# Rechtbank Limburg, 15-07-2026 (12184511 | CV EXPL 26-1802)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Limburg
- Identifier: ECLI:NL:RBLIM:2026:6957
- Date: 2026-07-15
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBLIM%3A2026%3A6957
- Canonical: https://overview.legal/posts/187392

## Summary

NS. Studentenreisproduct. Boete voor niet inchecken.

## Full text

RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Roermond Zaaknummer: 12184511 \ CV EXPL 26-1802 Vonnis van 15 juli 2026 in de zaak van NS REIZIGERS B.V. , te Utrecht, eisende partij, hierna te noemen: NS, gemachtigde: LAVG Groningen, tegen [de reiziger] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [de reiziger] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, - de conclusie van antwoord, - de conclusie van repliek, - de conclusie van dupliek. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [de reiziger] heeft op 2 september 2025 gebruik gemaakt van een treinrit van NS van Blerick naar [plaats] . De ritprijs bedraagt € 11,50. 2.2. Medewerkers van NS hebben gedurende deze treinrit [de reiziger] verzocht om een vervoerbewijs te tonen. Echter, [de reiziger] was gedurende deze treinrit niet in het bezit van een geldig (elektronisch) vervoerbewijs. 2.3. NS heeft [de reiziger] de mogelijkheid gegeven om de vervoerprijs, wettelijke verhoging en administratiekosten te betalen. 2.4. Nadat ook betaling via aanmaning door Bos Incasso uitbleef, is de vordering uit handen gegeven aan LAVG. Deze heeft [de reiziger] op 4 februari 2026 gemaand om tot betaling van de vordering over te gaan. 2.5. Tot dusver heeft [de reiziger] niet aan de betaalverzoeken van NS voldaan. 3 Het geschil 3.1. NS Reizigers B.V. vordert - samengevat – bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [de reiziger] te veroordelen tot betaling van € 76,50. Dit bedrag bestaat uit € 11,50 aan ritprijs, € 50,00 aan wettelijke verhoging en € 15,00 aan administratiekosten. 3.2. NS legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. [de reiziger] was op 2 september 2025 niet in het bezit van een geldig vervoerbewijs en overtrad daarmee artikel 70 van de Wet Personenvervoer 2000. Dit artikel bepaalt namelijk dat het verboden is om zonder geldig vervoerbewijs gebruik te maken van het openbaar vervoer. 3.3. [de reiziger] voert verweer. [de reiziger] voert aan dat hij op 2 september 2025 gereisd heeft om naar zijn studie aan [hogeschool] in Tilburg te gaan. [de reiziger] had zijn OV-chipkaart die dag niet bij zich. Wel beschikte [de reiziger] over een studentenreisproduct via DUO om voor studie gebruik te kunnen maken van het openbaar vervoer. Er is geen sprake van frauduleus handelen of kwade intentie. Bovendien staan de hoogte van de kosten niet in verhouding tot de situatie. [de reiziger] concludeert daarom tot afwijzing van de vordering en veroordeling van NS in de proceskosten. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter stelt voorop dat het verboden is om gebruik te maken van het openbaar vervoer, zonder geldig vervoerbewijs. [de reiziger] heeft aangevoerd dat hij beschikte over een studentenreisproduct via DUO. Daarmee was [de reiziger] echter nog niet in het bezit van een geldig vervoerbewijs. Om geldig gebruik te maken van het studentenreisproduct, is namelijk ook inchecken vereist. Vaststaat dat [de reiziger] niet was ingecheckt op 2 september 2025. Tijdens de treinrit op 2 september 2025 heeft een medewerker van NS [de reiziger] naar zijn vervoerbewijs gevraagd. Dit kon [de reiziger] toen niet tonen. [de reiziger] erkent ook te hebben gereisd zonder te zijn ingecheckt en zonder anderszins in het bezit te zijn van een geldig vervoerbewijs (bijvoorbeeld een papieren kaartje). 4.2. Daarbij overweegt de kantonrechter dat [de reiziger] ervoor - zoals de NS heeft aangevoerd - had kunnen kiezen om de reiskosten achteraf vergoed te krijgen als hij zijn OV chipkaart was vergeten. [de reiziger] had namelijk een los ticket kunnen kopen en deze extra kosten kunnen declareren bij NS. Die optie bestaat (een beperkt aantal keren per jaar) voor houders van een studentenreisproduct. Desondanks heeft [de reiziger] ervoor gekozen om gebruik te maken van de vervoersdiensten van de NS zonder geldig vervoerbewijs. Daarmee heeft [de reiziger] het risico genomen dat hij bij controle de ritprijs en wettelijke verhoging zou moeten betalen. 4.3. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter de vordering voor een bedrag van € 11,50 in hoofdsom toewijst. Wettelijke verhoging en administratiekosten 4.4. NS vordert daarnaast een wettelijke verhoging. Nu de kantonrechter oordeelt dat [de reiziger] de ritprijs moet betalen, is [de reiziger] eveneens deze wettelijke verhoging van € 50,00 verschuldigd. Weliswaar voert [de reiziger] het verweer dat deze kosten niet in verhouding staan tot het bedrag waar het om gaat, maar de kantonrechter ziet geen aanleiding om dit bedrag te matigen. Zoals hiervoor al aangegeven heeft [de reiziger] gereden zonder geldig vervoerbewijs, overtrad daarmee de Wet Personenvoer en is op grond van artikel 48 lid 2 van het Besluit Personenvervoer 2000 de wettelijke verhoging verschuldigd. Verder had [de reiziger] op relatief eenvoudige wijze kunnen voorkomen dat hij de wettelijke verhoging verschuldigd zou worden (door een kaartje te kopen en de kosten achteraf terug te vragen). 4.5. Tot slot vordert NS administratiekosten voor een bedrag van € 15,00. [de reiziger] is deze kosten pas verschuldigd nadat de vervoerder hem in de gelegenheid heeft gesteld om – indien er niet terstond wordt betaald - de ritprijs en wettelijke verhoging alsnog te voldoen. NS heeft daartoe gesteld dat zij zowel op 3 als 22 september 2025 [de reiziger] heeft gemaand om alsnog binnen een termijn van veertien dagen de ritprijs met wettelijke verhoging te betalen. Desondanks heeft [de reiziger] de vordering onbetaald gelaten. De kantonrechter oordeelt dat NS voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat zij [de reiziger] ook voor deze kosten heeft gemaand. Daarom zal de kantonrechter ook de gevorderde administratiekosten toewijzen. 4.6. [de reiziger] heeft nog aangevoerd dat hij – in tegenstelling tot wat NS aangeeft – wel degelijk contact heeft gehad met NS en bezwaar heeft ingediend tegen de vordering. Daarop heeft NS haar vordering verlaagd naar een bedrag van € 76,50. Dit doet echter verder niets af aan de verschuldigdheid van de vordering. Wettelijke rente 4.7. [de reiziger] is te laat met het betalen van de ritprijs, wettelijke verhoging en administratiekosten. [de reiziger] is daarom de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van dagvaarding - 16 maart 2026 – tot de dag van volledige betaling. [de reiziger] wordt in de proceskosten veroordeeld 4.8. [de reiziger] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NS worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 127,08 - griffierecht € 139,00 - salaris gemachtigde € 86,00 (2 punten × € 43,00) - nakosten € 21,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 373,58 4.9. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [de reiziger] om aan NS te betalen een bedrag van € 76,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 maart 2026, tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [de reiziger] in de proceskosten van € 373,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de reiziger] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [de reiziger] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026. Artikel 70 van de Wet personenvervoer 2000 en artikel 47 van het Besluit personenvervoer 2000. Artikel 48 lid 6 van het Besluit Personenvervoer 2000.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/187392 · 2026-08-06
