# Raad van State, 05-08-2026 (202307578/1/A3)

- Type: Case Law
- Source: Raad van State
- Identifier: ECLI:NL:RVS:2026:4575
- Date: 2026-08-05
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARVS%3A2026%3A4575
- Canonical: https://overview.legal/posts/187407

## Summary

Bij besluit van 5 augustus 2022 heeft de minister van Financiën het verzoek van [appellante] om inzage in haar persoonsgegevens op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) ingewilligd. De persoonsgegevens van [appellante] stonden in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst. De FSV was een applicatie die van 2012 tot en met 27 februari 2020 door de Belastingdienst werd gebruikt met als doel om mogelijke signalen van belastingfraude te registreren. [appellante] heeft verzocht om inzage in haar persoonsgegevens. Verder wil zij weten wat het doel van het gebruik van haar gegevens was, aan wie de gegevens verder zijn verstrekt, wat de herkomst van de gegevens was, hoe lang deze door de Belastingdienst opgeslagen zijn, en wat het belang, de onderliggende logica en de gevolgen van eventuele geautomatiseerde besluitvorming door de Belastingdienst is geweest. [appellante] voert aan dat zij ten onrechte niet alle informatie heeft gekregen over haar registratie in de FSV.

## Full text

202307578/1/A3. Datum uitspraak: 5 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2023 in zaak nr. 23/2294 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Financiën. Procesverloop Bij besluit van 5 augustus 2022 heeft de minister het verzoek van [appellante] om inzage in haar persoonsgegevens op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) ingewilligd. Bij besluit van 22 februari 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2026, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. I.A. Huppertz en mr. M. Clement, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. De persoonsgegevens van [appellante] stonden in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst. De FSV was een applicatie die van 2012 tot en met 27 februari 2020 door de Belastingdienst werd gebruikt met als doel om mogelijke signalen van belastingfraude te registreren. [appellante] heeft verzocht om inzage in haar persoonsgegevens. Verder wil zij weten wat het doel van het gebruik van haar gegevens was, aan wie de gegevens verder zijn verstrekt, wat de herkomst van de gegevens was, hoe lang deze door de Belastingdienst opgeslagen zijn, en wat het belang, de onderliggende logica en de gevolgen van eventuele geautomatiseerde besluitvorming door de Belastingdienst is geweest. Besluitvorming 2. In het besluit van 5 augustus 2022 heeft de minister antwoord gegeven op de door [appellante] gestelde vragen en een overzicht verstrekt van haar persoonsgegevens in de FSV. [appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Tijdens het hoorgesprek in bezwaar is naar voren gekomen dat [appellante] aangemeld wilde worden voor het zogenoemde effectenonderzoek en wilde weten of zij in aanmerking kwam voor een schadevergoeding. Daarvoor staan andere procedures open dan de procedure op grond van de AVG. De minister heeft het bezwaar van [appellante] daarom ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft overwogen dat de beoordeling van het besluit ziet op de toepassing van de AVG, en dat de beoordeling niet gaat over de rechtmatigheid van de opname in de FSV. De rechtbank is niet gebleken dat de minister in dit geval de AVG niet op een juiste manier heeft toegepast. [appellante] heeft geen specifieke gronden aangevoerd tegen het besluit op haar verzoek om inzage. De rechtbank heeft geen aanleiding te veronderstellen dat de lijst met persoonsgegevens niet volledig zou zijn. Wat betreft de stelling van [appellante] dat zij is benadeeld door opname in de FSV merkt de rechtbank op dat zij niet is aangemerkt als fraudeur. Zij heeft haar stellingen verder niet onderbouwd. Voor het aanvragen van een eventuele schadevergoeding staat een ander traject bij de minister open. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. Het hoger beroep 4. [appellante] voert aan dat zij ten onrechte niet alle informatie heeft gekregen over haar registratie in de FSV. Volgens [appellante] is zij in de FSV geregistreerd nadat in 2015 is gebleken dat zij € 50,00 te veel studiekosten heeft geprobeerd af te trekken van haar inkomen bij de aangifte inkomstenbelasting over 2014. Zij vermoedt dat de minister over meer informatie beschikt over haar registratie in de FSV, omdat het gaat om een hele zware maatregel en haar FSV registratie niet alleen gebaseerd kan zijn op het ten onrechte aftrekken van een klein bedrag aan studiekosten. Bovendien zijn de gevolgen van de FSV registratie voor [appellante] groot. Zo heeft zij onder meer problemen met zorgverleners, haar opleidingsinstantie, haar voormalig werkgever en het UWV. Ook moest zij onverwacht zorgtoeslag en huurtoeslag terugbetalen. Zij vermoedt dat deze problemen ontstaan zijn door haar registratie in de FSV. 4.1. Op de zitting bij de Afdeling heeft de minister desgevraagd verklaard dat [appellante] geselecteerd was voor handmatige controle van haar belastingaangifte in het kader van project 1043. Dat project was aanvankelijk bedoeld om systeemfraude met studiekosten op te sporen. Later zijn onder die projectcode ook aangiften met een hoog risico op onjuistheden behandeld, waar mogelijk sprake was van een vergissing in de aangifte. Doordat [appellante] geselecteerd was voor project 1043, is zij ook geregistreerd in de FSV. Daarna is de onregelmatigheid bij de aangifte inkomstenbelasting ontdekt. Dat was volgens de minister dus niet de oorzaak van de registratie in de FSV. De minister heeft verder tijdens de zitting laten weten dat alleen ambtenaren die werkzaam zijn bij de Belastingdienst toegang hadden tot de geregistreerde persoonsgegevens en die niet met andere organisaties zijn gedeeld. 4.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de minister in het besluit van 5 augustus 2022 de AVG onjuist heeft toegepast. De minister heeft een overzicht verstrekt van alle persoonsgegevens van [appellante] die in de FSV werden verwerkt en met welk doel deze werden verwerkt. De minister heeft toegelicht wat project 1043 inhield. [appellante] vermoedt, zoals gezegd, dat er meer persoonsgegevens zijn dan de minister heeft gegeven, maar daarvoor ziet de Afdeling geen concrete aanwijzingen. Uit het overzicht dat de minister heeft verstrekt, blijkt ook niet dat [appellante] als fraudeur is aangemerkt en om die reden in de FSV geregistreerd zou zijn. De Afdeling heeft ook geen concrete aanwijzingen dat de persoonsgegevens zijn gedeeld met andere organisaties. 4.3. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellante] ook verklaard dat zij niet langer in de FSV geregistreerd wil staan. Deze zaak gaat hier niet over. De Afdeling merkt in algemene zin op dat de minister er op de zitting op heeft gewezen dat de gegevens uit de FSV nog niet verwijderd mogen worden omdat deze nodig zijn voor onderzoek en het afhandelen van schadeclaims. Verder heeft de minister gezegd dat de gegevens slechts voor een zeer beperkte groep medewerkers toegankelijk zijn en verder geen rol mogen spelen bij door de Belastingdienst uit te voeren taken. 4.4. Het betoog slaagt niet. Conclusie 5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. 6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.E. Kamperman, griffier. w.g. Daalder voorzitter w.g. Kamperman griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026 1000

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/187407 · 2026-08-06
