# Rechtbank Gelderland, 24-06-2026 (ARN 25/4010)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Gelderland
- Identifier: ECLI:NL:RBGEL:2026:4980
- Date: 2026-06-24
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBGEL%3A2026%3A4980
- Canonical: https://overview.legal/posts/184664

## Summary

Verzoek wijziging gegevens in de Basisregistratie persoonsgegevens. Het college heeft niet voldoende gemotiveerd waarom aannemelijk is dat bij de afgifte van overgelegde en echt bevonden brondocumenten geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Geen bestuurlijke lus. Het college stelt in beroep dat mogelijk sprake is van een dubbele identiteit en dat de geregistreerde gegevens (ook) juist zijn. Dit standpunt is niet eerder ingenomen. Het college kan voorafgaan aan de nieuw te nemen beslissing op bezwaar nader onderzoek doen.

## Full text

RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 25/4010 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. R.P. van Empel-Bouman), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel (gemachtigden: D.H.M. de Rouw en E. van der Heijden). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om wijziging van zijn persoonsgegevens in de Basisregistratie personen (Brp). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van het verzoek niet in stand kan blijven. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat voorafgaand aan de afgifte van de door eiser overgelegde brondocumenten geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Het college kan zich daarom niet zonder meer op het standpunt stellen dat niet buiten redelijke twijfel staat dat de daarin vermelde persoonsgegevens op eiser zien. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat hoe de afwijzing van het verzoek tot stand is gekomen. De beoordeling van de rechtbank volgt vanaf overweging 4. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft het college op 9 december 2024 verzocht om zijn persoonsgegevens in de Brp te wijzigen. Het gaat om de volgende wijzigingen: Huidige registratie Gevraagde registratie Geslachtsnaam [naam eiser] [geslachtsnaam] Voornaam [naam eiser] [voornaam] Geboortedatum [geboortedag 1] -1962 [geboortedag 2] -1964 Nationaliteit Iraakse Iraanse 2.1. Bij het verzoek heeft eiser de volgende documenten overgelegd: een identiteitsverklaring, nummer [nummer 1] , afgegeven door de Iraanse ambassade te Den Haag op 22 november 2024; een identiteitsverklaring, nummer [nummer 2] , afgegeven door de Iraanse ambassade te Den Haag op 3 februari 2017; Iraans paspoort op naam van [voornaam] [geslachtsnaam], geboren op [geboortedag 2] 1964, afgegeven op 28 januari 2015 en geldig tot 28 januari 2020; Iraans paspoort op naam van [voornaam] [geslachtsnaam], geboren op [geboortedag 2] 1964, afgegeven op 4 juni 2020 en geldig tot 4 juni 2025; Een geboorteboekje met vertaling; Een verklaring van de Iraanse ambassade te Den Haag, nummer 8022, afgegeven 6 december 2024, met daarin opgenomen gegevens omtrent de persoon [voornaam] [geslachtsnaam] (onder meer: nationaal identificatienummer, naam ouders en kinderen, data geregistreerde huwelijken en scheidingen) 2.2. Het college heeft het verzoek met het besluit van 13 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 31 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van het verzoek gebleven. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 6 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Als tolk is verschenen [persoon A]. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit en de totstandkoming daarvan 3. Het college heeft het verzoek met zijn besluit van 13 januari 2025 afgewezen. Het college wijst er op dat het gaat om een bijna volledige identiteitswisseling, waarbij enkel het geboorteland (Irak) niet wordt gewijzigd. De gevolgen van de gevraagde wijzigingen zijn bijzonder ingrijpend voor het Nederlandse rechtsverkeer. Het college is verantwoordelijk voor een betrouwbare bevolkingsadministratie en er moet dan ook behoedzaam worden omgegaan met het verzoek. Het moet buiten redelijke twijfel zijn dat de geregistreerde gegevens onjuist zijn en de verstrekte vervangende gegevens juist zijn. In dit verband heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de overgelegde brondocumenten weliswaar echt zijn bevonden, maar dat onduidelijk is hoe de Iraanse autoriteiten de identiteit van eiser hebben vastgesteld. Daarom is op basis van deze brondocumenten niet zeker dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn en dat die gegevens ook op eiser zien. 3.1. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser tegen dit besluit heeft het college nader onderzoek gedaan naar de identiteit van eiser. In dit onderzoek heeft het college eiser over zijn identiteit gehoord, de rapporten van de gehoren van eiser tijdens zijn asielprocedure bij de IND geraadpleegd en (per e-mail) contact gelegd met de Iraanse ambassade om vragen te stellen over de overgelegde documenten. Het college heeft vastgesteld dat eiser tijdens zijn asielprocedure bij de IND consequent heeft verklaard dat hij [naam eiser] is. Tijdens het gehoor op het gemeentehuis noch tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft eiser uitgelegd waarom dat nu anders is. Daarom rijst de vraag op basis waarvan de Iraanse autoriteiten concluderen dat hij [voornaam] [geslachtsnaam] is. Eiser kon hierover tijdens het gehoor geen duidelijkheid verschaffen. Verder heeft de Iraanse ambassade niet gereageerd op de (herhaaldelijke) contactverzoeken van het college. Daarom bestaat volgens het college nog altijd twijfel of de identiteitsgegevens zoals opgenomen in de brondocumenten juist zijn en of voorafgaand aan de afgifte van deze documenten een controle van de identiteit van eiser heeft plaatsgevonden. Om die reden heeft het college de afwijzing van het verzoek daarom in bezwaar in stand gelaten. Toetsingskader 4. Wie in de Brp staat geregistreerd, kan bij het college van de gemeente waar hij staat ingeschreven verzoeken om wijziging van de geregistreerde gegevens. De verzoeker moet dat verzoek onderbouwen met zogenoemde brondocumenten. Het college beoordeelt vervolgens of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Als dat het geval is én de overgelegde brondocumenten van hogere of gelijke orde zijn dan het (bron)document of de verklaring waarop de huidige registratie in de Brp is gebaseerd, dan wijzigt het college de gegevens. De rangorde van brondocumenten volgt – voor wat betreft feiten die zich buiten Nederland hebben voorgedaan – uit artikel 2.8, tweede lid, van de Wet Brp . 4.1. Uit het dossier volgt dat de huidige inschrijving van eiser in de Brp is gebaseerd op een door eiser onder eed of belofte afgelegde verklaring over zijn persoonsgegevens. Zijn huidige persoonsgegevens zijn daarom gebaseerd op een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet Brp. De door eiser overgelegde brondocumenten zijn van hogere orde, zodat de daarin opgenomen gegevens – indien juist bevonden – in beginsel in de basisregistratie moeten worden opgenomen ter vervanging van de huidige daarin opgenomen persoonsgegevens. Had het college de persoonsgegevens van eiser moeten wijzigen? 5. Eiser betoogt dat het college had moeten overgaan tot wijziging van zijn persoonsgegevens in de Brp. De door hem overgelegde documenten zijn echt, inhoudelijk juist en van hogere orde dan de registratie op basis van de verklaring onder ede. Paspoort 5.1. Eiser wijst er in de eerste plaats op dat hij een Iraans paspoort heeft overgelegd. In beginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van de gegevens in een paspoort. Als het college dat niet volgt, moet het aannemelijk maken dat bij de afgifte van het paspoort geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. De bewijslast ligt bij het college. Onder verwijzing naar de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 oktober 2025 stelt eiser dat het college niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. Het college heeft zijn standpunt slechts gebaseerd op (naar de mening van het college) onduidelijke verklaringen van eiser tijdens een gehoor op het gemeentehuis, op zijn verklaringen tijdens de asielgehoren en op het feit dat de Iraanse ambassade niet heeft gereageerd op informatieverzoeken. Dat is niet voldoende. 5.1.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het overgelegde Iraanse paspoort niet kan leiden tot wijziging van de persoonsgegevens van eiser in de Brp. Het college twijfelt of aan de afgifte van het paspoort een deugdelijk onderzoek naar de identiteit van eiser is voorafgegaan, zodat van de inhoudelijke juistheid van dat paspoort niet kan worden uitgegaan. Het paspoort is afgegeven nadat eiser in Nederland een asielvergunning heeft gekregen. Eiser is echter niet in het bezit van documenten die dateren van vóór zijn vertrek uit zijn land van herkomst, zodat onduidelijk is hoe de Iraanse autoriteiten eiser hebben geïdentificeerd. Daar komt nog bij dat eiser bij aankomst in Nederland niet zijn Iraanse identiteit heeft opgegeven en 24 jaar lang gebruik maakt van een andere (Iraakse) identiteit, terwijl hij naar eigen zeggen al 25 jaar over een Iraans paspoort beschikt. Het valt daarom niet in te zien waarom eiser zijn verzoek om wijziging van zijn persoonsgegevens niet eerder heeft ingediend. 5.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat voorafgaand aan de afgifte van het paspoort kennelijk onbehoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Het paspoort is afgegeven ter vervanging van een oud paspoort en in beginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van de daarin opgenomen gegevens. Dat betwist het college ook niet. Het ‘hoofdargument’ van het college is dat eiser het paspoort recent heeft verkregen maar dat niet duidelijk is hoe de Iraanse autoriteiten zijn persoonsgegevens hebben vastgesteld, nu eiser niet beschikt over brondocumenten van vóór zijn komst naar Nederland. De rechtbank moet echter vaststellen dat het college op dit punt niet heeft doorgevraagd. Het college heeft eiser tijdens de hoorzitting weliswaar gevraagd hoe hij zijn paspoort heeft gekregen, maar heeft zich daarbij gefocust op de vraag waarom eiser een nieuw paspoort heeft aangevraagd terwijl zijn huidige paspoort nog geruime tijd geldig was. Het college heeft niet gevraagd wélke documenten hij bij de aanvraag van zijn paspoort heeft overgelegd. Ter zitting heeft eiser in dit verband gesteld dat hij naar Iran is gereisd, waar hij staat geregistreerd met een identiteitscode, te vergelijken met een Nederlands burgerservicenummer. Aan die code is een biometrisch gegeven gekoppeld, namelijk een vingerafdruk. Met behulp van het nummer en de vingerafdruk kan een persoon worden geïdentificeerd en kunnen vervolgens overheidsdocumenten worden verkregen. Zijn vingerafdruk is in het verleden in de Iraanse administratie opgenomen omdat hij de Iraanse nationaliteit heeft, zoals hij in zijn aanvraag tot wijziging ook heeft aangegeven. Hiermee stelt eiser zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat hij een op voorhand geloofwaardig scenario heeft geschetst over de wijze waarop de Iraanse autoriteiten zijn identiteit hebben vastgesteld. Het is aan het college om nader te motiveren waarom het desondanks nog steeds twijfelt, waarbij het onderzoek kan doen of de door eiser beschreven werkwijze steun vindt in algemene bronnen. 5.2.1. Het tweede argument van het college is feitelijk dat eiser in het verleden na het afleggen van de eed of de belofte andere persoonsgegevens heeft opgegeven. Hij heeft vervolgens 24 jaar lang van die andere identiteit gebruik gemaakt, terwijl hij al die tijd over een Iraans paspoort beschikte. Dat moge zo zijn, maar daarmee uit het college geen concrete twijfel over de wijze waarop dat paspoort is afgegeven. Dat argument kan daarom niet ter motivering van het standpunt van het college dienen. 5.2.2. Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van eiser. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de afgifte van het paspoort aan eiser geen behoorlijk onderzoek naar de identiteit is voorafgegaan. Identiteitskaart, geboorteboekje en verklaringen van de Iraanse ambassade 6. Eiser wijst er verder op dat hij een Iraanse identiteitskaart, een geboorteboekje en enkele verklaringen van de Iraanse ambassade heeft overgelegd. Eiser stelt voldoende aannemelijk te hebben gemaakt dat het geboorteboekje en de identiteitskaart overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie zijn opgemaakt en afgegeven. Het geboorteboekje heeft eiser gekregen toen hij in 1981 in Iran is komen wonen, wat ook wordt bevestigd door de verklaring die bij het boekje is gevoegd. De identiteitskaart heeft eiser in Iran gekregen, omdat deze niet wordt afgegeven in het buitenland. Omdat voor het verkrijgen van beide documenten de Iraanse nationaliteit is vereist, toont het feit dat eiser over deze documenten beschikt aan dat hij Iraniër is. De overgelegde verklaringen van de Iraanse ambassade heeft eiser zelf op de ambassade ontvangen. Het ligt daarom op de weg van het college om gemotiveerd te betwisten dat de documenten niet overeenkomstig de plaatselijke voorschriften en door de bevoegde instantie zijn opgemaakt en afgegeven. Daarin is het college volgens eiser niet geslaagd, het college heeft niet meer gedaan dan het beoordelen van de verklaringen van eiser tijdens zijn asielgehoren en tijdens een gehoor op het gemeentehuis en het versturen van contactverzoeken aan de Iraanse ambassade. 6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het overgelegde geboorteboekje en de verklaringen van de Iraanse autoriteiten niet kunnen leiden tot wijziging van de persoonsgegevens in de Brp. Aan de echtheid van de overgelegde brondocumenten wordt niet getwijfeld, maar ook hier bestaat twijfel over de vraag of de persoonsgegevens die op de brondocumenten zijn opgenomen juist zijn en of aan de afgifte van deze documenten een controle van de identiteit van eiser vooraf is gegaan. Uit de overgelegde stukken valt namelijk niet op te maken hoe de Iraanse autoriteiten hebben bepaald dat de eiser feitelijk (ook) [voornaam] [geslachtsnaam] is en of de Iraanse autoriteiten bij de afgifte van de brondocumenten een identificatie hebben uitgevoerd. Het nader onderzoek in de bezwaarprocedure heeft die twijfel niet weggenomen, omdat eiser geen duidelijkheid heeft gegeven over hoe de Iraanse autoriteiten zijn identiteit hebben vastgesteld en waarom hij pas een verzoek tot wijziging van zijn persoonsgegevens heeft ingediend nadat zijn Nederlandse vreemdelingenpaspoort op Schiphol door de Koninklijke Marechaussee (KMar) is afgenomen. De Iraanse autoriteiten niet hebben gereageerd op de contactverzoeken van het college, zodat ook langs die weg geen duidelijkheid is ontstaan. Een identiteitskaart is volgens het college niet overgelegd. Het college heeft hierover dan ook geen oordeel gegeven. 6.2. De rechtbank stelt voorop dat het college kan worden gevolgd in zijn standpunt dat eiser bij zijn aanvraag tot wijziging van de gegevens geen identiteitskaart heeft overgelegd. Uit de stukken kan worden opgemaakt dat zich bij de door eiser overgelegde documenten mogelijk ook een kopie van een identiteitskaart bevindt, maar duidelijk is dat niet en eiser heeft dit ook niet benoemd. In bezwaar is de identiteitskaart ook anderszins niet aan de orde gesteld of ter sprake gekomen. Onder die omstandigheden kan eiser niet pas in beroep naar voren brengen dat ook dit brondocument dient ter staving van zijn verzoek tot wijziging van persoonsgegevens. Het college heeft dit niet beoordeeld en redelijkerwijs ook niet hoeven te beoordelen. Dit betekent dat de rechtbank dit document niet in de beoordeling betrekt. 6.2.1. Wat betreft het geboorteboekje en de overgelegde verklaringen van de Iraanse ambassade, stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat deze documenten kunnen worden aangemerkt als brondocument in de zin van artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet Brp. Ook wordt niet betwist dat deze documenten echt zijn en bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Dat betekent niet het college de daarop vermelde gegevens ook moet overnemen. Aan brondocumenten mogen namelijk geen gegevens worden ontleend als de openbare orde zich daartegen verzet. Dat is onder meer het geval als voorafgaand aan de afgifte van het brondocument kennelijk geen behoorlijk onderzoek heeft plaatsgevonden. De bewijslast voor die twijfel ligt, zoals hiervoor ook ten aanzien van het paspoort is overwogen, bij het college. Om aan die bewijslast te voldoen, is het in algemene zin uiten van twijfels over de afgiftepraktijk van de documenten onvoldoende. Individuele omstandigheden die aan de aanvraag te relateren zijn, kunnen wel voldoende zijn. Concreet gaat het dan bijvoorbeeld om tegenstrijdige verklaringen van de aanvrager over de wijze waarop hij het brondocument heeft verkregen. Als het college voldoet aan de bewijslast, is het aan eiser om tegenbewijs te leveren. 6.2.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich ook ten aanzien van deze brondocumenten niet zonder meer op het standpunt kunnen stellen dat twijfel bestaat aan de inhoudelijke juistheid van de brondocumenten. Eiser heeft uitgelegd hoe hij aan de documenten is gekomen. Het college twijfelt maar heeft die twijfel onvoldoende onderbouwd. Het standpunt van het college komt eigenlijk neer op algemene twijfels over de afgiftepraktijk van documenten door de Iraanse autoriteiten. Dit is – mede gelet op de hiervoor genoemde overzichtsuitspraak van de Afdeling – onvoldoende. De twijfel van het college komt voort uit het feit dat eiser zich in het verleden een andere identiteit heeft aangemeten, ruim 24 jaar met deze andere identiteit heeft rondgelopen en pas een wijzigingsverzoek doet als zijn vreemdelingenpaspoort door de KMar wordt ingenomen nadat hij per ongeluk zijn Iraanse paspoort gebruikt. Zoals gezegd is dat (hoewel begrijpelijk) niet relevant, omdat daarmee geen concrete twijfel wordt geuit over de wijze waarop de documenten zijn afgegeven. Dat argument kan daarom niet ter motivering van het standpunt van het college dienen. 6.2.3. Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van eiser. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de afgifte van het geboorteboekje en de verklaringen van de Iraanse ambassade geen behoorlijk onderzoek naar de identiteit is voorafgegaan. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de afwijzing van het verzoek om wijziging van de persoonsgegevens van eiser niet in stand kan blijven. 7.1. De rechtbank zal niet overgaan tot een bestuurlijke lus om het college in de gelegenheid te stellen het besluit – hangende deze beroepsprocedure – van een betere motivering te voorzien. De rechtbank doet dat niet om de volgende redenen. 7.2. Ten eerste heeft het college in zijn verweerschrift gewezen op het mogelijk bestaan van een dubbele identiteit. Eiser heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar aangegeven dat de geregistreerde gegevens juist zijn en dat zijn persoonsgegevens zijn gewijzigd toen hij vanuit Irak naar Iran is gevlucht en daar om veiligheidsredenen een nieuwe identiteit kreeg. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat geen reden bestaat om een registratie te wijzigen als de geregistreerde gegevens feitelijk juist zijn. Of dat het geval is, is nu niet duidelijk geworden. Een persoon kan een dubbele nationaliteit hebben. Dat komt vaker voor. Maar een persoon kan niet twee verschillende geboortedata hebben. De Iraanse gegevens moeten volgens het college ten aanzien van de geboortedatum dan ook onjuist zijn. Uiteindelijk gaat het er volgens het college om dat buiten redelijke twijfel moet vaststaan dat de geregistreerde gegeven onjuist zijn en de bij de aanvraag tot wijziging van de verstrekte gegevens juist zijn. Die situatie doet zich volgens het college niet voor. 7.2.1. Ter zitting heeft eiser uitgelegd dat hij is geboren in Irak onder de naam [naam eiser] en dat hij is vernoemd naar de stad waar hij is geboren, Samarra. Hij werd later als Iraniër vastgezet door het regime van Sadam Hoessein en naar Iran uitgezet. Daar hij heeft hij om veiligheidsredenen een nieuwe identiteit verkregen. Hij heeft van zijn vader begrepen dat in het ziekenhuis van Samarra een verkeerde geboortedatum is geregistreerd. Zijn vader heeft dat in Iran gecorrigeerd. Daarmee komt hij terug op zijn verklaring tijdens de hoorzitting, waarbij eiser erkent dat (ook) de huidige in de Brp geregistreerde gegevens juist zijn. Wel lijkt eiser te bevestigen dat zijn geboortedatum door het ziekenhuis van Samarra is geregistreerd en dat de Iraanse autoriteiten de geboortedatum vervolgens hebben gebaseerd op de verklaring van zijn vader en niet op de datum zoals die door het ziekenhuis in Samarra is genoteerd. 7.2.2. Het college heeft het standpunt over een mogelijk dubbele identiteit niet eerder ingenomen. Of inderdaad sprake is van een wijziging van de identiteit op latere leeftijd blijft onduidelijk. Het college kan hier in bezwaar desgewenst alsnog nader onderzoek naar doen. Daarbij kan de rechtbank het college voorshands volgen in het standpunt dat geen reden bestaat om persoonsgegevens te wijzigen als niet buiten redelijke twijfel vast staat dat én de geregistreerde gegevens feitelijk onjuist zijn én de aangevraagde vervangende gegevens feitelijk juist zijn. Verder geldt dat – zoals hiervoor reeds gezegd – individuele omstandigheden die aan de aanvraag zijn te relateren een rol kunnen spelen bij het motiveren van de twijfel omtrent de juistheid van de vervangende gegevens. Daarbij merkt de rechtbank wel op dat – in het geval zowel de geregistreerde persoonsgegevens als de in de aanvraag opgenomen persoonsgegevens juist zijn – het college zich een oordeel moet vormen over de vraag welke rol de in artikel 2.8 Wet Brp neergelegde rangorde speelt. De op dit moment geregistreerde persoonsgegevens zijn immers enkel op basis van een verklaring onder ede opgenomen, terwijl de vervangende gegevens zijn gebaseerd op echt bevonden brondocumenten. 7.3. Een tweede reden om geen bestuurlijke lus toe te passen is gelegen in het feit dat in beroep ook is gesproken over de door eiser overgelegde identiteitskaart. Dit document is niet eerder door het college beoordeeld. Het college kan bij het nemen van de nieuwe beslissing op bezwaar alsnog bezien of hiertoe aanleiding bestaat. 8. Het college moet dus een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. Omdat eiser terecht beroep heeft ingesteld, moet het college de proceskosten van eiser vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door zijn gemachtigde als beroepsmatige rechtsbijstandverlener krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling op basis van een puntensysteem. In de beroepsfase heeft een punt voor een proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen, hetgeen neerkomt op twee punten. De vergoeding bedraagt dus in totaal € 1.868,-. Ook moet het college het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beslissing op bezwaar van 31 juli 2025; veroordeelt het college tot betaling aan eiser van € 1.868 aan proceskosten; bepaalt dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 194 vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Ebbers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dat staat in artikel 2.58, eerste en tweede lid, van de Wet Brp. ABRvS 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, r.o. 4; ABRvS 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198, r.o. 8. Eiser wijst op ABRvS 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, r.o. 7.3-7.5. ABRvS 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, r.o. 3. Eiser wijst op het Algemeen ambtsbericht Iran van mei 2022, p. 19. ABRvS 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, r.o. 7.1; ABRvS 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198, r.o. 8.6. ABRvS 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, r.o. 7.1, met verwijzing naar r.o. 6.2.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/184664 · 2026-07-30
