# Rechtbank Midden-Nederland, 23-07-2026 (UTR 26/6482)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Midden-Nederland
- Identifier: ECLI:NL:RBMNE:2026:4838
- Date: 2026-07-23
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBMNE%3A2026%3A4838
- Canonical: https://overview.legal/posts/187380

## Summary

Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar. Buiten Zitting. Kennelijk ongegrond, omdat spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening ontbreekt. Vergunninghouder bouwt voor eigen rekening en risico. Omgevingsvergunning niet evident onrechtmatig. Verzoek afgewezen.

## Full text

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 26/6482 uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juli 2026 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker en Het College van burgemeester en Wethouders van IJsselstein (gemachtigde: M. Buyse). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [plaats] (vergunninghouder). Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de door het college aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning van 7 juli 2026 voor het uitbreiden van de woning door middel van dakkapellen, uitbouw aan de achterzijde op de begane grond en verdieping en wijziging van de tuinberging op het adres [adres 1] in [plaats] . 1.1. Verzoeker woont aan de [adres 2] in [plaats] . Hij is de directe buur van vergunninghouder en hij is het niet eens met het realiseren van de uitbreiding van de woning. Daarom heeft hij bij het college bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Hij verzoekt de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening te treffen, waarbij de omgevingsvergunning wordt geschorst. 1.2. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat het verzoek kennelijk ongegrond is wegens het ontbreken van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 3. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Een voorlopige voorziening is een spoedmaatregel om te voorkomen dat er onomkeerbare dingen gebeuren als gevolg van een besluit, voordat op het bezwaar is beslist. Dit verzoek om voorlopige voorziening is ingediend tijdens de bezwaarprocedure. 4. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit telefonisch contact met de vergunninghouder is gebleken dat begin september zal worden gestart met de bouwwerkzaamheden. De bouwwerkzaamheden vinden plaats op eigen risico en voor eigen rekening van de vergunninghouder, nu de aan haar verleende omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is. 5. De voorzieningenrechter stelt vast dat het grootste deel van de onderbouwing van het verzoek betrekking heeft op aspecten die pas aan de orde zijn nadat het vergunde bouwwerk in gebruik is genomen. Verzoeker vreest dat het voorziene dakterras leidt tot ernstige en blijvende privacyschending in tuin, woonkamer en slaapkamer. Ook vreest verzoeker dat de bestaande gemeenschappelijke regenafvoer wordt verwijderd of afgedopt. Verzoeker verwacht dat de negatieve gevolgen, zoals inkijk, aantasting woongenot en wateroverlast, onherstelbaar zijn. Deze aspecten zal het college in de bezwaarprocedure moeten beoordelen, maar maken niet dat op dit moment het treffen van spoedmaatregel nodig is. 6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verder geen sprake van bouwwerkzaamheden die niet ongedaan kunnen worden gemaakt. Ook als het college in het kader van de heroverweging naar aanleiding van de door verzoeker ingediende bezwaren de omgevingsvergunning herroept, zijn reeds uitgevoerde bouwwerkzaamheden op zichzelf omkeerbaar. 7. De conclusie is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorziening. De door verzoeker gevraagde voorziening kan dan alleen nog worden getroffen als het besluit van het college evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of de omgevingsvergunning in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Daarvan is hier geen sprake. Conclusie en gevolgen 8. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Dat betekent dat vergunninghouder bij deze stand zaken zolang het college nog niet op de bezwaren van verzoeker heeft beslist voor eigen rekening en risico gebruik mag maken van de aan haar verleende omgevingsvergunning en de activiteiten waarvoor deze zijn verleend mag uitvoeren. 9. Omdat het verzoek wordt afgewezen, bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/187380 · 2026-08-06
