# Raad van State, 05-08-2026 (202500096/1/A3)

- Type: Case Law
- Source: Raad van State
- Identifier: ECLI:NL:RVS:2026:4599
- Date: 2026-08-05
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARVS%3A2026%3A4599
- Canonical: https://overview.legal/posts/187405

## Summary

Bij besluit van 17 februari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht een verzoek van [appellant] om wijziging van gegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. [appellant] is op 24 juli 2017 op basis van een verklaring onder ede in de brp ingeschreven als [voornaam] [achternaam appellant], geboren op [geboortedatum] 1987 in [plaats], China. [appellant] heeft het college op 9 november 2022 verzocht om opneming van zijn oudergegevens in de brp en heeft daarbij een nieuwe verklaring onder ede afgelegd. Volgens [appellant] is de geslachtsnaam van zijn vader [andere achternaam], wat de Oeigoerse schrijfwijze is. Het college heeft het verzoek bij het besluit van 17 februari 2023 afgewezen. Omdat de Oeigoeren geen zelfstandige staat hebben die door de Verenigde Naties is erkend, houdt het college de Chinese schrijfwijze aan. Het college heeft de afwijzing bij het besluit van 1 augustus 2023 gehandhaafd.

## Full text

202500096/1/A3. Datum uitspraak: 5 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 20 november 2024 in zaak nr. 23/4473 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht. Procesverloop Bij besluit van 17 februari 2023 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van gegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. Bij besluit van 1 augustus 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.I.T. Sopacua, advocaat in Dordrecht, en het college, door middel van een videoverbinding vertegenwoordigd door T.M.F. de Wit, bijgestaan door mr. R.M. Pieterse, advocaat in Middelburg, zijn verschenen. Als tolk trad op M. Sivridag. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] is op 24 juli 2017 op basis van een verklaring onder ede in de brp ingeschreven als [voornaam] [achternaam appellant], geboren op [geboortedatum] 1987 in [plaats], China. [appellant] heeft het college op 9 november 2022 verzocht om opneming van zijn oudergegevens in de brp en heeft daarbij een nieuwe verklaring onder ede afgelegd. Volgens [appellant] is de geslachtsnaam van zijn vader [andere achternaam], wat de Oeigoerse schrijfwijze is. Het college heeft het verzoek bij het besluit van 17 februari 2023 afgewezen. Omdat de Oeigoeren geen zelfstandige staat hebben die door de Verenigde Naties is erkend, houdt het college de Chinese schrijfwijze aan. Het college heeft de afwijzing bij het besluit van 1 augustus 2023 gehandhaafd. 2. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellant] niet een zogenoemd ‘hoger’ brondocument heeft overgelegd, zoals bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen (Wet brp). De eerdere verklaring onder ede, die [appellant] in 2017 heeft afgelegd, is van dezelfde rangorde als de verklaring onder ede die hij aan zijn wijzigingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, in 2022. Daarom komt de rechtbank niet toe aan de vraag of buiten redelijke twijfel volgt dat de in de nieuwe verklaring onder ede vermelde persoonsgegevens juist zijn. De rechtbank heeft ten slotte nog geoordeeld dat de afwijzing niet onevenredig is en het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Wettelijk kader 3. De voor deze zaak van belang zijnde bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Verklaring onder ede 4. [appellant] betoogt dat het door de rechtbank gehanteerde toetsingskader over brondocumenten niet op zijn situatie ziet. Volgens [appellant] is zijn naam door de Chinese overheid opgedrongen en worden zijn mensenrechten als Oeigoer daarmee geschonden. Op zijn Chinese identiteitskaart staat weliswaar [appellant], maar bij zijn vestiging in Nederland had hij geen keuze om anders te verklaren. Hij kon ook de gevolgen daarvan op dat moment niet overzien. Wat [appellant] betreft zou de verklaring die hij heeft afgelegd toen hij zich in Nederland vestigde niet mee moeten tellen en is daarom geen sprake van een hoger of lager brondocument. De rechtbank had om die reden wel moeten beoordelen of uit het overgelegde brondocument, de nieuwe verklaring onder ede, buiten redelijke twijfel volgt of de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn, aldus [appellant]. 5. In haar uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, heeft de Afdeling haar beoordelingskader, zoals uiteengezet in de uitspraak van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198, aangepast. De Afdeling zal hierna het hoger beroep van [appellant] beoordelen aan de hand van de uitspraak van 22 oktober 2025. 5.1. De Afdeling stelt vast dat [appellant] heeft verzocht om opneming van zijn oudergegevens in de brp. Deze gegevens zijn toen hij zich in Nederland vestigde niet geregistreerd. De Afdeling stelt verder vast dat [appellant] niet heeft verzocht om wijziging van zijn eigen achternaam in de brp. De verklaring onder ede uit 2022, die [appellant] bij zijn verzoek heeft afgelegd, heeft dan ook niet te gelden als vervanging van de verklaring onder ede uit 2017, die [appellant] bij zijn vestiging in Nederland heeft afgelegd. De rechtbank is dan ook ten onrechte niet op de inhoud van de verklaring ingegaan. De uitspraak van de rechtbank moet om die reden worden vernietigd. Om het geschil definitief te kunnen beslechten zal de Afdeling hieronder de beroepsgronden beoordelen. Opneming van de oudergegevens 6. Niet in geschil is dat de verklaring onder ede uit 2022 op zichzelf kan worden aangemerkt als een brondocument in de zin van artikel 2:8, tweede lid, onder e, van de Wet brp. Het geschil gaat wel over de vraag of buiten redelijke twijfel volgt dat de daarin opgenomen gegevens juist zijn. 6.1. Volgens [appellant] is de geslachtsnaam van zijn vader [andere achternaam]. [appellant] heeft een vertaling van zijn identiteitskaart van een beëdigd vertaler overgelegd, waarin staat vermeld dat [andere achternaam] de Oeigoerse vertaling is van het Chinese [naam appellant]. Het college heeft een transliteratie van het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal van de IND (TOELT) overgelegd. Volgens het TOELT moet de achternaam "[naam appellant]", zoals deze in het Oeigoers schrift op de identiteitskaart staat, getranslitereerd worden naar "[naam A]". Daarnaast merkt het college op dat naar Oeigoers recht een kind nooit dezelfde achternaam als de vader krijgt. De voornaam van de vader wordt naar Oeigoers recht de achternaam van het kind. Dit is door [appellant] niet betwist. Als ervoor gekozen zou worden de Oeigoerse naamgeving te volgen, zou de achternaam van [appellant] niet "[andere achternaam]" maar "[naam B]" moeten zijn. [appellant] heeft evenwel niet verzocht om wijziging van zijn naam, maar om opneming van zijn oudergegevens in de brp. 6.2. Uit bovenstaande kan worden afgeleid dat niet buiten redelijke twijfel uit de verklaring onder ede van 2022 volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Er kan niet eenduidig worden vastgesteld wat de achternaam van de vader van [appellant] is. [appellant] heeft ook verder geen andere stukken overgelegd waaruit dat blijkt. De Nederlandse openbare orde verzet zich tegen opneming van de oudergegevens van [appellant] in de brp. Het college heeft daarom het verzoek terecht afgewezen. Het betoog slaagt niet. Artikelen 3 en 8 EVRM 7. [appellant] betoogt dat weigering van de opneming van de oudergegevens in strijd is met artikel 3 van het EVRM (verbod op foltering) en artikel 8 van het EVRM (recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven). Als het college blijft uitgaan van de Chinese schrijfwijze van de achternaam dan handelt het daarmee in strijd met het internationaal recht, aldus [appellant]. 8. In wat [appellant] hierover heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat de weigering om de oudergegevens in het brp op te nemen een schending van artikelen 3 en 8 van het EVRM oplevert. Evenredigheid 9. [appellant] betoogt verder dat de afwijzing van het rectificatieverzoek in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Volgens [appellant] heeft de wetgever niet voorzien in zijn situatie. Er zijn voor hem, anders dan de rechtbank heeft overwogen, ook geen andere mogelijkheden om zijn naam te wijzigen, aldus [appellant]. 10. De bepalingen in de Wet brp die van toepassing zijn voor rectificatieverzoeken op basis van buitenlandse (bron)documenten zijn dwingendrechtelijk geformuleerd. Dit betekent dat de Wet brp het college niet toestaat bij de beoordeling van een rectificatieverzoek een belangenafweging te maken. In de uitspraak van 22 oktober 2025, onder 10.1, heeft de Afdeling geoordeeld dat de gevolgen die burgers ondervinden bij afwijzing van hun rectificatieverzoek in de regel niet als onvoorzien of bijzonder kunnen worden aangemerkt. De kern van de regelingen in de Wet brp over rectificatieverzoeken is dat er strakke spelregels bestaan voor het wijzigen van gegevens in de brp, omdat die gegevens door tal van overheidsorganen worden gebruikt. Dat er daardoor rectificatieverzoeken van burgers niet kunnen worden gehonoreerd en dat zij hiervan verschillende negatieve gevolgen zullen ondervinden, zijn zaken die rechtstreeks uit dit systeem volgen, zodat kan worden aangenomen dat de wetgever deze gevolgen heeft voorzien. Dergelijke omstandigheden zullen daarom in de regel niet kunnen leiden tot een succesvol beroep op schending van het evenredigheidsbeginsel. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat voor hem een uitzondering moet worden gemaakt. Hierbij speelt ook een rol dat [appellant] andere mogelijkheden heeft om zijn naam te wijzigen, anders dan eerst zijn oudergegevens te laten opnemen in de brp. Gelijkheidsbeginsel 11. [appellant] betoogt ten slotte dat de afwijzing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Zijn broer staat in de brp namelijk wel ingeschreven onder naam ‘[andere achternaam]’. [appellant] verwijst in hoger beroep ook naar een volgens hem vergelijkbaar geval in de gemeente Amersfoort waarin de Oeigoerse schrijfwijze van de achternaam is opgenomen in de brp. 12. De Afdeling is, net als de rechtbank, van oordeel dat het geval van de broer van [appellant] geen vergelijkbaar geval is. De broer van [appellant] heeft bij de eerste inschrijving in Nederland aangegeven dat zijn naam [andere achternaam] is. Ook heeft de broer van [appellant] in een andere procedure om een naamswijziging verzocht. Het geval dat [appellant] heeft aangedragen omdat het volgens hem vergelijkbaar is met zijn eigen geval ging om een naamswijzigingsverzoek tijdens een verzoek om naturalisatie, dat beoordeeld is door de IND. Omdat dit geval niet vergelijkbaar is met dat van [appellant] kan geen geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel worden gedaan, nog daargelaten of het verzoek in het geval dat [appellant] heeft aangedragen op goede gronden is toegewezen. Het betoog slaagt niet. Conclusie 13. Het hoger beroep is, gelet op wat de Afdeling onder 5.1 heeft overwogen, gegrond. De uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. De Afdeling zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat het college terecht het verzoek van [appellant] om opneming van zijn oudergegevens in de brp heeft afgewezen. 14. Het college moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 20 november 2024 in zaak nr. 23/4473; III. verklaart het beroep ongegrond; IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand; V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 289,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier. w.g. Soffers lid van de enkelvoudige kamer w.g. Dijkshoorn griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026 735-1104 BIJLAGE Wet basisregistratie personen Artikel 2.8 (…) 2. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e: (…) e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend. (…) Artikel 2.10 (…) 2. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, worden geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten. 3. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d en e, worden geen gegevens ontleend, indien aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn. (…) Artikel 2.58 1. Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van de verordening, of op wissing van gegevens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening, bevat de aan te brengen wijzigingen. 2. Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling. (…)

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/187405 · 2026-08-06
