# Rechtbank Limburg, 17-06-2026 (11980873 \ CV EXPL 25-4852)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Limburg
- Identifier: ECLI:NL:RBLIM:2026:5789
- Date: 2026-06-17
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBLIM%3A2026%3A5789
- Canonical: https://overview.legal/posts/184638

## Summary

Gedaagde heeft op onjuiste wijze huishoudelijk afval aangeboden. De gemeente legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde door het afval te deponeren zoals hij gedaan heeft onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, zodat gedaagde mede op grond van artikel 13.3a van de Omgevingswet tot betaling van de opruimkosten gehouden is. De vordering wordt toegwezen.

## Full text

RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 11980873 \ CV EXPL 25-4852 Vonnis van 17 juni 2026 in de zaak van GEMEENTE MAASTRICHT , te Maastricht, eisende partij, hierna te noemen: Gemeente Maastricht, gemachtigde: Haenen Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde partij] , te [plaats] (Luxemburg), gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde partij] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 t/m 11, - de conclusie van antwoord met producties 1 en 2, - de conclusie van repliek met producties 1 en 2, - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Op 23 augustus 2024 is door een buitengewoon opsporingsambtenaar huishoudelijk afval aangetroffen bij het adres [adres] . Bij het afval is een vliegsticker van een koffer met daarop de persoonsgegevens van [gedaagde partij] aangetroffen. 2.2. Bij brief van 30 augustus en 12 september 2024 heeft gemeente Maastricht [gedaagde partij] gewezen op de mogelijkheid om zijn standpunt toe te lichten. 2.3. Bij factuur van 19 oktober 2024 heeft Gemeente Maastricht voor de hiervoor geconstateerde feiten een bedrag van € 171,30 conform de plaatselijk geldende Afvalstoffenverordening Maastricht 2021 (hierna: Afvalstoffenverordening) in rekening gebracht. 2.4. Bij brief van 20 maart 2025 heeft de incassogemachtigde van gemeente Maastricht aan [gedaagde partij] medegedeeld dat, als het bedrag van € 171,30 niet binnen vijftien dagen wordt betaald, zij gerechtigd is om de buitengerechtelijke incassokosten te vorderen. Het betreffende bedrag is niet binnen de door gemeente Maastricht gestelde termijn betaald. 2.5. [gedaagde partij] heeft de factuur, ondanks daartoe te zijn aangemaand, onbetaald gelaten. 3 Het geschil 3.1. Gemeente Maastricht vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van € 171,30, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 november 2024 en € 48,40 (inclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten. 3.2. Gemeente Maastricht legt aan de vordering, kort gezegd, ten grondslag dat [gedaagde partij] door het afval te deponeren zoals hij gedaan heeft onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, zodat [gedaagde partij] mede op grond van artikel 13.3a van de Omgevingswet tot betaling van de opruimkosten gehouden is. 3.3. [gedaagde partij] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Gemeente Maastricht, met veroordeling van Gemeente Maastricht in de kosten van deze procedure. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Geen mogelijkheid tot bezwaar 4.1. [gedaagde partij] stelt dat hem geen mogelijk tot bezwaar is geboden tegen het handelen van gemeente Maastricht, terwijl zij hem wel in de gelegenheid had moeten stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen. Daarbij doet [gedaagde partij] een beroep op artikel 4:8 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), de beginselen van hoor en wederhoor, het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair-play-beginsel. Gemeente Maastricht betwist de stelling van [gedaagde partij] . 4.2. De kantonrechter stelt voorop dat het in deze zaak niet gaat om een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en om die reden geen mogelijkheid tot bezwaar wordt geboden. Dat artikel bepaalt immers dat onder een besluit moet worden verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is publiekrechtelijk als een bestuursorgaan, in dit geval gemeente Maastricht, de bevoegdheid daartoe ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen grondslag. Een rechtshandeling is privaatrechtelijk van aard wanneer het bestuursorgaan een bevoegdheid hanteert die krachtens het burgerlijk recht ook door niet-bestuursorganen kan worden gehanteerd. Omdat gemeente Maastricht haar vordering tot schadevergoeding heeft gebaseerd op onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW is sprake van een privaatrechtelijke rechtshandeling, waardoor het niet mogelijk is om bezwaar in te dienen bij de gemeente. In dit geval staat enkel de weg naar de kantonrechter open. Verder is gemeente Maastricht bij het verhalen van schade op basis van artikel 6:162 BW niet verplicht om [gedaagde partij] in de gelegenheid te stellen zijn standpunt toe te lichten. Desondanks heeft gemeente Maastricht gesteld dat zij hem daartoe wel meermaals de kans heeft geboden, maar dat [gedaagde partij] daar slechts beperkt gebruik van heeft gemaakt. Dit is niet door [gedaagde partij] betwist. Bij die stand van zaken kan niet worden gezegd dat gemeente Maastricht de beginselen van hoor en wederhoor heeft geschonden. Omdat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kan ook niet worden gesproken van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair-play-beginsel, deze beginselen zien immers op de voorbereiding en behandeling van een besluit. Het verweer van [gedaagde partij] slaagt om die reden niet. Gemeente Maastricht heeft niet disproportioneel en onevenredig gehandeld 4.3. [gedaagde partij] stelt dat gemeente Maastricht in strijd heeft gehandeld met het proportionaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, doordat zij zonder waarschuwing direct een boete heeft opgelegd aan [gedaagde partij] , terwijl hij niet beschikte over een geldige afvalpas en daardoor niet in staat was het afvalsysteem naar behoren te gebruiken. Gemeente Maastricht betwist de stelling van [gedaagde partij] . De kantonrechter oordeelt ten aanzien van deze verweren als volgt. 4.4. Gemeente Maastricht heeft met het verhalen van de kosten niet onevenredig en disproportioneel gehandeld. De gemeente is belast met toezicht en controle op de naleving van - onder meer – het bepaalde in de Afvalstoffenverordening. Bij de constatering van een overtreding heeft de gemeente de keuze of zij eerst overgaat tot waarschuwen of niet. [gedaagde partij] heeft daarbij geen recht op een waarschuwing. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat het enkele feit dat [gedaagde partij] niet beschikte over een geldige afvalpas niet maakt dat afval in strijd met de regels mag worden aangeboden. Ongemak en hinder die ongetwijfeld ontstaan wanneer afval tijdelijk thuis moet worden opgeslagen of naar een andere locatie moet worden vervoerd, zijn evenmin een vrijbrief om afval verkeerd aan te bieden. Overigens merkt de kantonrechter op dat het op de weg van [gedaagde partij] ligt om te zorgen voor een geldige afvalpas. Het verweer van [gedaagde partij] slaagt niet. Onrechtmatige daad 4.5. Vervolgens moet worden beoordeeld of [gedaagde partij] een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens gemeente Maastricht. Gemeente Maastricht grondt haar vordering op het bepaalde in de plaatselijke Afvalstoffenverordening alsmede op het Uitvoeringsbesluit afvalstoffenverordening Maastricht 2021 (hierna: Uitvoeringsbesluit) en wijst erop dat daarin is geregeld op welke dagen en tijden en op welke wijze afvalstoffen ter inzameling dienen te worden aangeboden aan de inzameldienst. Omdat [gedaagde partij] het restafval niet op de juiste dag en tijd heeft aangeboden heeft hij, volgens gemeente Maastricht, een onrechtmatige daad jegens haar gepleegd. Op de voet van artikel 13.3a van de Omgevingswet kan de gemeente - kort gezegd - de kosten voor het beheer van afvalstoffen als gevolg van verontreiniging van de fysieke leefomgeving, verhalen op degene die voor de gevolgen daarvoor aansprakelijk is. 4.6. Niet in geschil is dat binnen de gemeente Maastricht bepaalde tijden en regels gelden met betrekking tot het aanbieden van afval. Ook is niet in geschil dat het huishoudelijk afval in casu verkeerd is aangeboden en dat gemeente Maastricht kosten heeft moeten maken voor het afvoeren en verwerken van dat afval. Partijen twisten echter over de vraag of het aangetroffen huishoudelijk afval aan [gedaagde partij] toebehoort. Gemeente Maastricht stelt dat in de aangetroffen partijen afval een vliegsticker van een koffer met daarop de persoonsgegevens van [gedaagde partij] is aangetroffen. Daaraan verbindt zij de conclusie dat (een deel van) het aangetroffen afval afkomstig moet zijn van [gedaagde partij] . Zij onderbouwt haar stelling met foto’s van het verkeerd aangeboden afval en de daarin aangetroffen vliegsticker. [gedaagde partij] betwist dat het huishoudelijk afval aan hem toebehoort en dat hij niet degene is geweest die het afval verkeerd heeft aangeboden, waardoor de overtreding niet aan hem kan worden toegerekend. [gedaagde partij] voert daartoe aan dat er sprake is van gedeeld afvalbeheer in het pand waar hij woont, waardoor een van de andere bewoners het afval kan hebben verplaatst. Daarnaast stelt [gedaagde partij] dat hij ook regelmatig andere bewoners in het pand bezoekt, waardoor het ook mogelijk is dat de vliegsticker bij het afval van een andere bewoner terecht is gekomen. De aanwezigheid van één vliegsticker is, volgens hem, onvoldoende bewijs dat hij de afvalzak onjuist heeft aangeboden. De kantonechter oordeelt ten aanzien van de voorgaande verweren als volgt. 4.7. De enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot iemand te herleiden zijn, is in eerste instantie voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Dat houdt in dat ook de vliegsticker met daarop de persoonsgegevens van [gedaagde partij] in beginsel voldoende is om hem als overtreder aan te merken. Volgens de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is het vervolgens aan [gedaagde partij] om feiten en/of omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het afval niet aan hem toebehoort. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde partij] zijn stellingen echter onvoldoende feitelijk onderbouwd. Weliswaar heeft [gedaagde partij] foto’s overlegd waarop een gezamenlijk afvalpunt in het pand is te zien, maar hieruit valt niet af te leiden dat het afval in casu door een andere bewoner verkeerd is aangeboden. De kantonrechter acht om die reden de door [gedaagde partij] aangehaalde alternatieve verklaringen niet aannemelijk en concludeert dat het afval in eigendom aan [gedaagde partij] toebehoort en hij in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in de afvalstoffenregeling. Dat, zoals [gedaagde partij] stelt, in het verkeerd aangeboden afval ook stukken zijn aangetroffen die herleidbaar zijn naar andere personen doet daar niet aan af. Dit sluit - zoals door gemeente Maastricht terecht stelt - niet uit dat ook die personen een factuur hebben ontvangen. 4.8. [gedaagde partij] heeft nog verzocht om eventuele openbare camerabeelden van de straat beschikbaar te stellen, maar niet is gebleken dat die camerabeelden er zijn, waardoor de kantonrechter dit verzoek passeert. 4.9. Tot slot stelt [gedaagde partij] dat gemeente Maastricht onvoldoende belang heeft bij haar vordering. De kantonrechter is van oordeel dat altijd een belang bestaat bij de naleving van door een bestuursorgaan gestelde voorschriften. Zij worden immers niet voor niets gesteld. Gemeente Maastricht heeft in dit geval belang bij haar vordering, namelijk handhaving van de Afvalstoffenregeling. 4.10. De kantonrechter concludeert, omdat [gedaagde partij] in strijd heeft gehandeld met voormelde regelingen, [gedaagde partij] heeft nagelaten te handelen conform een op hem rustende (wettelijke) plicht hetgeen jegens de gemeente Maastricht een onrechtmatige daad oplevert. [gedaagde partij] is voor de schade die daaruit voortvloeit, te weten € 171,30, aansprakelijk. [gedaagde partij] heeft de hoogte van de vordering niet betwist. De vordering ligt in zoverre dan ook voor toewijzing gereed. Rente 4.11. Omdat [gedaagde partij] in verzuim is met de betaling van de factuur, zal ook de gevorderde rente over € 171,30 vanaf 19 november 2024 als onbetwist worden toegewezen. Buitengerechtelijke incassokosten 4.12. Gemeente Maastricht vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. De gevorderde vergoeding is in overeenstemming met het tarief in het Besluit en is daarom redelijk. Gemeente Maastricht heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat Gemeente Maastricht geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 48,40 worden toegewezen. Proces- en nakosten 4.13. [gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Gemeente Maastricht worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 146,14 - griffierecht € 135,00 - salaris gemachtigde € 86,00 (2 punten × € 43,00) - nakosten € 21,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 388,64 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde partij] om aan Gemeente Maastricht te betalen € 171,30, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 19 november 2024, tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [gedaagde partij] om aan Gemeente Maastricht te betalen € 48,40 aan buitengerechtelijke kosten, 5.3. veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 388,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026. Artikel 9, 10 en 14 van de Afvalstoffenregeling en artikel 14 en 15 van het Uitvoeringsbesluit. Artikel 3:303 BW.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/184638 · 2026-07-30
