank Midden-Nederland, 25-06-2026 (UTR 24/5862)
Verzet gegrond;
Full text
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 24/5862-V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juni 2026 op het verzet van [opposant] , te [plaats] , opposant, (gemachtigde: mr. J.W. Vugts). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend op 10 september 2024 omdat de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (verweerder) niet op tijd beslist zou hebben op het bezwaar van opposant. In de uitspraak van 23 december 2025 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Overwegingen 1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 23 december 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat er niet is voldaan aan de vereisten die de wet stelt voor het instellen van een beroep niet-tijdig beslissen. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 23 december 2025 niet juist was. 3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 23 december 2025 niet juist, omdat hij van mening is dat hij het bezwaarschift op 3 april 2024 per mail (tijdig) heeft ingediend. 4. Volgens artikel 2:17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het tijdstip waarop een bericht door het bestuursorgaan elektronisch is ontvangen, het tijdstip waarop het bericht zijn systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt. In de Memorie van Toelichting op dit artikel staat dat het risico van het gebruik van de elektronische weg in beginsel bij de verzender ligt en dat de omstandigheid dat een bericht op een bepaald tijdstip is verzonden, nog niet zegt dat het de geadresseerde ook (ongeschonden) heeft bereikt. Dit volgt ook uit de jurisprudentie. Dit betekent dat de bewijslast bij opposant ligt. Verweerder heeft in dit geval betwist dat hij het bezwaarschrift heeft ontvangen. Het is dan aan opposant om aannemelijk te maken dat verweerder wel tijdig het bezwaarschrift heeft ontvangen. 5. In dit geval heeft opposant op 12 oktober 2024 een schermafbeelding van een ‘audit trial’ overgelegd. Uit een audit trial blijkt duidelijk op welke datum en welk tijdstip het bezwaarschrift via een e-mailbericht is verzonden vanuit de server van opposant en op welke datum en welk tijdstip het e-mailbericht is afgeleverd op de server van verweerder. Uit de overgelegde audit trial blijkt dat het bezwaarschrift op 3 april 2024 om 14:54 uur is afgeleverd op de server bij verweerder. De rechtbank is van oordeel dat opposant daarmee heeft aangetoond dat het bezwaarschrift verweerder (ongeschonden) heeft bereikt. Opposant heeft voldaan aan zijn bewijslast. 6. Dit betekent dat opposant gelijk heeft. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 23 december 2025 vervalt (artikel 8:55, negende lid, van de Awb). Het vervallen van die uitspraak betekent dat de rechtbank de behandeling van het beroep (mede gericht tegen het alsnog genomen besluit) zal voortzetten. Opposant krijgt over de verdere behandeling nog bericht. 7. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over de vergoeding van de proceskosten van opposant. Dit gebeurt pas in de einduitspraak over het beroep. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet gegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van S. Ayyildiz, griffier . De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep. TK 2001-2002, 28483 nr. 3, pag. 42.